ECLI:NL:RBZWB:2026:7032

ECLI:NL:RBZWB:2026:7032

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 30-06-2026
Datum publicatie 31-07-2026
Zaaknummer C/02/447867 / KG ZA 26-230
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Kort geding. Verstek. Raadsonderzoek naar omgang en informatieregeling. Vorderingen man in afwijking van advies Raad toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

vonnis

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/447867 / KG ZA 26-230

Vonnis in kort geding van 30 juni 2026

in de zaak van

[de man] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

eiser,

advocaat: mr. T. van Riel te Breda,

tegen

[de vrouw] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

gedaagde.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de zitting op 16 juni 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij waren aanwezig de man, die telefonisch is gehoord, en zijn advocaat. Daarnaast is een vertegenwoordigster van de Raad verschenen.

De voorzieningenrechter heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening over de vorderingen te geven. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik van gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige minderjarigen zijn geboren:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017, hierna: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019, hierna: [minderjarige 2] .

De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.

De vrouw heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben onder toezicht gestaan in de periode van 27 september 2019 tot 27 december 2019 en van 24 december 2019 tot 24 juni 2021.

Bij beschikking van deze rechtbank van 26 februari 2024 heeft de rechtbank, voor het laatst, bepaald dat de man en de minderjarigen in het kader van de omgang gerechtigd zijn tot twee beeldbelcontacten per week, te weten op woensdag om 18:00 uur en op zaterdag om 16:00 uur.

3. De vorderingen

De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

De vrouw te bevelen met onmiddellijke ingang één keer per maand gedetailleerde informatie over het welzijn van de minderjarigen hem te verstrekken, althans een zodanige regeling met betrekking tot de informatievoorziening te bepalen als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

De vrouw te bevelen met onmiddellijke ingang medewerking te verlenen aan omgang en contact tussen de minderjarigen en hem, inhoudende:

- Eén keer per 4 weken van vrijdag(middag) na school tot zondag 18 uur, waarbij partijen het halen en brengen op vrijdag en zondag bij helfte verdelen met dien verstande dat de overdracht zal plaatsvinden op c.q. bij [station] ;

- tenminste twee keer per week (op woensdagmiddag en zondagmiddag om 16:00 uur) belcontact en/of contact via een videoverbinding tussen de minderjarigen en de man;

- althans een zodanige regeling met betrekking tot de omgang en het contact te bepalen als de voorzieningenrechter vermeent te behoren.

Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.

Partijen hebben ten tijde van de verbreking van hun relatie geen (schriftelijke) afspraken over de minderjarigen gemaakt. De vrouw is met de minderjarigen verhuisd naar [plaats] . Tussen partijen is eerder een procedure gevoerd over onder meer de omgang tussen de man en de minderjarigen. De rechtbank heeft bij beschikking van 26 februari 2024 enkel belcontacten tussen de man en de minderjarigen vastgelegd. Na de uitspraak van de rechtbank hebben partijen in onderling overleg afgesproken dat er fysieke omgang tussen de man en de minderjarigen kon plaatsvinden. Tot negen maanden geleden zag de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan ook regelmatig. Vanaf de zomer 2024 verbleven de minderjarigen regelmatig een weekend bij de man. In juli 2025 spendeerden zij ook een vakantie met de man. De contacten verliepen best goed. Eind van de zomer van 2025 heeft de vrouw de omgang tussen de man en de minderjarigen abrupt beëindigd. De minderjarigen hadden opmerkingen gemaakt over de veiligheid bij de vrouw en haar partner. De man heeft de minderjarigen toen tijdelijk bij hem laten verblijven. Uiteindelijk zijn de minderjarigen na bemiddeling van de toenmalige advocaat van de vrouw weer teruggekeerd naar de vrouw, maar sindsdien zijn de contacten tussen de man en de minderjarigen door de vrouw gestopt. De man heeft de minderjarigen inmiddels al ruim negen maanden niet meer fysiek gezien. Hij heeft herhaaldelijk gevraagd aan de vrouw om de contacten te hervatten, maar de vrouw houdt dit af. De man mist zijn kinderen en de kinderen hem. Het telefonische contact van de man met de minderjarigen verloopt stroef en vindt onvoldoende plaats. Daarnaast deelt de vrouw geen informatie over de minderjarigen met de man. Het contact verloopt enkel via de partner van de vrouw en is beperkt. Het langdurig onthouden van contact tussen de minderjarigen en de man is schadelijk voor de minderjarigen. De man is zich bewust van zijn verantwoordelijkheid en de eerdere zorgpunten en werkt hier actief aan. Het gaat inmiddels beter met hem. De man volgt structureel (met succes) agressie- en emotieregulatie therapie en staat open voor verdere begeleiding waar nodig. De man heeft zijn therapie op onderdelen afgerond. De begeleiding ziet nu vooral nog op het gezin van de man. De man en zijn partner ontvangen al tweeënhalf jaar psycho-educatie. De man heeft bovendien al eerder voorgesteld om op advies van [jeugdzorginstelling] samen met de vrouw een samen-verder traject op te starten. De man vindt het belangrijk dat er duidelijke omgangsafspraken en afspraken over de informatieregeling worden gemaakt. Hij is voornemens op korte termijn een bodemprocedure aanhangig te maken.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de man.

4. De beoordeling

Verstek

Bij aanvang van de zitting heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat de vrouw niet is verschenen. Nadat de voorzieningenrechter tijdens de zitting heeft vastgesteld dat ten aanzien van de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is ter zitting tegen de vrouw verstek verleend.

Spoedeisend belang

Op grond van de gedingstukken en de toelichting tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vorderingen vast. Dit spoedeisend belang vloeit voort uit het feit dat de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels ruim negen maanden niet meer fysiek heeft gezien en de vrouw niet wenst mee te werken aan her hervatten van het omgangscontact tussen de man en de kinderen. De voorzieningenrechter zal voormelde vorderingen daarom hierna inhoudelijk beoordelen en vervolgens daarop beslissen

Het advies van de Raad

Namens de Raad is tijdens de zitting van 16 juni 2026 aangegeven dat hij onvoldoende zicht heeft op de situatie en wat daarin het beste voor de minderjarigen is. Er is op dit moment slechts één kant van het verhaal bekend. De Raad vindt een onderzoek aangewezen, zodat een volledig beeld van de situatie kan worden verkregen. Voor nu adviseert de Raad om de vorderingen van de man af te wijzen.

Beslissing vorderingen man

De voorzieningenrechter zal, anders dan de Raad heeft geadviseerd, de vorderingen van de man toewijzen. Hij zal hierna toelichten waarom hij tot deze beslissing is gekomen.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting van 16 juni 2026 blijkt dat er in het verleden grote zorgen zijn geweest over de opvoedvaardigheden en de (on)mogelijkheden van de man om aan te sluiten bij de behoeftes en belangen van de minderjarigen. De man was bovendien langere tijd niet gemotiveerd voor hulpverlening en daarnaast waren er zorgen over mogelijk (nieuwe) criminele activiteiten van de man. De rechtbank heeft bij beschikking van 26 februari 2024 het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling met de minderjarigen daarom afgewezen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de situatie van de man inmiddels lijkt te zijn verbeterd. Inmiddels heeft de man, zo is onweersproken gebleven, op het gebied van hulpverlening de nodige stappen gezet. Hij heeft een agressie- en emotieregulatietraining op onderdelen afgerond en daarnaast ontvangen de man en zijn partner al tweeënhalf jaar op vrijwillige basis hulpverlening in de vorm van begeleiding in het gezin, waarbij onder andere gebruik wordt gemaakt van psycho-educatie. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat partijen na de beschikking van de rechtbank van 26 februari 2024 zelf in onderling overleg met onbegeleide omgangscontacten tussen de man en de minderjarigen zijn gestart. Onweersproken is gebleven dat de minderjarigen in die periode regelmatig een weekend bij de man verbleven en daarnaast een vakantie bij hem doorbrachten. De contacten liepen volgens de man goed, totdat er aan het eind van de zomer van 2025 onenigheid tussen partijen is ontstaan en de fysieke contacten tussen de man en de minderjarigen door de vrouw abrupt zijn gestopt. Sindsdien heeft de man nog wel belcontacten met de minderjarigen, maar deze verlopen moeizaam en gaan niet altijd door. Gelet op het vorenstaande en nu er (vrijwillige) begeleiding in het gezin van de man betrokken is die met de man kan meekijken en die bovendien – zo is niet weersproken – achter (onbegeleide) omgang tussen de man en minderjarigen stond en nog steeds staat, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omgangscontacten die partijen waren overeengekomen dienen te worden hervat. De vordering van de man zal daarom worden toegewezen en de vrouw zal worden bevolen om met onmiddellijke ingang medewerking te verlenen aan de door de man gevorderde omgangsregeling, waaronder ook begrepen de belcontacten tussen de man en de minderjarigen.

Ten aanzien van de informatieregeling overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting is gebleken dat de vrouw geen informatie over de minderjarigen met de man deelt.

Gelet daarop en nu de vordering van de man niet is weersproken, zal de voorzieningenrechter deze vordering als op de wet gegrond toewijzen en daartoe de vrouw veroordelen om de man één keer per maand per e-mail of whatsapp te informeren over belangrijke gebeurtenissen rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij informatie wordt gegeven over hun schoolprestaties, gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten, waarbij ook een foto van de kinderen wordt meegestuurd.

Raadsonderzoek

De voorzieningenrechter zal daarnaast, zoals ter zitting van 16 juni 2026 al is aangegeven, de Raad vragen om een onderzoek in te stellen naar de omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen en de informatieregeling, zodat ten behoeve van de nog door de man op te starten bodemprocedure een beter beeld kan worden verkregen over welke omgangsregeling en informatieregeling in het belang van de minderjarigen zijn. De Raad zal worden verzocht om in de nog aanhangig te maken bodemprocedure rapport en advies uit te brengen, waarbij de volgende vragen worden beantwoord:

- Welke omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen past het beste bij de belangen van de minderjarigen?

- Hoe moet die regeling eruit gaan zien?

- Zijn er contra-indicaties voor (uitbreiding van de) omgang en zo ja, welke?

- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

- welke informatieregeling is in het belang van de minderjarigen?

- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat (de advocaat van) de man binnen twee weken na dit vonnis een bodemprocedure zal starten. Bij het aanhangig maken van die bodemzaak dient hij melding te maken van het onderzoek van de Raad.

Na ontvangst van het rapport en advies van de Raad in de bodemprocedure, zullen beide partijen in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren.

Proceskosten

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel in familiezaken dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Hij zal daarom de vordering van de man afwijzen en, gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, de proceskosten tussen hen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

beveelt de vrouw om met onmiddellijke ingang medewerking te verlenen aan omgang en contact tussen de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019, en de man, inhoudende:

- één keer per 4 weken van vrijdag(middag) na school tot zondag 18 uur, waarbij partijen het halen en brengen op vrijdag en zondag bij helfte verdelen, met dien verstande dat de overdracht zal plaatsvinden op c.q. bij [station] ;

- tenminste twee keer per week (op woensdagmiddag en zondagmiddag om 16:00 uur) belcontact en/of contact via een videoverbinding tussen de minderjarigen en de man;

beveelt de vrouw om de man één keer per maand per e-mail of whatsapp te informeren over belangrijke gebeurtenissen rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij informatie wordt gegeven over hun schoolprestaties, gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten, waarbij ook een foto van de kinderen wordt meegestuurd;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, om ten behoeve van en vooruitlopend op de door de man binnen twee weken na heden aanhangig te maken bodemprocedure een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen, welk rapport uiterlijk op 19 januari 2027 dient te worden ingebracht in de aanhangig te maken bodemprocedure;

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Lavrijssen, griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Lavrijssen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand