beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/320225 / FA RK 16-5136
Zaaknummer: C/02/325675 / FA RK 17-189
Zaaknummer: C/02/432171 / FA RK 25-897
beschikking d.d. 30 juni 2026
in de zaken van
[de man] (hierna: de man),
wonende te [plaats 1] ,
verzoeker,
advocaat: mr. W. van der Sande te Goes,
tegen
[de vrouw] (hierna: de vrouw),
wonende te [plaats 2] ,
verweerster,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg, voorheen: mr. G. Veen te Goes (onttrokken).
Ouders van de navolgende thans nog minderjarige kinderen:
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
1. Het verdere procesverloop
C/02/320225 / FA RK 16-5136 en C/02/325675 / FA RK 17-189
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 25 april 2025;
- het F9-formulier van mr. Van der Sande d.d. 6 oktober 2025 met bijlagen;
- de brief van mr. De Nooijer d.d. 7 oktober 2025;
- het F9-formulier van mr. Van der Sande d.d. 12 januari 2026 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. De Nooijer d.d. 13 januari 2026 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Van der Sande d.d. 21 februari 2026 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. De Nooijer d.d. 19 mei 2026 met bijlagen.
C/02/432171 / FA RK 25-897
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 1 april 2025 en de daarin vermelde stukken;
- de brief van mr. Van der Sande d.d. 6 oktober 2025 met bijlagen;
- de brief van mr. De Nooijer d.d. 7 oktober 2025;
- de brief van mr. Van der Sande d.d. 12 januari 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. De Nooijer d.d. 13 januari 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. De Nooijer d.d. 19 mei 2026 met bijlagen.
De verzoeken zijn gelijktijdig (nader) behandeld ter zitting van 27 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
2. De verdere beoordeling
De rechtbank verwijst naar de tweetal beschikkingen die zij op 1 april 2025 heeft gegeven, waarin een voorlopige opbouwregeling is bepaald ten aanzien van het contact van de man met de kinderen en zijn verzoek om samen met de vrouw te worden belast met het gezag over beide kinderen is aangehouden. Ten aanzien van de omgang heeft de rechtbank overwogen dat uit de gesprekken met de kinderen was gebleken dat zij eigenlijk niet goed weten wie de man is en waarom zij onbegeleide contactmomenten met hem hebben. De eerder gedane statusvoorlichting behoefde dan ook nader geconcretiseerd te worden en naar het oordeel van de rechtbank moest dit zo spoedig mogelijk worden opgepakt door [hulpverlening 1] en niet door (één van de) ouders zelf. Voorts heeft de rechtbank ook in deze beschikking overwogen dat het onduidelijk is gebleven waarom de kinderen zo sterk reageren na afloop van een bezoekmoment. Tijdens het gesprek met de kinderen heeft de rechter niet de indruk gekregen dat dit met de man te maken heeft. Ook in de verslagen en de gegeven adviezen vanuit de hulpverlening wordt geen directe link gelegd met de bezoekmomenten. De rechtbank zag dan ook geen aanleiding om af te wijken van de eerder ingezette lijn om het contact tussen de man en de kinderen geleidelijk op te bouwen. Hoewel de rechtbank het door de man verzochte weekendregeling niet haalbaar en realistisch vond, achtte zij het wel in het belang van de kinderen dat de band met hun vader wordt opgebouwd op een manier waarbij zij op een ongedwongen manier elkaar regelmatig kunnen zien. In afwijking van het stappenplan van [hulpverlening 2] heeft de rechtbank daarom een voorlopige regeling bepaald, waarbij de begeleiding stapsgewijs wordt afgeschaald en de bezoekmomenten uiteindelijk door de man en de kinderen vrij in te vullen zijn. Ten aanzien van het gezag heeft de rechtbank in de separate beschikking overwogen dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is. De man heeft door zijn beperkte contact vooralsnog onvoldoende zicht op de ontwikkeling en de belangen van de kinderen waardoor hij onvoldoende in staat is om mee te kunnen beslissen in zaken aangaande de kinderen. De rechtbank wilde de komende ontwikkelingen afwachten alvorens te beslissen op het verzoek van de man.
Dit maakt dat op dit moment nog steeds ter beoordeling voorligt het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag over de kinderen, als ook het verzoek van de man tot het vaststellen van een definitieve zorg-/omgangsregeling. Ten aanzien van [minderjarige 1] verzoekt hij primair een regeling in de vorm van een week per twee weken van vrijdagmiddag tot vrijdagmiddag en subsidiair gedurende een weekend per twee weken van vrijdag na school tot maandag voor school en zowel primair als subsidiair de helft van de (school)vakanties en de helft van de algemeen erkende (inclusief christelijke) feestdagen. Ten aanzien van [minderjarige 2] verzoekt de man een zorg-/omgangsregeling te bepalen op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dan wel een door de gezinsmanager c.q. [hulpverlening 3] te bepalen opbouw, duur, frequentie en wijze.
Uit de nader verkregen stukken en de mondelinge toelichting ter zitting volgt dat de man zijn verzoeken handhaaft. Ten aanzien van de omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stelt de man dat het borgingsplan onder druk van [hulpverlening 1] is opgesteld met als doel om de hulpverlening af te kunnen sluiten omdat door haar is voldaan aan de opdracht van de rechtbank, te weten 4 uur omgang, en niet omdat het hoogst haalbare bereikt is. De man kan zich hier dan ook niet bij neerleggen. Daarnaast bevat het borgingsplan duidelijke afspraken omtrent het contact met [minderjarige 2] , waar de man zich in kan vinden, maar ziet het plan nauwelijks op [minderjarige 1] . Helaas is het contact met haar gestagneerd. [minderjarige 1] heeft eerder aangegeven hoeveel zij genoot van het contact met de man en dat zij hem met regelmaat knuffelde. Na deze uitspraak heeft er geen enkel fysiek contact meer plaatsgevonden, waardoor het erop lijkt dat de moeder dit met [minderjarige 1] heeft besproken. De man vindt dit erg lastig, omdat zowel hij als [minderjarige 1] enorm genoten van het contact. De kindbehartiger verwacht dat hoe meer druk gelegd wordt op [minderjarige 1] , hoe meer zij zich zal terugtrekken. Daarbij benoemt [minderjarige 1] dat wanneer zij 12 jaar is, niet meer naar haar vader hoeft, hetgeen ook lijkt te zijn ingegeven door de vrouw. Ten aanzien van [minderjarige 2] zijn er op dit moment geen duidelijke kaders vastgelegd, waardoor de man zich handelingsverlegen voelt ten aanzien van de invulling van zijn contactmomenten. De man zou graag de bezoekmomenten met [minderjarige 2] ook willen doorbrengen in zijn thuissituatie. Hij heeft dit tot op heden niet gedaan omdat hij vreest dat de vrouw hiermee niet akkoord gaat. [hulpverlening 1] is voornemens om per 1 juli 2026 te stoppen, tenzij de rechtbank dit langer nodig vindt. Voor [minderjarige 2] is het niet nodig, want er ligt een borgingsplan. Ten aanzien van [minderjarige 1] zou de man het goed vinden als er andere hulpverlening wordt ingezet met een stevigere aanpak. Hij heeft er namelijk geen vertrouwen in dat de huidige hulpverlening nog iets anders kan bewerkstelligen. De man wil absoluut niet dat de regeling met [minderjarige 1] wordt stopgezet. Hij wil toewerken naar minimaal één keer per maand een fysiek contactmoment. Hij is bereid om alsnog te reageren op de brief die [minderjarige 1] hem gestuurd heeft, want als [minderjarige 1] zich gehoord voelt, kan er misschien ruimte ontstaan voor contact. Beiden hebben recht op omgang en in dit kader moet alles geprobeerd worden. De man wil dan ook dat de rechtbank ook een minimale regeling vaststelt ten aanzien van [minderjarige 1] . Doet de rechtbank dit niet, dan verwacht de man dat het contact permanent zal uitblijven. Daarnaast verzoekt de man ten aanzien van [minderjarige 2] de huidige omgang van vier uur bij beschikking vast te leggen, maar wel met de opmerking dat uitbreiding in de toekomst mogelijk is. Ten aanzien van het gezag stelt de man dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is. Het gebrek aan communicatie tussen ouders kan de man niet verweten worden. De man is bereikbaar en wil betrokken worden. De vrouw houdt dit af en zet zich niet in om tot verandering te komen. De vrouw geeft inmiddels wel uitvoering aan de informatieregeling zoals opgenomen in het borgingplan.
De vrouw kan zich erin vinden als de rechtbank een regeling bij beschikking vaststelt overeenkomstig de huidige contactmomenten tussen de man en [minderjarige 2] en zoals vastgelegd in het borgingsplan. Tevens heeft zij er geen bezwaar tegen als de man [minderjarige 2] tijdens die contactmomenten meeneemt naar zijn huis. Ook vindt de vrouw het prima wanneer de man komt kijken bij de voetbal en dan een praatje maakt met [minderjarige 2] . Daarentegen heeft de vrouw wel bezwaar tegen een uitbreiding van die contactmomenten. [minderjarige 2] is positief over het contact met zijn vader omdat hij dan leuke dingen gaat doen, maar heeft daarbij ook uitgesproken dat hij vier uur wel genoeg vindt. De vrouw is het eens met de kindbehartiger dat ten aanzien van [minderjarige 2] het hoogst haalbare is bereikt. Ten aanzien van [minderjarige 1] ligt dit anders. [minderjarige 1] voelt zich niet gehoord door de kinderrechter en haar vader. Dit heeft ervoor gezorgd dat zij gekeerd is in haar gedrag. [minderjarige 1] voelt zich gedwongen in het contact met haar vader en dit werkt averechts. Het heeft haar doen besluiten om de omgang en het contact met vader te stoppen. De moeder volgt [minderjarige 1] en laat haar hierin vrij. Voor nu heeft [minderjarige 1] geen behoefte aan contact. Het zou zo kunnen zijn dat [minderjarige 1] wat heeft meegekregen van haar zorgen ten aanzien van het contact met de man en het zou kunnen dat dit van invloed is geweest op haar handelen, maar dit er wel voor gezorgd dat [minderjarige 1] in het contact met de man altijd veilig is gebleven. De vrouw staat dan ook nog altijd volledig achter de keuzes die zij tot op heden heeft gemaakt. Volgens de vrouw heeft [minderjarige 1] behoefte aan rust. Het zou dan ook goed zijn als de man zijn verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] intrekt. Ook kan het [minderjarige 1] goed doen als de man haar een brief schrijft. Mogelijk kan hierdoor op termijn weer wat ruimte ontstaan voor het contact. De moeder is ervan overtuigd dat het beide kinderen meer kwaad zal doen als zij tot (meer) contact gedwongen worden. Daarnaast vindt de moeder dat het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag moet worden afgewezen. De man heeft geen contact met [minderjarige 1] en is daardoor niet in staat om weloverwogen beslissingen over haar te nemen. Het ontbreken van enige vorm van contact tussen ouders geeft ook een onaanvaardbaar risico op het klem en verloren raken van de kinderen. De verwachting bestaat niet dat deze situatie binnen afzienbare tijd zal veranderen. De vrouw verzoekt een eindbeschikking te geven, zodat de jarenlange juridische strijd eindelijk tot een einde komt.
De Raad stelt dat de procedure in 2017 is gestart en dat het sindsdien zeer moeizaam is gebleken om iets van contact tussen de man en zijn kinderen op te bouwen. Eerder heeft [jeugdhulp] aangegeven niet tot uitbreiding te komen. Ook de kindbehartiger zegt dat het beter is om niets te forceren, omdat dit averechts gaat werken. De Raad ziet weinig mogelijkheden om opnieuw een hulpverleningstraject aan te gaan. De Raad verwacht niet dat dit gaat leiden tot een onbelast contact tussen de man en [minderjarige 1] . Het is dan ook beter om bij beschikking vast te leggen dat er voor nu geen contact tussen de man en [minderjarige 1] is, maar mogelijk op termijn wel. Ten aanzien van [minderjarige 2] stelt de Raad vast dat beide partijen het eens zijn over de regeling zoals die nu plaatsvindt en is opgenomen in het borgingsplan, te weten vier uur onbegeleid. De moeder heeft er geen bezwaar tegen dat [minderjarige 2] bij de man thuis komt en dat de man bij de voetbal komt kijken. Dit is fijn, want zo komt er meer ontspanning in hun contact. Deze regeling is volgens de Raad het hoogst haalbare. Daarbij moeten we het laten. De Raad begrijpt dat dit onbevredigend is voor de man, maar de Raad vreest dat er meer niet in zit. De Raad ziet ook weinig mogelijkheden voor een herstelgesprek tussen de man en [minderjarige 1] en adviseert de man om een brief aan [minderjarige 1] te schrijven, waarin hij haar laat merken hoe waardevol zij is voor de man. Hopelijk creëert dit ruimte bij [minderjarige 1] voor een toekomstig contact. Voor het gezamenlijk gezag ziet de Raad weinig mogelijkheden. De ouders kennen veel rancune. Het risico bestaat dat de kinderen klem en verloren zullen raken als ouders samen over hen moeten gaan beslissen. Daarbij komt dat er geen communicatie tussen ouders is en de man door het ontbreken van contact met [minderjarige 1] geen zicht heeft op haar belangen en ontwikkelingsbehoeften. De rechtbank zou ten aanzien van het gezag een verschil kunnen maken tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , maar ook dan worden de nodige risico’s gezien.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat de niet met het gezag belaste ouder betreft, gewaarborgd door art. 8 EVRM en 1:377a lid 1 BW, en wat het kind aangaat niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door de artikelen 9 lid 3 (https://www.inview.nl/openCitation/idb2c183dc484d4bd2afa80ff6e3cbbfd7) IVRK en 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU (https://www.inview.nl/openCitation/id90fd3e2ec4513e5516a632fcdbdb9b22). De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in art. 1:377a lid 3 (https://www.inview.nl/openCitation/id99d7b6e451e12a12980326cf989afe69) BW limitatief opgesomde gronden. Werkt de met het gezag belaste ouder niet (of niet voldoende) mee aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling, dan kan de rechter desverlangd een groot aantal maatregelen treffen om die ouder te bewegen tot naleving van zijn verplichtingen, die corresponderen met het recht op omgang van de andere ouder en het kind met elkaar. Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 (https://www.inview.nl/openCitation/idb21743982814be1bba2feded82586e7d) EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken. Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder — of zelfs geen — goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd. Niet uitgesloten is dat de aanwending door de rechter van de hem ten dienste staande dwangmiddelen onder bijzondere omstandigheden tot gevolg heeft dat de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijk ontwikkeling van het kind of anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind, een en ander als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 aanhef en onder a respectievelijk d BW. Het enkele feit dat de met het gezag belaste ouder bezwaren heeft tegen de omgang, is echter niet zo’n omstandigheid en kan derhalve geen grond zijn om de andere ouder en het kind hun recht op omgang met elkaar te ontzeggen. Daarvoor is noodzakelijk dat de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ertoe kan leiden dat het kind klem komt te zitten of verloren raakt tussen de beide ouders als de omgang zou worden afgedwongen, met als gevolg dat de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank stelt vast dat de man sinds 2017 procedeert om een goede vorm van omgang tussen de man en de kinderen tot stand te brengen. In de afgelopen jaren zijn diverse vormen van hulpverlening ingezet alsook is er door de rechtbank inmiddels een veelvoud aan beschikkingen gegeven om sturing te geven aan de opbouw van dit contact. Het verloop hiervan is erg moeizaam verlopen, waarbij er aan de zijde van de vrouw veel weerstand is gebleken ten aanzien van de vervolgstappen zoals die destijds zijn opgesteld door [hulpverlening 2] en de uitbreiding van het contact van begeleid naar onbegeleide omgang. Na bijna 10 jaar procederen is er inmiddels een situatie bereikt waarin de man 4 uur per maand onbegeleide omgang heeft met [minderjarige 2] . Na een positieve opbouw van het contact met [minderjarige 1] , waarbij door de hulpverlening gezien werd dat zowel [minderjarige 1] als de man genoten van dit contact, is dit contact inmiddels volledig gestagneerd. Tijdens het laatste bezoek in september 2025 liet [minderjarige 1] meer weerstand zien en ging zij fysiek contact met de man uit de weg, terwijl zij daarvoor wel graag toenadering zocht met de man. Uiteindelijk is [minderjarige 1] tijdens dit bezoek weggelopen en heeft zij sindsdien aangegeven geen contact meer te willen met de man.
[minderjarige 1] heeft voor de onderhavige zitting geen gesprek meer gehad met de kinderrechter omdat zij zich, behalve door haar vader, ook niet gehoord heeft gevoeld door de rechter toen zij deze voor de vorige zitting sprak. Zij is inmiddels 12 jaar, waardoor haar ernstige bezwaren tegen de omgang steeds zwaarder dienen te wegen. Toch zijn deze nog steeds niet doorslaggevend, omdat voorstelbaar is dat haar bezwaren grotendeels hun grond vinden in de door de vrouw met herhaling aangehaalde zorgen, waarvoor al die jaren onvoldoende substantiering is gevonden.
Hoewel de rechtbank aldus tot uitgangspunt blijft nemen dat [minderjarige 1] en de man recht op omgang met elkaar hebben, en dat er met betrekking tot de man geen ontzeggingsgronden worden gezien, acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige 1] om dit wederzijdse recht bij haar af te dwingen door nu een concrete omgangsregeling op te leggen. Ook niet middels de inzet van weer een nieuwe vorm van hulpverlening. De druk die [minderjarige 1] lijkt te ervaren omtrent dit contact blijft daardoor in stand en zal de weerstand die zij thans ervaart jegens de man niet doen wegnemen. Naar verwachting zal dit de situatie voor [minderjarige 1] alleen maar verergeren, vooral omdat gezien wordt dat [minderjarige 1] erg loyaal is aan haar moeder en zij zoals gezegd al jaren wordt belast met de zorgen van haar moeder ten aanzien van de man. De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat haar zorgen mogelijk van invloed zijn geweest op [minderjarige 1] , maar dat zij vooral bepaalde keuzes heeft gemaakt om haar dochter veilig te stellen in het contact met de man.
Met de Raad oordeelt de rechtbank dat de starre houding van de vrouw het verloop van de contactopbouw in ernstige mate heeft belemmerd, hetgeen ten zeerste valt te betreuren, vooral omdat het contact zich positief ontwikkelde en de man liet zien goed te kunnen aansluiten bij de kinderen. Dit neemt niet weg dat in de situatie die inmiddels is ontstaan, te weten het weigeren van contact door [minderjarige 1] gedurende inmiddels ruim negen maanden, het voor [minderjarige 1] van belang is dat er rust komt, hetgeen betekent dat de invulling van het contact moet worden overgelaten aan de mogelijkheden die [minderjarige 1] hiervoor ervaart. De rechtbank realiseert zich dat zij nog relatief jong is om haar die ruimte te geven en dat dit ook betekent dat er een tijd geen omgang tussen de man en [minderjarige 1] zal zijn, maar hopelijk zal de rust op termijn ruimte bij [minderjarige 1] creëren voor een vorm van contact met haar vader. Helpend daarbij kan zijn dat, zoals ter zitting besproken, de man een brief zal schrijven aan [minderjarige 1] , waarin hij reageert op de brief die zij naar hem heeft geschreven en waarin hij haar schrijft hoe waardevol zij voor hem is. Hopelijk gaat [minderjarige 1] zich hierdoor meer gehoord en gezien voelen door haar vader en kan dit bijdragen aan een toekomstig contactherstel. De rechtbank zal het verzoek van de man op dit punt afwijzen en dus geen concrete regeling vastleggen omtrent dit contact, maar bepalen dat er wel recht op omgang is tussen de man en [minderjarige 1] en dat zodra [minderjarige 1] hiervoor de ruimte ervaart, contact in de toekomst mogelijk blijft, al dan niet via [kind] , de dochter van de man. [minderjarige 1] staat in contact met [kind] , waardoor er een lijntje behouden blijft met de man.
Ten aanzien van [minderjarige 2] stelt de kinderrechter vast dat in het borgingsplan afspraken zijn opgenomen waar beide ouders zich in kunnen vinden, te weten vier uur per maand onbegeleid. Dit is ook de regeling waar nu uitvoering aan wordt gegeven. Daarbij heeft de vrouw ter zitting uitgesproken dat zij het prima vindt dat [minderjarige 2] bij de man thuis komt en dat de man bij de voetbal naar hem komt kijken en een praatje met hem maakt. De rechtbank zal dan ook deze regeling bij beschikking vaststellen. Met de Raad is de rechtbank namelijk van oordeel dat de huidige frequentie voor nu het hoogst haalbare is. Ook voor [minderjarige 2] moet er rust en duidelijkheid komen en is het in zijn belang om een eindbeschikking te geven waardoor de (juridische) strijd tussen ouders kan stoppen.
Het verzoek van de man om samen met de vrouw te worden belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal worden afgewezen. Er is geen communicatie tussen partijen en gezien de jarenlange (juridische) strijd valt niet te verwachten dat binnen afzienbare tijd hier verandering in zal komen. In het borgingsplan is een informatieregeling opgenomen, waar beide ouders zich aan lijken te committeren en dit is dan ook de enige vorm van contact tussen ouders. Daarbij komt dat de man geen contact heeft met [minderjarige 1] , waardoor hij zich geen eigen beeld kan vormen van de belevingswereld van [minderjarige 1] en haar ontwikkelingsbehoeften. De eenzijdige informatie die hij ontvangt op basis van de informatieregeling is hiervoor te beperkt om een belangenafweging te kunnen maken en op basis daarvan mee te kunnen beslissen over zaken aangaande [minderjarige 1] . Om de man mede te belasten met het gezag alleen over [minderjarige 2] heeft de rechtbank, zoals aangedragen door de Raad, overwogen maar naar het oordeel van de rechtbank zal dit extra druk zetten op de verhouding van partijen en daarmee op de kinderen en het contact tussen de man en [minderjarige 2] . De rechtbank acht dit niet in het belang van [minderjarige 2] en zal daarom het verzoek van de man ten aanzien van beide kinderen afwijzen.
Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
3. De beslissing
De rechtbank
C/02/320225 / FA RK 16-5136 en C/02/325675 / FA RK 17-189
bepaalt dat de man en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot (onbegeleide) omgang met elkaar gedurende vier uur per maand, en conform de aanvullende afspraken onder r.o. 2.6.4;
bepaalt dat de man en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar en dat op geleide van [minderjarige 1] invulling kan worden gegeven aan een toekomstig contactherstel;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af;
C/02/432171 / FA RK 25-897
wijst af het verzoek van de man om belast te worden met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.