beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/441395 / FA RK 25-5573
datum uitspraak: 30 juni 2026
beschikking over gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. R. Wouters in Middelburg,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. M. Kalle in Middelburg.
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna: [minderjarige] .
Informant in deze procedure is:
de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Middelburg,
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 23 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Wouters van 11 november 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Wouters van 26 mei 2026.
Op 2 juni 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling in de zaak met kenmerk C/02/447271 / JE RK 26-669, tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist.
Verschenen en gehoord zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
De man heeft [minderjarige] erkend.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
Partijen zijn na de beëindiging van hun relatie een ouderschapsplan overeengekomen (door partijen op 7 juni 2024 ondertekend) waarbij zij, voor zover hier van belang, zijn overeengekomen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw. Verder zijn partijen een zorgregeling overeengekomen waarbij [minderjarige] iedere week één doordeweeks dagdeel (zonder overnachting), een weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties bij de man verblijft.
Bij beschikking van 23 mei 2025 is het ouderschapsplan voor wat betreft de zorgregeling en de kinderbijdrage gewijzigd. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, bepaald dat er in het kader van de zorgregeling contact zal zijn tussen de man en [minderjarige] op een door de GI nader te bepalen wijze, frequentie en duur.
Bij beschikking van de kinderrechter van 27 september 2024 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 27 september 2024 en tot 27 december 2024. Bij beschikking van de kinderrechter van 16 december 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 16 december 2024 en tot 16 juni 2025. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 2 juni 2026 tot 16 juni 2027.
3. Het verzoek en de standpunten
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022 wordt gewijzigd en te bepalen dat de vrouw voortaan het eenhoofdig gezag heeft over de minderjarige.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen of de beslissing op het verzoek aan te houden.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
De vrouw brengt ter onderbouwing van haar verzoek naar voren dat er zorgen zijn over het welzijn van de man, nu bij de man vermoedelijk sprake is van autismespectrumstoornis, hij tenminste één psychose heeft gehad en door zijn behandelaren is ingeschat dat de man nu en in de toekomst begeleiding nodig zal hebben om voor zichzelf te zorgen. Daar komt bij dat de vrouw feitelijk de enige is die betrokken is bij [minderjarige] . De man ziet [minderjarige] onder begeleiding en komt de contactmomenten geregeld niet na, terwijl hij eerder heeft toegezegd zich te gaan inspannen voor contact met [minderjarige] . Doordat de man [minderjarige] weinig ziet, is hij onvoldoende geïnformeerd over het leven van [minderjarige] om beslissingen te kunnen nemen die in zijn belang zijn. Hij heeft immers geen zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] en weet niet wat er in zijn hoofd om gaat. Daarnaast is het vrijwel niet mogelijk voor de vrouw om met de man in contact te komen. Zo neemt de man geregeld zijn telefoon niet op en reageert hij niet (tijdig) op e-mailberichten. Als de vrouw een handtekening nodig heeft voor de zorg van [minderjarige] , zet de man deze niet. Zo wil de vrouw regelmatig met [minderjarige] naar België, maar de man geeft hiervoor niet de benodigde toestemming. De man stelt eisen aan zijn toestemming en dit zorgt voor escalatie en ruzie tussen partijen. Gelet op hetgeen in het verleden is gebeurd, ziet de vrouw geen mogelijkheden voor verbetering in het contact met de man. De vrouw acht het in het belang van [minderjarige] dat hij niet langer op enige wijze afhankelijk is van de man, ook omdat de verwachting is dat naarmate [minderjarige] ouder wordt er steeds meer keuzes gemaakt zullen moeten worden waarvoor een betrokken ouder met gezag nodig is. Het is belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt. Daarom acht de vrouw het van belang dat zij met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast.
Door en namens de man is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen of de beslissing op het verzoek aan te houden, zodat kan worden bezien hoe de situatie zich in de komende periode ontwikkelt. Het gaat namelijk beter met de man en hij heeft de mogelijkheid om [minderjarige] te zien. Hij wil graag betrokken zijn in het leven van [minderjarige] en daar waar mogelijk overleggen met de vrouw. De man is van mening dat hij in staat is het gezag over [minderjarige] uit te oefenen en dat hij met de vrouw kan communiceren en samenwerken, indien nodig met behulp van de jeugdbeschermer. Hij wil graag werken aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie. Hiervoor is nog geen hulpverlening ingezet. De man zal bereikbaar zijn voor de vrouw en reageren op haar berichten. Daar staat tegenover dat het voor de man belangrijk is dat hij de vrouw kan bereiken en vragen kan stellen over [minderjarige] . De man misbruikt zijn gezag niet. Het klopt dat de man zijn toestemming niet heeft verleend voor reizen naar België, maar dit komt enerzijds doordat het de man tweemaal niet is gelukt om het benodigde formulier in te vullen en anderzijds doordat de man daarna heeft begrepen dat het steeds opnieuw toestemming geven voor korte reizen naar België niet nodig zou zijn. De man wil de vrouw bezoek aan het buitenland niet ontzeggen en nu hij weet dat zijn toestemming daarvoor noodzakelijk is, zal hij daar aan meewerken. Ook voor andere zaken ten aanzien van [minderjarige] zal de man zijn toestemming geven. De man realiseert zich dat hij niet op de hoogte is van bepaalde zaken ten aanzien van [minderjarige] , maar is van mening dat de vrouw daarin ook een rol speelt en informatie aan de man zou kunnen doorgeven. De man wil in de komende periode graag laten zien dat hij in het belang van [minderjarige] de contactmomenten nakomt, kan overleggen met de vrouw en gezagsbeslissingen kan nemen.
De Raad twijfelt wat het meest in het belang van [minderjarige] is in de huidige situatie. Aan de ene kant is het contact tussen de man en [minderjarige] namelijk zeer gering en moet nog blijken in hoeverre het de man lukt om het maandelijkse begeleide contactmoment na te komen. Daardoor is het ook de vraag in hoeverre de man zicht heeft op [minderjarige] om goede beslissingen over hem te nemen. Daar komt bij dat de man verschillende keren niet goed bereikbaar is geweest voor de vrouw en er zorgen zijn over de samenwerking en communicatie tussen partijen, waardoor betwijfeld kan worden of partijen in de toekomst in staat zijn samen beslissingen te nemen over [minderjarige] . Daarnaast ziet de Raad geen signalen dat de vrouw het belang van contact tussen [minderjarige] en de man niet inziet, waardoor toewijzing van het verzoek er waarschijnlijk niet toe zal leiden dat het contact tussen de man en [minderjarige] wordt verbroken. Aan de andere kant lijkt de man gezagsbeslissingen niet actief te frustreren, heeft hij toestemming gegeven voor de inschrijving voor de basisschool en is hij goed bereikbaar voor de GI. Hoewel de Raad geen signalen ziet dat de vrouw het belang van het contact tussen de man en [minderjarige] niet ziet, is dit wel kwetsbaar gelet op de onderlinge verhoudingen tussen partijen. Bovendien vraagt de Raad zich af wat toewijzing van het verzoek zal betekenen voor het contact tussen de man en [minderjarige] . [minderjarige] heeft behoefte aan contact met de man en het zou niet in zijn belang zijn als toewijzing van het verzoek ertoe zou leiden dat [minderjarige] het contact met de man verliest. Dit alles overwegende, adviseert de Raad de beslissing op het verzoek aan te houden voor de duur van negen of twaalf maanden. Op die manier kan duidelijk worden hoe het contact tussen [minderjarige] en de man verloopt, of de man daarin verbetering laat zien en in hoeverre hij zijn taak als gezaghebbende ouder invult.
De GI brengt naar voren dat enerzijds niet wordt gezien dat de man zijn gezag misbruikt of niet uitvoert. Anderzijds ziet de GI dat het verlenen van toestemming en het regelen van bepaalde zaken voor [minderjarige] soms wordt vertraagd omdat de man niet goed bereikbaar is of bepaalde zaken mis gaan aan de zijde van man. Daar komt bij dat eenhoofdig gezag van de vrouw naar verwachting rust zal creëren. De situatie tussen partijen is namelijk erg explosief en omdat op dit moment sprake is van gezamenlijk gezag, is onderlinge oudercommunicatie noodzakelijk. Er wordt op dit moment binnen de ondertoezichtstelling niet gewerkt aan het verbeteren van de oudercommunicatie omdat de focus ligt op het contact tussen de man en [minderjarige] . Bovendien betwijfelt de GI of de onderlinge communicatie tussen partijen zal verbeteren middels de inzet van hulpverlening.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n juncto artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het is de rechtbank gebleken dat daarvan sprake is nu het partijen al enige tijd niet meer lukt om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van [minderjarige] . Ook loopt het contact tussen [minderjarige] en de man al langere tijd wisselend en is er in de afgelopen periode een aantal maanden in het geheel geen contact geweest tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank is daardoor van oordeel dat de omstandigheden dermate zijn gewijzigd dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat de man in de afgelopen periode wisselend betrokken is geweest in het leven van [minderjarige] . Het is de man niet gelukt om de zorgregeling met [minderjarige] consequent na te komen en hij heeft meerdere begeleide contactmomenten afgezegd, naar eigen zeggen omdat hij niet de financiële middelen had om naar [plaats 3] af te reizen. Ook na een gesprek met de GI in februari 2026, waarin de man heeft toegezegd dat hij zich zou gaan inspannen om de zorgregeling na te komen, is dit niet gelukt. Dit heeft ertoe geleid dat de GI in maart 2026 heeft besloten de zorgregeling te beperken tot één begeleid contactmoment per maand. De rechtbank constateert dat het uitblijven van structureel contact tussen de man en [minderjarige] niet in het belang is van [minderjarige] , alsook dat de man hierdoor op dit moment geen goed zicht heeft op de ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de samenwerking en het onderlinge contact tussen partijen niet goed verloopt. Er is sprake van onderling wantrouwen en de communicatie tussen partijen verloopt moeizaam, waarbij door de GI is toegelicht dat de verwachting niet is dat de inzet van hulpverlening op dit gebied tot verbetering zal leiden. Voorts is gebleken dat de man in de afgelopen periode niet de benodigde toestemming heeft gegeven voor reizen naar het buitenland, eisen heeft gesteld aan zijn toestemming of niet tijdig heeft gereageerd op berichten van de vrouw. Tegelijkertijd is tijdens de mondelinge behandeling door en namens de man toegelicht dat het inmiddels beter met hem gaat en dat hij in staat is om de begeleide contactmomenten met [minderjarige] na te komen. De man heeft verklaard dat hij wil laten zien dat hij is veranderd en graag betrokken wil zijn in het leven van [minderjarige] , waarbij hij heeft toegezegd dat hij zich daarvoor wil inspannen. Ook wil de man zijn best gaan doen om de onderlinge communicatie met de vrouw te verbeteren en heeft hij toegezegd dat hij in het vervolg de benodigde toestemming zal geven voor reizen naar België en andere zaken die [minderjarige] aangaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank – met de Raad – van oordeel dat het verloop van de zorgregeling en de opstelling van de man nu eerst moet worden afgewacht voordat een beslissing kan worden genomen op het voorliggende verzoek. Op die manier kan duidelijk worden hoe de situatie zich in de komende periode ontwikkelt, of het de man lukt om de zorgregeling met [minderjarige] structureel na te komen en in hoeverre hij zijn taak als gezaghebbende ouder invult. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat, naar inschatting van de rechtbank, een eindbeslissing in deze procedure op dit moment niet zodanig veel rust zal geven dat de zorgen over [minderjarige] zullen worden weggenomen. De rechtbank overweegt dat het in de komende periode aan de man is om concrete stappen te zetten en te laten zien dat hij beslissingen kan nemen in het belang van [minderjarige] . Het is daarbij van belang dat de man laat zien dat hij de zorgregeling met [minderjarige] consequent nakomt, dat hij tijdig reageert op verzoeken van de vrouw en dat hij zijn toestemming zal verlenen voor reizen naar het buitenland en voor andere zaken die [minderjarige] aangaan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beslissing op het verzoek aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling, de zorgregeling en de onderlinge oudercommunicatie. De rechtbank verzoekt de GI om uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum via een briefrapport de rechtbank, advocaten van partijen en de Raad te voorzien van informatie over het verloop van de ondertoezichtstelling, het verloop van de zorgregeling en de actuele stand van zaken. De advocaten van partijen wordt verzocht om uiterlijk op de hierna te nomen pro forma datum te berichten over de actuele stand van zaken en het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure kenbaar te maken.
5. De beslissing
De rechtbank
houdt de beslissing op het verzoek aan tot dinsdag 30 maart 2027 PRO FORMA, in afwachting van de briefrapportage van de GI en het bericht van de advocaten van partijen;
houdt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.