ECLI:NL:RBZWB:2026:701

ECLI:NL:RBZWB:2026:701

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 06-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 25/6765 en 25/6767
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

sluiting woning | Opiumwet | stashlocatie | sluiting geschikt en noodzakelijk | sluitingsduur niet evenwichtig | zelf voorzien sluiting een maand

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

de burgemeester van de gemeente Terneuzen, de burgemeester.

Samenvatting

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 25/6765 en 25/6767

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] B.V. (eiseres), in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [betrokkene], uit [plaats] , (betrokkene).

(gemachtigde: mr. R.S. Vriend),

en

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om de woning aan [adres] te sluiten voor een periode van drie maanden met ingang van 6 januari 2026 op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Onder meer aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het bestreden besluit van 11 december 2025.

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de sluiting van de woning aan [adres] een geschikt en noodzakelijk middel is om het gebruik van de woning als stashlocatie beëindigd te houden. Een sluiting van drie maanden is echter gelet op onder meer op het tijdsverloop en de omstandigheden van betrokkene niet evenwichtig. De burgemeester kan de door hem beoogde doelen met de sluiting ook bereiken met een sluiting van de woning voor de duur van één maand. Eiser krijgt dus deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 11 december 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij het besluit tot sluiting van de woning aan [adres] gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 30 december 2025 bij wijze van ordemaatregel geoordeeld dat het bestreden besluit tot uiterlijk twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt geschorst.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: betrokkene met de gemachtigde van eiseres en [gemachtigde] als gemachtigde van de burgemeester.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Betrokkene is eigenaar en bewoner van de woning aan [adres] (hierna: de woning). Op 10 juni 2025 heeft de burgemeester van de politie een bestuurlijke rapportage ontvangen. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat op 25 juni 2024 door Team Criminele Inlichtingen een proces-verbaal is verstrekt. Hierin staat dat [naam] handelt in grote hoeveelheden drugs, waaronder cocaïne en wiet. Ook biedt hij allerlei vuurwapens te koop aan, waaronder automatische vuurwapens. Verder staat er in dat [naam] gebruik maakt van stashadressen om zijn handel te bewaren. Uit nader onderzoek is gebleken dat de woning van betrokkene mogelijk in relatie stond met deze informatie.

Op 16 april 2025 is de woning door de politie doorzocht. Tijdens de doorzoeking is het volgende in de woning aangetroffen:

in de woonkamer: een balletjespistool en een alarmpistool in een lade van een kast, een balletjespistool direct zichtbaar op een board van de kast en een ‘jammer’ in een groen hoesje op de kast.

in de keuken: een zakje wit poeder in een keukenkastje (Mannitol, zoetstof)

in de slaapkamer aan de achterzijde op de eerste verdieping: diverse dozen met in totaal 466 sloffen sigaretten, vier zakken met hennep (in totaal 1,95 kilo hennep), drie zakken met in totaal 2564 XTC-pillen, drie zakken met in totaal 1589 gram cocaïne, een pot met vermoedelijk Fenacetine (versnijdingsmiddel/geneesmiddel), een zakje met vermoedelijk procaïne (versnijdingsmiddel/anestheticum) en contant geld met een totaal waarde van € 66.850,-.

Bij brief van 29 juli 2025 – verzonden op 30 juli 2025 – heeft de burgemeester betrokkene bericht voornemens te zijn om de woning voor een periode van drie maanden te sluiten.

Betrokkene heeft een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 16 september 2025 (primair besluit) – verzonden op 17 september 2025 – heeft de burgemeester besloten de woning aan [adres] voor een periode van drie maanden te sluiten met ingang van 6 oktober 2025 op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Namens betrokkene is bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 5 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het primair besluit geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

4. Bij het bestreden besluit van 9 december 2025 – verzonden op 11 december 2025 – heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard en het primair besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak

Spoedeisend belang

6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval de beslissing op bezwaar – niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid). Dat sprake is van een spoedeisend belang is niet in geschil tussen partijen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hier anders over te denken.

Bevoegdheid tot sluiting

7. Op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot sluiting van een woning als in die woning soft- of harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. In de rechtspraak is als uitgangspunt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 5 gram softdrugs of 0.5 gram harddrugs de aangetroffen drugs in beginsel (mede) bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.

Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat in de woning van betrokkene 1,95 kilo hennep, 2564 XTC pillen en 1.589 gram cocaïne zijn aangetroffen. Daarnaast zijn een grote som contant geld (€ 66.850,-), 573,6 gram Fenacetine en 8,7 gram Procaïne aangetroffen. De aangetroffen hoeveelheid drugs is een hoeveelheid waarvan in beginsel kan worden aangenomen dat deze bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verder kan het contante geld op handel duiden.

De burgemeester heeft besloten de woning van betrokkene te sluiten voor de duur van drie maanden. Uit de Beleidsnota artikel 13b Opiumwet volgt dat bij een eerste overtreding met een handelshoeveelheid harddrugs de woning wordt gesloten voor de duur van drie maanden. Hoewel er door de burgemeester een aantal verzwarende omstandigheden zijn benoemd, heeft hij besloten daaraan geen consequenties in de zin van een langere sluitingsduur te verbinden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was de burgemeester dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet handhavend op te treden. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

Toepassing van de bevoegdheid

8. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. De burgemeester dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft hiervoor beleid vastgesteld, Beleidsnota artikel 13b Opiumwet. Wanneer een burgemeester beleid heeft vastgesteld, zal hij dat beleid in de regel moeten toepassen en ook moeten bezien of er grond bestaat om daarvan af te wijken. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan met het oog op de hiervoor genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.

Geschiktheid

9. Tussen partijen is niet in geschil dat sluiting in het voorliggende geval een geschikte maatregel is om de door de burgemeester benoemde doelen te bereiken.

Noodzaak

10. Tussen partijen is in geschil of sluiting van de woning noodzakelijk is. De burgemeester heeft aangevoerd dat sluiting van de woning noodzakelijk is. Hij heeft er daarbij gewezen op dat de woning van betrokkene gebruikt is als opslaglocatie (stash-locatie) waardoor de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Eén van de doelen van de sluiting is de woning aan de keten van drugshandel te onttrekken. In de woning zijn een zeer grote hoeveelheid drugs en contanten aangetroffen. Dit soort grote hoeveelheden drugs brengen een risico op ripdeals met zich mee. Dit heeft gevolgen voor de openbare orde en veiligheid in de omgeving van de woning, te meer omdat de woning in een kwetsbare wijk is gelegen. Het afgeven van een signaal naar buurtbewoners en criminelen dat de burgemeester handhavend optreedt en op deze wijze de openbare orde en veiligheid in de omgeving herstelt, is ook een met de sluiting beoogd doel. Ook wil de burgemeester herhaling voorkomen. Van het geven van een waarschuwing gaat een onvoldoende afschrikkend effect uit.

Eiseres betwist de door de burgemeester gestelde noodzaak voor sluiting van de woning. Zij heeft er op gewezen dat geen sprake is geweest van loop naar de woning, feitelijke handel in de woning of enige overlast voor de buurt. Door nu de woning te sluiten wordt juist extra de aandacht op de woning en het feit dat in de woning drugs aanwezig zijn geweest, gevestigd. De drugs zijn uit de woning verdwenen. Ook is er geen reden voor vrees voor herhaling nu de eigenaar van de drugs is gedetineerd, deze persoon niet langer welkom is in de woning en het contact met hem is verbroken. Ook de rechter-commissaris achtte het niet aannemelijk dat betrokkene zijn woning opnieuw ter beschikking zou stellen.

Nergens blijkt uit dat de woning bekend is in het criminele circuit, zelfs de politie heeft een baken onder de auto van [naam] moeten gebruiken om bij de woning uit te komen. Een minder ingrijpend middel zoals een waarschuwing is ook passend.

11. De voorzieningenrechter overweegt dat bij de beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, de vraag aan de orde is of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang.

Met de burgemeester is de voorzieningenrechter het eens dat vastgesteld kan worden dat de woning ten tijde van de inval werd gebruikt als opslaglocatie voor drugs die elders werd verhandeld. Een dergelijke opslaglocatie wordt ook wel een stashlocatie genoemd. De voorzieningenrechter kan zich daarbij niet aan de indruk onttrekken dat de keuze voor de woning van betrokkene niet geheel toevallig is geweest gelet op de aanwezigheid van twee grote honden en de band die betrokkene en [naam] samen hadden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn stashlocaties een belangrijk onderdeel van de keten van drugshandel. Voor de verkoop van drugs moeten betrouwbare stashlocaties beschikbaar zijn. De aanwezigheid van een stashlocatie in een woonwijk brengt risico’s voor de openbare orde met zich mee. Concurrerende criminelen kunnen immers van de voorraadlocatie op de hoogte raken en een dergelijke locatie al dan niet met geweld proberen leeg te halen (ripdeals).

Betrokkene zegt dat criminelen niet op de hoogte waren van de aanwezigheid van de stashlocatie, dat er niets is gebeurd en dat de politie alleen door onderzoek met een peilbaken bij de woning is uitgekomen. Hij vergeet dat ook criminelen middelen hebben om informatie in te winnen, en onderling wellicht ook met peilbakens zouden kunnen werken, waardoor de stashlocatie ontdekt had kunnen worden. Het risico op ripdeals zorgt voor onrust en gevoelens van onbehagen voor bewoners in de buurt van een dergelijke locatie.

Gelet op de grote hoeveelheden drugs en contant geld die in éen van de slaapkamers zijn aangetroffen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een flinke stashlocatie. Dit beeld wordt versterkt door de aanwezigheid van meerdere wapens in de woonkamer en de in de woonkamer aangetroffen jammer waarmee telefoonverkeer kan worden verstoord. Ook leek men – gezien de grote honden van betrokkene en de aanwezigheid van wapens – voorbereid op ongewenst bezoek. Alles bij elkaar genomen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester er van uit mocht gaan dat er risico’s voor verstoring van de openbare orde bestonden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met sluiting van de woning (nog steeds) een signaal naar de buurt – namelijk de burgemeester treedt op tegen dit soort locaties, dus stel je huis niet ook ter beschikking als stashlocatie – en naar criminelen – er wordt ook opgetreden tegen stashlocaties – wordt afgegeven. Dit doel kan alleen met sluiting van de woning en niet met een lichtere maatregel worden bereikt. Sluiting van de woning is in dit geval een noodzakelijke maatregel.

Evenwichtigheid

12. Als de conclusie is dat de burgemeester zijn beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning voor een bepaalde duur kan bereiken en een woningsluiting dus het aangewezen middel is, betekent dit nog niet dat hij hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet hij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.

Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.

Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken.

Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, dient hij van sluiting af te zien. Afhankelijk van de concrete situatie zou de burgemeester dan nog kunnen kiezen voor een last onder dwangsom of een waarschuwing

13. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid van betrokkene. Hij was niet op de hoogte van de aanwezigheid van drugs in zijn woning. Hij had slechts toestemming gegeven voor de opslag van sigaretten. Eiseres wijst in dit verband ook op de strafzaak, waarin is overwogen dat de bijdrage van betrokkene beperkt is gebleven tot het ter beschikking stellen van zijn woning. Ook wijst eiseres op de financiële situatie van betrokkene en zijn kwetsbaarheid in dit verband. Betrokkene staat onder bewind en leeft onder de armoedegrens. Hij kan met zijn honden niet terecht op een opvanglocatie en zal waarschijnlijk op straat terecht komen. Dit zal zijn toch al niet zo’n goede gezondheid niet ten goede komen. Betrokkene heeft diabetes en rugklachten die maken dat hij slecht kan traplopen en bewegen. Tot slot wijst eisereis er op dat betrokkene ook al strafrechtelijk is vervolgd en bezig met het uitvoeren van de hem opgelegde taakstraf.

Sluiting van de woning is een bestuursrechtelijke herstelmaatregel, gericht op het voorkomen van herhaling van de overtreding dat de woning gebruikt wordt als schakel in de keten van drugshandel. Dit staat los van de strafrechtelijke vervolging van betrokkene en de aan betrokkene opgelegde taakstraf.

Niet in geschil is dat betrokkene zijn woning beschikbaar heeft gesteld voor de opslag van goederen door [naam] . De goederen lagen in een slaapkamer op de bovenverdieping van de woning. Betrokkene kwam in ieder geval twee keer per week op de bovenverdieping van zijn woning en de slaapkamer was niet afgesloten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van betrokkene had gelegen om feitelijk te controleren welke goederen door een derde in zijn woning werden opgeslagen. Dat [naam] een goede bekende was, maakt dit niet anders. Bovendien wist betrokkene ook dat [naam] eerder met justitie in aanraking was geweest vanwege drugsbezit. Betrokkene was naar zijn zeggen verteld dat er sigaretten in zijn woning werden opgeslagen, maar gelet op de achtergrond van [naam] had het op de weg van betrokkene gelegen om te controleren of dit inderdaad het geval was. Hoewel betrokkene [naam] gelet op hun band juist vertrouwde, had het justitiecontact van [naam] toch aanleiding moeten zijn alerter te zijn.

Van geen of verminderde verwijtbaarheid van betrokkene is dan ook geen sprake.

Een bijzondere binding met de woning gelet op de gezondheid van betrokkene is door eiseres niet aannemelijk gemaakt. De bijzondere binding lijkt eerder te maken te hebben met de twee forse honden van betrokkene. Betrokkene heeft aangegeven dat hij niet met zijn honden in een opvanglocatie terecht kan en dat hij onvoldoende financiële middelen heeft om elders voor de duur van de sluiting een woning te huren. Wel kan hij na de sluiting weer gebruik kunnen maken van de woning omdat het een koopwoning betreft.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door eiseres aangevoerde nadelige gevolgen van sluiting van de woning niet tot het oordeel kunnen leiden dat de burgemeester van sluiting moet afzien. Wel is zij van oordeel dat de door de burgemeester benoemde doelen mede gelet op het tijdsverloop ook bereikt kunnen worden met een kortere sluiting dan drie maanden. De drugs zijn aangetroffen bij de doorzoeking van de woning in april 2025 en inmiddels zijn er ruim negen maanden verstreken zijn. Door een kortere sluitingsduur is de kans dat betrokkene ook zijn honden tijdelijk elders kan onderbrengen groter. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een sluiting van de woning voor de duur van één maand evenwichtiger is.

Conclusie en gevolgen

Beslissing

14. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en het primair besluit herroepen voor zover daarin is bepaald dat de woning voor drie maanden wordt gesloten. De voorzieningenrechter voorziet voor wat betreft de sluitingsduur zelf in de zaak en bepaalt dat de woning gesloten zal worden voor de duur van één maand. De woning zal op 23 februari 2026, om 10.00 uur worden gesloten. Gelet op deze beslissing in de hoofdzaak, hoeft in de zaak van de voorlopige voorziening geen uitspraak meer te worden gedaan. De schorsing van het bestreden besluit komt met deze uitspraak in de hoofdzaak van rechtswege te vervallen.

15. Nu het beroep gegrond wordt verklaard en al eerder een voorlopige voorziening is getroffen, dient de burgemeester het aan eiseres betaalde griffierecht voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening te vergoeden. Vanwege de uitkomst van de zaak heeft de proceskostenveroordeling betrekking op het verzoek om voorlopige voorziening, het beroep en het bezwaar. De proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.096,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1 én 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- en wegingsfactor 1).

De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 6 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Opiumwet

Artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a bepaalt – voor zover hier relevant – dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

XTC en cocaïne staan op lijst I

Hennep staat op lijst II

Beleidsnota artikel 13b Opiumwet

Doel van de maatregel

De bestuursdwangmaatregel dient te bewerkstelligen:

het teniet doen gaan van de naamsbekendheid van het lokaal/woning als lokaal/woning waar drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn, de loop naar dat pand te ontnemen, zodat klanten en dealers geen gebruik meer maken van dat pand voor de handel in drugs.

het realiseren dat de geconstateerde overtreding wordt opgevolgd door een reactie van de burgemeester die qua intensiteit zo goed mogelijk aansluit bij de aard en de ernst van de overtreding (proportionaliteit en subsidiariteit);

dat aan betrokken drugscriminelen en aan buurtbewoners een signaal wordt afgegeven dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in de betrokken woning of het betrokken lokaal.

het buiten elke twijfel verheffen dat het pand niet beschikbaar is voor de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs;

de eventuele loop naar de woning of het lokaal eruit te halen.

de eventuele bekendheid van de woning of het lokaal als drugspand te doorbreken;

herhaling van drugshandel, -opslag en/of -handel voorkomen;

8aantasting van het woon- en leefklimaat en het veiligheidsgevoel in de omgeving of het lokaal te herstellen;

de aangifte bereidheid van overtredingen van de Opiumwet te bevorderen.

het doen wederkeren van de rust in de omgeving, het voorkomen van herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde voorkomen, alsmede het voorkomen van een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat.

Woningen

Bij woningen grijpt een sluiting erger in op de persoonlijke levenssfeer van de betrokke(n). De beginselen als ‘recht op ongestoord woongenot’ (artikel 8 EVRM) en ‘huisvredebreuk’ rechtvaardigen een minder vergaande aanpak bij woningen.

Constatering

1e overtreding

2e overtreding (binnen 5 jaar)

3e overtreding (binnen 5 jaar

4e overtreding (binnen 5 jaar)

[..]

Verkoop van dan wel aanwezigheid van meer dan een kleine handelshoeveelheid softdrugs

Sluiting voor een periode van 3 maanden

Sluiting voor een periode van 6 maanden

Sluiting voor een periode van 9 maanden

Sluiting voor een periode van 12 maanden

Verkoop van dan wel aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs

Sluiting voor een periode van 3 maanden

Sluiting voor een periode van 6 maanden

Sluiting voor een periode van 12 maanden

Sluiting voor een periode van 24 maanden

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?