ECLI:NL:RBZWB:2026:7033

ECLI:NL:RBZWB:2026:7033

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 30-06-2026
Datum publicatie 31-07-2026
Zaaknummer C/02/447920 / JE RK 26-792
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Opheffing ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447920 / JE RK 26-792

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. T. Möller te Tilburg,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .

Voor het inwinnen van advies is in de procedure betrokken:

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda,

hierna te noemen de Raad.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 mei 2026;

het op 26 juni 2026 van de advocaat van de moeder ontvangen verweerschrift, met producties;

de op 29 juni 2026 van [minderjarige] ontvangen e-mailberichten.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met mr. J.J.A. van Roessel, waarnemend advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- een vertegenwoordigster van de GI.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De rechtbank heeft de moeder gevraagd hoe [minderjarige] aangeduid wil worden en zal – conform haar antwoord - hierna “zij” en “haar” gebruiken.

De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening ofwel mondeling tijdens een kind gesprek ofwel schriftelijk kenbaar te maken. [minderjarige] heeft per e-mail aan de rechtbank van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij haar moeder.

[minderjarige] is sinds 14 april 2023 onder toezicht gesteld. De kinderrechter in deze rechtbank heeft laatstelijk bij beschikking van 6 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 oktober 2026.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de GI

De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - het navolgende aangevoerd.

Een voortzetting van de ondertoezichtstelling wordt, hoewel nog wel van een ernstige ontwikkelingsbedreiging kan worden gesproken, niet meer doelmatig geacht. Individuele hulpverlening voor [minderjarige] bij de Gezinsmanager, met instemming van beide ouders, loopt inmiddels. Een verdere verandering in de situatie ligt niet in de lijn der verwachting.

In de beschikking van 6 oktober 2025 is opgenomen dat de doelen van de ondertoezichtstelling globaal zien op de opbouw en continuering van het contact tussen [minderjarige] en de vader en tussen [minderjarige] en (broer) [de broer] , op het bieden van duidelijkheid aan [minderjarige] waarom terughoudend wordt omgegaan met het opbouwen van dat contact, op het (kunnen) bieden van emotionele toestemming door de ouders aan [minderjarige] (en [de broer] ) om het fijn te mogen hebben bij de andere ouder en op de voortzetting van individuele hulpverlening. De kinderrechter heeft hier destijds aan toegevoegd: “Specifiek voor [minderjarige] acht de kinderrechter het van belang dat hij daarin door middel van therapeutische hulpverlening wordt ondersteund c.q. geholpen en dat die hulpverlening geen stagnatie oploopt omdat ouders het daarover (alsnog) niet eens worden, zoals in het verleden vaker het geval is geweest. Dat [minderjarige] de therapeutische hulpverlening zal krijgen die hij nodig heeft is temeer nodig om ervoor te zorgen dat er meer stabiliteit en duidelijkheid en daarmee rust in zijn leven zal komen.”

In navolging hierop is [minderjarige] in november 2025 gestart met therapie bij de Gezinsmanager. Er wordt tijdens de therapie gewerkt aan de volgende doelen:

- [minderjarige] ontvangt psycho-educatie over (levend) verlies en informatieverwerking

vanuit haar autisme;

- [minderjarige] heeft meer inzicht in haar emoties en handvatten om hiermee om te gaan;

- [minderjarige] (h)erkent de emoties rondom het gedeeltelijke contactverlies met vader en

[de broer] en kan dit hanteren;

- De identiteitsontwikkeling van [minderjarige] is versterkt.

Er heeft in maart 2026 een terugkoppeling plaats gevonden vanuit de Gezinsmanager. Daaruit is gebleken dat [minderjarige] haar emoties kan rangschikken van meest overweldigend naar meest veilig/neutraal en zij heeft gewerkt aan emotieregulatie rondom angst, verdriet, schuldgevoelens, frustratie en controle verlies. Verder is er een start gemaakt in het verkennen en erkennen van het identiteitsbeeld van [minderjarige] . Met betrekking tot de identiteitsontwikkeling wordt gezien en ook door [minderjarige] zelf bevestigd dat zij zoekende is in wie zij is. De moeder laat zien dat zij in staat is om haar hulpvraag te stellen en zij toont een zekere mate van veranderingsbereidheid. Haar zijn handvatten aangereikt ten aanzien van de interactie met [minderjarige] , meer specifiek voor situaties waarin zij controleverlies ervaart. Tevens geeft de therapeut aan dat [minderjarige] het behandelingsproces goed is gestart en dat van een goede hulpverleningsrelatie sprake is. Ook staan de beide ouders open voor de voortgangs-gesprekken en achter een voortzetting van de therapie van [minderjarige] bij de Gezinsmanager en lukt het hen om de gegeven adviezen op te volgen. Wel blijft tussen de ouders sprake van een verschil in visie over waar de focus van de therapie dient te liggen, te weten volgens de vader op de thuissituatie van de moeder en de identiteitsontwikkeling en volgens de moeder op de genderidentiteit en het verwerken van de situatie aangaande het contact tussen [minderjarige] en de vader en haar broertje. Verder tonen beide ouders zich betrokken bij de schoolgang van [minderjarige] . De communicatie tussen de ouders en de informatieverstrekking verloopt nog steeds niet adequaat en wederkerig. Ook uiten zij nog steeds kritiek op elkaars opvoed-situaties en verschillen zij nog op meerdere punten van visie, waaronder over de aanmelding van [minderjarige] bij de Opgroeipraktijk. De GI staat achter dit traject en zij had om die reden een verzoek willen indienen tot het verlenen van toestemming daarvoor, ter vervanging van die van de vader. Echter, haar is gebleken dat namens de moeder er al een gelijkluidend verzoek bij de rechtbank aanhangig is gemaakt.

Het contact tussen [minderjarige] en de vader en tussen [minderjarige] en haar [de broer] blijft stroef verlopen. Ook worden er volgens [minderjarige] meerdere contactafspraken door de vader afgezegd, wat voor haar teleurstellend is en haar verdrietig maakt. De GI benadrukt op dit punt dat op het gebied van contact met [de broer] en de vader – al eerder – het hoogst haalbare is bereikt. Vader weigert (meer) contact met [minderjarige] ; hij denkt dat [minderjarige] niet meer aankan. De GI deelt dit standpunt van vader niet, maar een verandering in dat standpunt is – ondanks dat dit meermaals is besproken – niet te verwachten. De Gezinsmanager helpt [minderjarige] nu met deze verdrietige situatie omgaan.

De GI vindt het belangrijk om te vermelden dat de behandeling van [minderjarige] bij de Gezinsmanager goed loopt en dat de stagnatie in de hulpverlening (slechts) ziet op de opgroeipraktijk en dus liggen op de begeleiding rondom genderidentiteit.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat – mocht de ondertoezichtstelling niet worden beëindigd, maar t.z.t. de uitvoering aan een andere gecertificeerde instelling worden overgedragen – dit het traject en de mogelijkheden naar alle waarschijnlijkheid niet zullen veranderen. Een andere jeugdbeschermer van dezelfde GI is geen optie. In reactie op hetgeen is opgemerkt tijdens de mondelinge behandeling onderstreept de GI nog dat beide ouders pas vinden dat de GI regie pakt, op het moment dat hún standpunt wordt gevolgd.

5. Het standpunt van de moeder

Namens de moeder is - samengevat - aangevoerd dat zij zich kan verenigen met een opheffing van de ondertoezichtstelling, omdat zij de meerwaarde hiervan niet inziet.

Zij heeft echter benadrukt dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging nog onverminderd aanwezig is en dat deze zelfs groter is geworden sinds de aanvang van de maatregel van ondertoezichtstelling.

De GI heeft nooit de regie gepakt bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De moeder had, gezien het gedwongen kader, meer verwacht in de houding van de GI naar de vader toe, op momenten dat de vader het contact met [minderjarige] afwees. Op dit moment verblijven de twee kinderen niet meer op hetzelfde adres en hebben zij geen contact met elkaar. [de broer] heeft daarbij geen contact met zijn moeder en [minderjarige] niet meer met zijn vader. De vader heeft kenbaar gemaakt dat in het contact met [minderjarige] twee keer zes uren per maand voor hem het hoogst haalbare is, wat bij [minderjarige] tot veel verdriet en teleurstelling heeft geleid. [minderjarige] heeft hierna zelf besloten (in maart 2026) om de omgangsregeling stop te zetten.

Ook is de verstandhouding tussen de ouders niet verbeterd. De moeder is van mening dat de GI op geen enkele wijze heeft bijgedragen aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging. De doelen zijn niet behaald. Weliswaar is hulpverlening bij de Gezinsmanager opgestart, maar inmiddels is gebleken dat de Gezinsmanager niet kan ondersteunen bij de hulpvraag rondom genderidentiteit.

De moeder heeft desalniettemin aangegeven dat zij zich in het vrijwillig kader zal (blijven) inzetten om de zorgen rondom [minderjarige] en [de broer] weg te nemen.

De moeder kan, desgevraagd, instemmen met het in stand blijven van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , mits de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan een andere gecertificeerde instelling, te denken aan het Leger des Heils, wordt overgedragen. Zij merkt hierbij op dat dit slechts kan werken als het om een ondertoezichtstelling van zowel [minderjarige] als [de broer] gaat. Een ondertoezichtstelling van alleen [minderjarige] zal niets oplossen. Tot slot onderstreept de GI dat de moeder blijft benoemen dat ze uitgezocht wil hebben wat de oorzaak is van het feit dat er geen (goed) contact is tussen de gezinsleden (in het bijzonder [de broer] en haarzelf), maar dat het antwoord op die vraag er al is. [de broer] heeft dit uitgelegd; de moeder is het hiermee alleen niet eens.

6. Het advies van de Raad

Namens de Raad is - samengevat - naar voren gebracht dat de Raad de motivering van de GI voor het indienen van het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling weliswaar begrijpt, maar daar tegelijkertijd grote moeite mee heeft, nu toewijzing van dit verzoek betekent dat wordt geaccepteerd dat [minderjarige] nog steeds in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De Raad zou daarom het liefst zien dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] in stand blijft, opdat één van de ter zitting besproken opties, te weten ofwel de benoeming van een andere opvolgende jeugdbeschermer ofwel het opdragen van de uitvoering van de ondertoezicht-stelling aan een andere gecertificeerde instelling, kan worden geprobeerd. In het geval dat ook met één van deze opties niet het gewenste resultaat wordt bereikt dient nader te worden bezien of er op andere wijze, zoals door middel van een wijziging in de gezagssituatie, verbetering in de situatie kan worden gebracht. Ten slotte geeft de Raad in overweging om [de broer] , die inmiddels niet meer onder toezicht is gesteld maar nog wel een hulpvraag heeft, aan te melden bij [hulpverlening] opdat er voor hem weer hulpverlening – indien nodig en gewenst - op gang kan worden gebracht.

7. De beoordeling

De kinderrechter kan een ondertoezichtstelling opheffen als niet meer wordt voldaan aan de wettelijke criteria (artikel 1:255 lid 1 BW). Zij kan dit doen op verzoek van de GI die het toezicht heeft (artikel 1:261 lid 2 BW).

Van een dergelijke situatie kan sprake zijn als er feitelijk geen verdere resultaten meer zijn te verwachten. Naar het oordeel van de kinderrechter blijkt uit de stukken en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling dat hiervan sprake is: een voortzetting van de ondertoezichtstelling wordt niet langer doelmatig geacht. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.

Bij beschikking van 14 april 2023 zijn [minderjarige] en [de broer] onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 6 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd. Ten aanzien van [de broer] is overwogen dat de maatregel, in zijn geval bedoeld om met hulpverlening de situatie (het niet hebben van contact met zijn moeder) vlot te trekken, niet langer als de op dat moment geëigende maatregel had te gelden. Ten aanzien van [minderjarige] zijn de doelen van haar maatregel destijds (nogmaals) verwoord, zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven. Deze doelen zien globaal op het contact dat [minderjarige] met de vader en [de broer] heeft en het voortzetten van haar individuele hulpverlening.

Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting is gebleken dat gedurende de ondertoezichtstelling is bereikt dat [minderjarige] goed is gestart met therapie bij de Gezinsmanager. Er vinden wekelijks afspraken plaats, waar tijdens individuele sessies eerst is ingezet op het opbouwen van een vertrouwensrelatie en een plattegrond is gemaakt van de interne belevingswereld van [minderjarige] . Hierin is gekeken met [minderjarige] naar de emoties die zij kan ervaren, waaronder die rondom het (gedeeltelijk) contactverlies met de vader, om zo onder meer zelfregulatie te bevorderen. Voorts is een start gemaakt in het (v)erkennen van het identiteitsbeeld van [minderjarige] . Daarnaast geeft de Gezinsmanager aan dat moeder in staat is om haar hulpvraag te stellen en een zekere mate van veranderingsbereidheid toont. Er zijn handvatten geboden naar aanleiding van de opgedane inzichten tijdens het gesprek. Beide ouders staan open voor de voortgangsgesprekken. Verder is gebleken dat er tussen de ouders sprake is van minimale communicatie en informatie verstrekking over en weer, die overigens niet altijd constructief verloopt.

De GI heeft de afgelopen jaren aandacht besteed aan contactherstel tussen verschillende gezinsleden. Het is de kinderrechter gebleken dat op dit moment het hoogst haalbare in het contact tussen [minderjarige] en de vader is bereikt. Dat de situatie tot verdriet bij [minderjarige] leidt is voorstelbaar en, zo is gebleken, onderdeel van de gesprekken bij de Gezinsmanager, die nu zien op verwerking en acceptatie van de situatie. Nu de behandeling bij de Gezinsmanager op zich echter geen onderdeel van discussie is – beide ouders staan hierachter - en [minderjarige] hier goed is ingebed, is een ondertoezichtstelling op dit punt niet langer de geëigende maatregel. Dit neemt niet weg dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij van de al ingezette hulp en ondersteuning en hulpverlening die zij in de toekomst mogelijk nog gaat krijgen - zij het niet langer binnen het verplichtende kader van een beschermingsmaatregel - gebruik kan blijven maken. Het ligt op de weg van de ouders om de daartoe noodzakelijke stappen te (blijven) nemen. Een andere jeugdbeschermer of andere GI kan bovenstaande bovendien niet anders maken, niet in de laatste plaats omdat het de kinderrechter tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat bij de moeder een groot verdriet heerst ten aanzien van het contactverlies met [de broer] . Een andere jeugdbeschermer of GI in een lopende ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal, zo heeft de moeder ook beaamd, dát pijnpunt niet anders kunnen maken.

Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezicht-stelling van [minderjarige] opheffen met ingang van 30 juni 2026.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

8. De beslissing

De kinderrechter:

heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op met ingang van 30 juni 2026.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door mr. Felix, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 10 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand