ECLI:NL:RBZWB:2026:7028

ECLI:NL:RBZWB:2026:7028

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 30-06-2026
Datum publicatie 31-07-2026
Zaaknummer C/02/448295 / JE RK 26-860
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448295 / JE RK 26-860

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2024 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. B.P.A. van Beers uit Roosendaal,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,hierna te noemen de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026;

het verweerschrift van de vader, ontvangen op 8 juni 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de Raad;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de Raad

De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De echtscheiding van de ouders verloopt problematisch en de kinderen hebben traumatische ervaringen door het huiselijk geweld tussen de ouders. Zij zijn blootgesteld aan onveilige situaties die voortkomen uit deze conflicten tussen of door de gedragingen van de ouders. Er zijn diverse incidenten geweest tussen de ouders, ook bij de overdracht van de kinderen, waar de kinderen onder hebben geleden. De ouders houden zich niet aan afspraken rondom de omgang. De vader heeft psychische klachten en heeft al meerdere suïcidepogingen gedaan. Hij doet zorgwekkende uitspraken en heeft weinig tot geen ziektebesef. De vader neemt weinig verantwoordelijkheid en legt de oorzaak van problemen buiten zichzelf. De vader heeft van november 2025 tot februari 2026 bewust geen fysiek contact gehad met de kinderen omdat de kinderen zich niet gedroegen op een manier waar de vader achter stond. De vader wilde daarnaast niet meewerken aan “een systeem dat niet paste bij zijn karakter” waarbij hij onder meer doelde op de aanwezigheid van een derde persoon bij de omgang met de kinderen vanwege de onveiligheid bij de vader. Ook bij de moeder zijn er grote zorgen. De moeder wordt overvraagd en reageert daardoor niet altijd adequaat. Het lukt haar niet om een basis te creëren waarop ze verder kan bouwen. De moeder gebruikt dagelijks (soft)drugs, omdat zij hierdoor, naar eigen zeggen, de druk beter aankan. Op 21 februari 2026 is de moeder per ambulance naar het ziekenhuis gebracht, omdat zij dacht een hartaanval te krijgen na het innemen van een onbekende hoeveelheid (hard)drugs. Er werd een sterke wietlucht geroken en de woning was vervuild. De vloer plakte, er lagen vieze luiers op de grond en op het aanrecht lagen oude etensresten en veel sigarettenpeuken. [minderjarige 2] sliep op een matras met zwarte vlekken op de vloer. Zowel Veilig Thuis als het Crisis Interventie Team zijn betrokken geraakt. De kinderen, met name [minderjarige 1] , zijn niet altijd goed verzorgd. [minderjarige 1] vertoont brutaal en zelfbepalend gedrag. Bij [minderjarige 1] is daarnaast sprake van schoolverzuim waardoor de didactische ontwikkeling stagneert. De moeder kan [minderjarige 1] niet altijd motiveren naar school te gaan zodat zij bij pijn in haar buik of moeite met uit bed komen, [minderjarige 1] thuis houdt van school. [minderjarige 2] is een gevoelig kind. Zij mist haar vader en vraagt zich af of hij wel van haar houdt. Door de afwezigheid van de vader en de onvoorspelbaarheid in de omgang, wordt zij onzeker over haar eigenwaarde en de liefde vanuit haar omgeving. Zij ervaart weinig rust of stabiliteit en uit haar emoties vooral in boosheid of verdriet. [minderjarige 3] is nog zeer jong, maar mist door het uitblijven van consequent en structureel contact mogelijk de kans een duurzame band op te bouwen met haar vader.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn drie jonge kinderen die volledig afhankelijk zijn van de zorg van hun ouders, maar die door het huiselijke geweld, de strijd tussen de ouders, de spanning bij de overdracht en de zorgen om het psychisch welbevinden van de vader onrust en onveiligheid ervaren. De invloed van de psychotische klachten van de vader is groot. Er zijn ook recent, eind mei en juni 2026, nog incidenten gemeld over de vader. Er zal moeten worden gekeken naar stabilisatie en veiligheid voor de kinderen zodat vanuit een situatie van veiligheid en rust, op termijn, de begeleide omgang met de vader kan worden uitgebouwd. Daarnaast verdient ook de opvoedsituatie van de moeder, die moeite heeft met alle ballen hoog te houden, aandacht.

Door de aanhoudende zorgen en onderlinge verwijten zitten ouders in een patroon van onderlinge onrust waardoor zij niet in staat zijn onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen. In het vrijwillig kader is hulpverlening ingezet, maar dit heeft niet tot een positief resultaat geleid. Ouders en kinderen zijn door de rechtbank naar het UHA-traject verwezen, maar de gemeente heeft in december 2025 een negatieve terugmelding gedaanDe Raad verwacht dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] weer zelf kunnen dragen.

5. De standpunten van belanghebbenden en de GI

De vader heeft, samengevat, aangegeven dat hij zich buiten spel gezet voelt sinds de scheiding en dat er een negatieve beïnvloeding is van de kinderen. De vader denkt dat het psychologisch onderzoek meer te maken had met controle dan met het welzijn van de kinderen. De vader wil dat de beschuldigingen aan zijn adres worden gecorrigeerd en dat zijn verklaring wordt gehoord en gerespecteerd. Hij wil een onderzoek laten verrichten naar de acute opvoed- en veiligheidsrisico’s naar aanleiding van het incident bij de moeder op 21 februari 2026.

Sinds zijn opname op 12 mei 2026 heeft de vader geen omgang met de kinderen. De eerdere omgang met de kinderen was begeleid in die zin dat zijn partner erbij was. Dit verliep naar wens. Hij wil de kinderen weer op die manier kunnen zien. De vader heeft inmiddels een woning waar hij woont met zijn partner en haar zoontje. De vader begrijpt de zorgen voor de kinderen zoals deze door de Raad zijn besproken, maar hij meent dat hij geen gevaar is voor de kinderen. De vader is van mening dat het verzoek van de Raad moet worden afgewezen.

Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij de problemen zoals deze zijn geschetst door de Raad in het raadsrapport herkent en ook erkent. Zij ziet dat er hulpverlening nodig is voor zowel de ouders als voor de kinderen. De hulpverlening in het vrijwillig kader is niet gelukt. De moeder gaat dan ook akkoord met een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.

Namens de GI is aangegeven dat zij achter het verzoek van de Raad en de gestelde doelen staat. Zij zal, als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, het gezin vanwege de urgentie, niet op een wachtlijst plaatsen maar meteen zorgen voor een vaste jeugdbeschermer en dus een vast aanspreekpunt.

6. De beoordeling

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er grote zorgen zijn over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Er is sprake van een complexe echtscheidingssituatie waarbij sprake was van huiselijk geweld. Er is nog altijd strijd en er zijn nog altijd conflicten tussen de ouders waar de kinderen veel last van hebben.De moeder is overbelast en in de opvoedsituatie bij haar zijn er zorgen over zowel de verzorging als de veiligheid van de kinderen. Voorts zijn er ernstige zorgen over de mentale toestand van de vader. Hij lijkt te kampen met psychotische klachten. De vader heeft meerdere suïcidepogingen gedaan en is op enig moment afscheid gaan nemen van de kinderen. Hoewel hij aangeeft dat er geen zorgen meer over hem hoeven te zijn, zijn er over de vader - ook na zijn opname van twee weken op 12 mei 2026 - nog altijd grote zorgen over zijn psychische gesteldheid en daarmee over de veiligheid van de kinderen. Zoals de Raad ter zitting heeft aangegeven was er op 26 mei 2026 een politiemelding betreffende de vader, deed hij op 29 mei 2026 opnieuw een suïcidepoging en heeft hij op 5 juni 2026 geprobeerd het huis van de moeder binnen te dringen. Daarnaast blijkt uit het verweerschrift dat de vader niet altijd op een begrijpelijke en samenhangende wijze communiceert. De vader legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf en er is nauwelijks sprake van zelfreflectie. De vader reageert wantrouwend naar de kinderen omdat hij meent dat zij door anderen beïnvloed zijn. De zelfmoordpogingen en zijn ideeën hierover, zoals dat God hem heeft uitgekozen en dat hij zou sterven met een glimlach, wetend dat hij zou terugkeren als een goddelijke geest om wraak te nemen voor de pijn die betrokken partijen zijn kinderen en nieuwe relatie hebben aangedaan, acht de kinderrechter zeer zorgelijk. Met de Raad acht de kinderrechter het van belang dat de kinderen een goede band met de vader kunnen opbouwen, maar de veiligheid van de kinderen staat daarbij voorop. Gezien het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.

Deze ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Er is eerder in het vrijwillig kader een UHA-hulpverleningstraject opgestart. Dit traject is echter negatief retour gemeld. Het lukt de ouders niet om constructief met elkaar te communiceren en als ouders met elkaar samen te werken in het belang van hun kinderen. Het patroon van onrust en onveiligheid moet worden doorbroken en er moet kunnen worden doorgepakt op de inzet van hulpverlening. Hiervoor is een gedwongen kader noodzakelijk.

Naar het oordeel van de kinderrechter wordt voldaan aan de in artikel 1:255, eerste lid, BW genoemde criteria. Het verzoek van de Raad zal daarom worden toegewezen voor de duur van een jaar. De kinderrechter is van oordeel dat dit een passende termijn is, gelet op de tijd die nodig is om te werken aan stabilisatie, het contact tussen de vader en de kinderen en het inzetten van diverse hulpverlening. Ook moet er zicht komen op beide opvoedsituaties.

Binnen de ondertoezichtstelling moet aan de volgende doelen gewerkt worden:

 [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] verkeren in een veilige, schone opvoedomgeving en

hebben ten alle tijden een emotioneel beschikbare ouder. Zij krijgen de

verzorging en begrenzing passend voor hun leeftijd van een ouder die niet

onder invloed is van middelen;

 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen hun emoties en gedachtes delen met een

(spel)therapeut; zo kan [minderjarige 1] leren om te gaan met haar boosheid en beter

begrijpen waar dit vandaan komt. [minderjarige 2] zal hierbij kunnen leren haar emoties

beter te begrijpen en ondersteuning kunnen krijgen in hoe ze met haar

emoties kan omgaan/ze uiten;

 [minderjarige 1] gaat naar school; zij heeft hierbij ondersteuning van moeder die haar

hierin motiveert;

 De kinderen worden niet belast met de problemen van ouders onderling en de

problemen van ouders individueel;

 De kinderen hebben een veilig duurzaam begeleid contact met hun vader.

De beslissing zal van rechtswege aangetekend worden in het gezagsregister.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant Etten-Leur met ingang van 30 juni 2026 tot 30 juni 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Joosen als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand