beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/447926 / FA RK 26-2346
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Beschikking over omgang
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
in de hoedanigheid van voogdes van de [minderjarige] ,
hierna: de GI,
gevestigd te Middelburg,
tegen
[de moeder] , hierna: de moeder, en [de vader], hierna: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer in Middelburg,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009, hierna: [minderjarige] .
Als belanghebbenden in deze zaak worden gezien:
Familie [de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 24 april 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
het bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 11 mei 2026;
het bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 5 juni 2026;
het F9-formulier van mr. de Nooijer met bijlagen, ontvangen op 9 juni 2026;
het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026.
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Bij die zitting zijn gekomen een vertegenwoordigster van de GI, alsmede de ouders en hun advocaat. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig van de Raad.
De pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Voor de zitting heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek. Ook heeft [minderjarige] een brief geschreven. De rechter heeft tijdens de zitting samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven en verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Op voornoemde zitting zijn eveneens de vorderingen van de ouders tot nakoming van de omgangsregeling in de zaak met kenmerk C/02/447756 / KG ZA 26-224 behandeld. In die zaak is bij separaat vonnis beslist.
2. De feiten
Bij beschikking van 20 februari 2013 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij de pleegouders.
De GI heeft tussen de ouders en [minderjarige] een omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] eenmaal per zes weken voor de duur van twee uur begeleide omgang heeft met de ouders. Ook was afgesproken dat [minderjarige] eenmaal per kwartaal samen met haar moeder een activiteit mocht ondernemen, zoals winkelen.
3. Het verzoek
De GI verzoekt bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad:
- op grond van artikel 1:377a lid 2 BW de omgangsregeling als volgt vast te stellen, in die zin dat de omgang tussen [minderjarige] en de ouders voorlopig wordt opgeschort en de regie voor opbouw van contact en omgang bij de GI wordt belegd;
- dan wel een regeling zoals in goede justitie vast te stellen.
De ouders zijn het niet eens met het verzoek van de GI en verzoeken dit verzoek af te wijzen.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
Wettelijk kader
Uit artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat een ouder zonder gezag over het kind en/of iemand die een nauwe persoonlijke band met een kind heeft, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van een ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind; of
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind is kennelijk ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind; of
het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij ernstige bezwaren heeft tegen contact met de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind; of
er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Ontvankelijkheid GI
De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of de GI bevoegd is om een vaststelling van een omgangsregeling dan wel een schorsing van de omgangsregeling te verzoeken. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Een gecertificeerde instelling die door de rechter is belast met de voogdij over een minderjarige die niet onder ouderlijk gezag staat, heeft dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere voogden. Een voogd draagt (onder meer) de zorg dat de minderjarige wordt verzorgd en opgevoed. Onder verzorging en opvoeding worden overeenkomstig artikel 1:247, lid 2, BW in verbinding met artikel 1:248 BW mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Tot de zorg en de verantwoordelijkheid van een gecertificeerde instelling voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort dat zij het recht van de betrokken minderjarige op omgang met de niet met het gezag belaste ouder in acht neemt, evenals het recht op en de verplichting tot omgang van die ouder met zijn kind zoals bedoeld in artikel 1:377a BW. Deze verplichtingen rusten op haar in het belang van
het kind en kunnen niet los worden gezien van de verplichting dat belang te dienen. Dat belang kan naar het oordeel van de rechtbank ook meebrengen dat het recht op omgang, al dan niet voor bepaalde tijd, aan een ouder wordt ontzegd. Het artikel 1:377a BW moet dan ook aldus worden uitgelegd dat de daarin aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast te stellen of te wijzigen, dan wel het recht op omgang aan een ouder te ontzeggen, mede aan een gecertificeerde instelling toekomt (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2017 ECLI:NL:HR:2017:943).
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de GI bevoegd is om een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling dan wel een schorsing van de omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige] in te dienen.
Standpunten
[minderjarige] heeft, samengevat, aangegeven dat haar hoofd soms erg vol zit. Ze heeft ook niet veel vriendinnen meer, omdat ze door hen werd gepest en van hen moest stelen. [minderjarige] heeft moeite met nee zeggen. Ze heeft nog wel een paar goede vrienden. Daarnaast vertelt [minderjarige] dat haar pleegouders goed voor haar zorgen en haar helemaal accepteren. [minderjarige] wil voorts geen contact meer met de ouders, omdat zij haar pijn hebben gedaan, negatief praten over de pleegouders en haar niet accepteren. Soms voelt ze zich zo rot dat ze zichzelf pijn doet en zegt dat ze niet meer wil leven. Nu [minderjarige] haar ouders niet meer ziet, ervaart ze meer rust.
De GI voert, samengevat, het navolgende aan. De GI heeft de omgang tussen de ouders en [minderjarige] tijdelijk stopgezet, nu is gebleken dat [minderjarige] – al een langere periode – geen omgang meer met de ouders wenst. [minderjarige] heeft op dit moment ook geen ruimte om de omgang weer op te starten. Het is belangrijk, mede gelet op haar leeftijd, dat met [minderjarige] wordt gesproken over wat voor haar een geschikte stap kan zijn om weer tot contactherstel te komen. [minderjarige] geeft duidelijk aan wat zij belangrijk vindt, namelijk respect, het aanvaarden van haar beperkingen en het zich niet negatief uitlaten over het pleeggezin. Zij heeft echter op dit moment onvoldoende vertrouwen in de ouders. De GI is van mening dat contact met de ouders belangrijk is, maar dit mag niet ten koste gaan van de ontwikkeling van [minderjarige] . Eerder zijn al gesprekken gevoerd met de ouders over de spanningen die [minderjarige] ervaart rondom de omgangsmomenten. De ouders nemen echter niet aan wat de professionals hen proberen te vertellen over wat [minderjarige] nodig heeft. Ook wordt [minderjarige] steeds geconfronteerd met de (negatieve) beeldvorming die de ouders hebben over het pleeggezin. De GI probeert de ouders te informeren over belangrijke zaken rondom [minderjarige] , maar [minderjarige] wil niet dat er informatie over haar met hen wordt gedeeld. Dit maakt dat de GI steeds juridisch moet wikken en wegen. Tot slot licht de GI toe dat er komend jaar nog veel moet worden geregeld, waaronder school, dagbesteding en financiën, nu [minderjarige] volgend jaar achttien jaar wordt. Het is belangrijk dat [minderjarige] de ruimte krijgt om dit proces te doorlopen.
Door en namens de ouders is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het navolgende aangevoerd. De ouders vorderen in kort geding (in de zaak met kenmerk C/02/447756 / KG ZA 26-224) nakoming van de omgangsregeling. De omgangsmomenten met [minderjarige] verliepen immers altijd erg goed. Zij herkennen zich dan ook niet in de zorgen over de ouders die door de GI worden benoemd. De ouders maken zich wel zorgen over de opvoedsituatie van de pleegouders; de plek waar [minderjarige] het grootste gedeelte van haar tijd verblijft. Het is oneerlijk dat de schuld met betrekking tot de regressie in de ontwikkeling van [minderjarige] in de schoenen van de ouders wordt geschoven. Het is daarom belangrijk dat er onderzoek wordt gedaan naar de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de pleegouders. Daarnaast betwisten de ouders dat zij [minderjarige] stiekem een telefoon en een simkaart hebben gegeven. Ook uiten de ouders hun mening over de pleegouders niet tegen [minderjarige] , aangezien de ouders weten dat dit een voorwaarde is voor de doorgang van de bezoekmomenten. Voorts zijn de ouders van mening dat zij te weinig informatie over [minderjarige] krijgen van de GI. De omgang is abrupt – zonder gesprek met de ouders – stopgezet, terwijl een concreet plan van aanpak voor de toekomst ontbreekt. Ook is het niet duidelijk aan welke voorwaarden de ouders zich moeten houden om de omgang te doen hervatten. De ouders zijn na de bezoekmomenten nooit aangesproken door de omgangsbegeleiding, hetgeen maakt dat zij niet de kans hebben gekregen om zich te verbeteren. De ouders hebben recht op (een vorm van) contact met [minderjarige] en willen hun band met haar behouden. Het is tevens belangrijk dat [minderjarige] hulp krijgt. Tot slot staan de ouders open voor gesprekken met de GI, zodat de ouders kunnen worden meegenomen in haar besluitvorming.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad, samengevat, naar voren gebracht dat duidelijk is dat de ouders [minderjarige] erg missen. Aan de andere kant uit [minderjarige] een duidelijke wens om geen contact te hebben met de ouders. Het is een verdrietige situatie. De Raad kan zich vinden in het plan van de GI om de omgang tijdelijk stop te zetten, maar het is belangrijk dat er een concreet plan van aanpak voor de toekomst wordt opgesteld en dat de ouders voortaan (meer) worden meegenomen in de besluitvorming van de GI.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal bepalen dat de ouders en [minderjarige] voorlopig geen omgang met elkaar hebben, waarbij de regie voor opbouw van de omgang bij de GI wordt belegd. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Het is de rechtbank op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling gebleken dat [minderjarige] erg kwetsbaar is. Zo kampt [minderjarige] met autisme, een licht verstandelijke beperking en een zeer beperkte sociaal-emotionele ontwikkeling. Uit een recent (psychologisch) onderzoek is voorts gebleken dat [minderjarige] snel overprikkeld raakt, haar grenzen onvoldoende kan aangeven en zich voortdurend aanpast aan haar omgeving. Daarnaast is gebleken dat [minderjarige] al een langere tijd veel spanningen ervaart rondom de begeleide omgangsmomenten met de ouders. Na een bezoekmoment laat [minderjarige] teruggetrokken en emotioneel gedrag zien en kampt zij met lichamelijke klachten. Zij heeft dan ook een lange hersteltijd nodig. [minderjarige] uit daarbij al een langere tijd de wens om geen contact met de ouders te hebben, hetgeen zij ook heeft gedaan tijdens haar gesprek met de rechter. Het is invoelbaar dat de ouders [minderjarige] ontzettend missen, maar gebleken is dat omgang een zeer grote impact heeft op het gevoel van welbevinden en het dagelijks functioneren van [minderjarige] . De omgangsbegeleiding en het verlagen van de omgangsfrequentie zijn bovendien ook onvoldoende gebleken om de ontwikkeling van [minderjarige] (blijvend) te waarborgen. Daarentegen stelt de rechtbank vast dat [minderjarige] juist meer rust lijkt te ervaren sinds ze geen omgang meer heeft met de ouders. Verder is gebleken dat er de komende periode nog veel moet worden geregeld voor [minderjarige] , waaronder school, dagbesteding en financiën, gelet op de naderende overgang naar volwassenheid. Het is van belang dat [minderjarige] voldoende draagkracht heeft om hiermee om te kunnen gaan. Tegen voornoemde achtergrond vindt de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] om haar nu te dwingen tot contact met de ouders. Wel vindt de rechtbank het belangrijk dat de komende periode inzichtelijk wordt wat de (toekomstige) wens en behoeften van [minderjarige] zijn met betrekking tot de omgang met de ouders, zodat de mogelijkheden voor een (toekomstig) contactherstel kunnen worden onderzocht. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de voorlopig geen omgang zal plaatsvinden tussen de ouders en [minderjarige] , waarbij – door middel van een aanhouding – een vinger aan de pols zal worden gehouden. De rechtbank is, met de Raad en de ouders, van oordeel dat de ouders door de GI de komende periode zoveel als mogelijk moeten worden meegenomen in de verdere besluitvorming, zodat voor de ouders duidelijk is wat het toekomstplan is en wat er van de ouders wordt verwacht. Na verloop van zes maanden zal de huidige stand van zaken alsmede het toekomstplan met alle betrokkenen opnieuw worden besproken.
De rechtbank ziet, anders dan de ouders, geen redenen om te veronderstellen dat de opvoedsituatie bij de pleegouders schadelijk is voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Er is recent een uitgebreid (psychologisch) onderzoek bij [minderjarige] afgenomen, waaruit geen zorgelijke signalen naar voren zijn gekomen over de opvoedsituatie van de pleegouders. Uit het onderzoek blijkt juist dat [minderjarige] het naar haar zin heeft bij de pleegouders en zich veilig voelt. Een nader onderzoek naar de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de pleegouders acht de rechtbank dan ook niet in het belang van [minderjarige] . Het is belangrijk dat [minderjarige] de komende periode rust kan ervaren en toe kan komen aan haar eigen ontwikkelingstaken. Een nieuw onderzoek zal te belastend zijn. Tot slot overweegt de rechtbank dat het is gebleken dat de GI nauw betrokken is en dat, indien zorgelijke signalen in de toekomst zouden ontstaan of naar boven zouden komen, zij tijdig kan ingrijpen.
De rechtbank verzoekt tot slot de GI om de rechtbank, (de advocaat van) de ouders en de Raad middels een briefrapportage nader te informeren op uiterlijk de hieronder vermelde pro forma datum over de recente ontwikkelingen, waaronder het plan van aanpak voor de toekomst en een eventueel plan voor een eventuele opbouw van de omgang tussen [minderjarige] en de ouders, waarin zij tevens aangeeft of zij het verzoek handhaaft, aanvult dan wel intrekt.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen uitgevoerd kan worden.
5. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de ouders en [minderjarige] voorlopig geen omgang met elkaar hebben, waarbij de regie voor (eventuele) opbouw van de omgang bij de GI wordt belegd;
houdt de verdere behandeling van deze zaak aan tot 24 november 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van de briefrapportage van de GI over de stand van zaken op dat moment, zoals overwogen onder rechtsoverweging 4.11;
bepaalt dat [minderjarige] kort voor de (nadere) mondelinge behandeling per aparte brief zal worden uitgenodigd voor een gesprek met de (kinder)rechter, waarbij [minderjarige] zelf mag bepalen of zij of gesprek wil komen of niet;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.