RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer / rolnummer: C/02/447756 / KG ZA 26-224
Vonnis in kort geding van 30 juni 2026
in de zaak van
[ouder 1] en [ouder 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisers,
hierna te noemen: de ouders,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg,
tegen
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
gedaagde,
hierna te noemen: de GI.
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over de vorderingen geadviseerd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties;
het bericht van mr. de Nooijer met bijlage, ontvangen op 9 juni 2026;
de mondelinge behandeling op 16 juni 2026.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de zitting zijn verschenen de ouders, bijgestaan door hun advocaat. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster van de GI, alsmede een vertegenwoordigster van de Raad.
Voor de zitting heeft de voorzieningenrechter met [minderjarige] gesproken over de vorderingen. Ook heeft [minderjarige] een brief geschreven. De voorzieningenrechter heeft tijdens de zitting samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven en verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Op voornoemde zitting is eveneens het verzoek van de GI tot het (tijdelijk) opschorten van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de ouders in de zaak met kenmerk C/02/447926 / FA RK 26-2346 behandeld. In die zaak is bij separate beschikking beslist.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Bij beschikking van 20 februari 2013 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
De GI heeft tussen de ouders en [minderjarige] een omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] eenmaal per zes weken voor de duur van twee uur begeleide omgang heeft met de ouders. Ook was afgesproken dat [minderjarige] eenmaal per kwartaal samen met haar moeder een activiteit mocht ondernemen, zoals winkelen.
3. De vorderingen
De ouders vorderen bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De GI te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling tussen:
- Moeder en [minderjarige] , inhoudende dat er eens per drie maanden een shopmoment plaatsvindt;
- Ouders en [minderjarige] , inhoudende dat er een keer per zes weken voor de duur van twee uur een begeleid bezoekmoment plaatsvindt;
II. De GI te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Door en namens de ouders is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het navolgende aangevoerd. De ouders vorderen nakoming van de omgangsregeling. De omgangsmomenten met [minderjarige] verliepen immers altijd erg goed. Zij herkennen zich dan ook niet in de zorgen over de ouders die door de GI worden benoemd. De ouders maken zich wel zorgen over de opvoedsituatie van de pleegouders; de plek waar [minderjarige] het grootste gedeelte van haar tijd verblijft. Het is oneerlijk dat de schuld met betrekking tot de regressie in de ontwikkeling van [minderjarige] in de schoenen van de ouders wordt geschoven. Het is daarom belangrijk dat er onderzoek wordt gedaan naar de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de pleegouders. Daarnaast betwisten de ouders dat zij [minderjarige] stiekem een telefoon en een simkaart hebben gegeven. Ook uiten de ouders hun mening over de pleegouders niet tegen [minderjarige] , aangezien de ouders weten dat dit een voorwaarde is voor de doorgang van de bezoekmomenten. Voorts zijn de ouders van mening dat zij te weinig informatie over [minderjarige] krijgen van de GI. De omgang is abrupt – zonder gesprek met de ouders – stopgezet, terwijl een concreet plan van aanpak voor de toekomst ontbreekt. Ook is het niet duidelijk aan welke voorwaarden de ouders zich moeten houden om de omgang te doen hervatten. De ouders zijn na de bezoekmomenten nooit aangesproken door de omgangsbegeleiding, hetgeen maakt dat zij niet de kans hebben gekregen om zich te verbeteren. De ouders hebben recht op (een vorm van) contact met [minderjarige] en willen hun band met haar behouden. Het is tevens belangrijk dat [minderjarige] hulp krijgt. Tot slot staan de ouders open voor gesprekken met de GI, zodat de ouders kunnen worden meegenomen in haar besluitvorming.
De GI voert verweer tegen de vorderingen van de ouders en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.
Ter onderbouwing van haar verweer voert de GI, samengevat, het navolgende aan. De GI heeft de omgang tussen de ouders en [minderjarige] tijdelijk stopgezet, nu is gebleken dat [minderjarige] – al een langere periode – geen omgang meer met de ouders wenst. [minderjarige] heeft op dit moment ook geen ruimte om de omgang weer op te starten. Het is belangrijk, mede gelet op haar leeftijd, dat met [minderjarige] wordt gesproken over wat voor haar een geschikte stap kan zijn om weer tot contactherstel te komen. [minderjarige] geeft duidelijk aan wat zij belangrijk vindt, namelijk respect, het aanvaarden van haar beperkingen en het zich door de ouders niet negatief uitlaten over het pleeggezin. Zij heeft echter op dit moment onvoldoende vertrouwen in de ouders. De GI is van mening dat contact met de ouders belangrijk is, maar dit mag niet ten koste gaan van de ontwikkeling van [minderjarige] . Eerder zijn al gesprekken gevoerd met de ouders over de spanningen die [minderjarige] ervaart rondom de omgangsmomenten. De ouders nemen echter niet aan wat de professionals hen proberen te vertellen over wat [minderjarige] nodig heeft. Ook wordt [minderjarige] steeds geconfronteerd met de (negatieve) beeldvorming die de ouders hebben over het pleeggezin. De GI probeert de ouders te informeren over belangrijke zaken rondom [minderjarige] , maar [minderjarige] wil niet dat er informatie over haar met hen wordt gedeeld. Dit maakt dat de GI steeds juridisch moet wikken en wegen. Tot slot licht de GI toe dat er komend jaar nog veel moet worden geregeld, waaronder school, dagbesteding en financiën, nu [minderjarige] volgend jaar achttien jaar wordt. Het is belangrijk dat [minderjarige] de ruimte krijgt om dit proces te doorlopen.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de ouders bij hun vorderingen vast.
[minderjarige] heeft op 11 mei 2026 een brief gestuurd. Ook heeft de voorzieningenrechter op 10 juni 2026 met [minderjarige] gesproken. [minderjarige] heeft, samengevat, aangegeven dat haar hoofd soms erg vol zit. Ze heeft ook niet veel vriendinnen meer, omdat ze door hen werd gepest en van hen moest stelen. [minderjarige] heeft moeite met nee zeggen. Ze heeft nog wel een paar goede vrienden. Daarnaast heeft [minderjarige] verteld dat haar pleegouders goed voor haar zorgen en haar helemaal accepteren. [minderjarige] wil geen contact meer met de ouders, omdat zij haar pijn hebben gedaan, negatief praten over de pleegouders en haar niet accepteren. Soms voelt [minderjarige] zich zo rot dat ze zichzelf pijn doet en zegt dat ze niet meer wil leven. Nu [minderjarige] haar ouders niet meer ziet, ervaart ze meer rust.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad, samengevat, naar voren gebracht dat duidelijk is dat de ouders [minderjarige] erg missen. Aan de andere kant uit [minderjarige] een duidelijke wens om geen contact te hebben met de ouders. Het is een verdrietige situatie. De Raad kan zich vinden in het plan van de GI om de omgang tijdelijk stop te zetten, maar het is belangrijk dat er een concreet plan van aanpak voor de toekomst wordt opgesteld en dat de ouders voortaan (meer) worden meegenomen in de besluitvorming van de GI.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de ouders tot nakoming van de omgangsregeling af. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de ouders geen belang meer hebben bij hun vorderingen in kort geding, nu de voorzieningenrechter thans een beslissing heeft genomen over de omgang tussen de ouders en [minderjarige] in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure (bekend onder zaaknummer C/02/447926 / FA RK 26-2346). Gelet op hetgeen in die beschikking is overwogen, vindt de voorzieningenrechter het niet in het belang van [minderjarige] om haar nu te dwingen tot contact met haar ouders.
Gelet op de beslissing van de voorzieningenrechter en de aard van dit geschil, ziet de voorzieningenrechter geen reden om, zoals door de ouders is gevorderd, de GI te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter zal de vordering van de ouders daartoe dan ook afwijzen en de proceskosten tussen partijen compenseren zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van de ouders af;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Boomaars, griffier.