2. De feiten
Partijen zijn op [datum] 2015 te [plaats 2] , Togo, gehuwd.
Uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ;
2. [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats 1] .
De vrouw bezit de Togolese nationaliteit en de man bezit de Nederlandse nationaliteit.
De man heeft een dochter uit een vorige relatie:
[kind] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2007.
Bij genoemde beschikking d.d. 26 mei 2025 in de voorlopige voorzieningenprocedure is bepaald dat er voorlopig een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de minderjarigen en partijen zal gelden waarbij de minderjarigen de ene week in de echtelijke woning bij de man verblijven en in de andere week in de huurwoning bij de vrouw, zulks met het wisselmoment op de vrijdag om 17.00 uur en gedurende de week dat de minderjarigen in de echtelijke woning bij de man verblijven, zal de vrouw zich daar rond 19.00 uur, na het avondeten, voegen en zal zij de volgende ochtend tussen 8.30 uur en 9.00 uur de echtelijke woning weer verlaten, een en ander zoals in rechtsoverweging 4.8. opgenomen. De beslissing op de verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing, de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedtaken van de minderjarigen en het gebruik van de echtelijke woning is aangehouden in afwachting van het rapport en advies van de Raad, de reacties van partijen daarop en het bericht over het gewenste verdere procesverloop.
3. De verzoeken
in de zaak C/02/434603 FA RK 25-2093 (voorlopige voorzieningen)
In de voorlopige voorzieningenzaak zijn thans nog aan de orde de verzoeken van de vrouw om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen;
- een zorgregeling vast te stellen uit hoofde waarvan de minderjarigen niet eerder bij de man overnachten dan vanaf het moment dat uit (nader) onderzoek is komen vast te staan dat de minderjarigen bij de man veilig zijn, althans een zodanige regeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
- een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vast te stellen van € 245,= per minderjarige per maand te vermeerderen met de door de man (te) ontvangen kinderbijslag, met ingang van 1 februari 2026, althans met ingang van de datum van indiening van haar verzoekschrift, dan wel met ingang van de datum van de beslissing, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen;
- te bepalen dat de man zijn medewerking verleent dat aan de vrouw de kinderbijslag wordt uitgekeerd en dat de vrouw de toeslagen (kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop) kan aanvragen.
Voorts zijn in de voorlopige voorzieningenzaak nog aan de orde de verzoeken van de man om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de minderjarigen aan hem toe te vertrouwen en, voor het geval de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd verzoekt hij een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen om de week bij de man verblijven van vrijdagmiddag 17.00 uur tot maandagochtend voor school, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en de helft van de algemeen erkende (inclusief christelijke) feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen dan wel een zodanige regeling als de rechtbank het meest in het belang van de minderjarigen acht;
- te bepalen dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats 1] , [adres] alsmede de zich daarin bevindende inboedel, indien en voor zover nodig, met bevel aan de vrouw deze woning te verlaten en niet meer te betreden.
in de zaak C/02/415396 FA RK 23-5058 (echtscheiding)
De vrouw verzoekt thans na wijziging, samengevat, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de echtscheiding uit te spreken;
- te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij de minderjarigen om de week een lang weekend van donderdagmiddag na school tot en met maandagmorgen naar school bij de man zijn alsmede de helft van de schoolvakanties en de helft van de christelijke feestdagen;
- een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vast te stellen van € 245,= per minderjarige per maand te vermeerderen met de door de man (te) ontvangen kinderbijslag, met ingang van 1 februari 2026, althans met ingang van de datum van indiening van haar verzoekschrift, dan wel met ingang van de datum van de beslissing, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen;
- te bepalen dat de man zijn medewerking verleent dat aan de vrouw de kinderbijslag wordt uitgekeerd en dat de vrouw de toeslagen (kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop) kan aanvragen.
De man vraagt de verzoeken van de vrouw af te wijzen en bij wijze van (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek, indien de rechtbank de echtscheiding uitspreekt, bij beschikking zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de man;
- primair: een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen bij de vrouw
verblijven om de week van donderdagmiddag 17.00 uur tot maandagochtend 8.30 uur,
alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en de helft van de algemeen erkende
(inclusief christelijke) feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen;
subsidiair: een zorgregeling vast te stellen waarbij ouders uitvoering zullen geven aan
een co-ouderschapsregeling, in die zin dat de minderjarigen in de ene week bij de man zullen
verblijven en in de andere week bij de vrouw zullen verblijven waarbij er op vrijdagmiddag
uur gewisseld wordt, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en de helft
van de algemeen erkende (inclusief christelijke) feestdagen, in onderling overleg tussen
partijen te bepalen;
- vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen kinderbijdrage van € 76,=
per minderjarige per maand, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie
vermeent te behoren, bij vooruitbetaling te voldoen;
- te bepalen dat de man met ingang van de datum waarop deze beschikking ter zake de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurder van de echtelijke woning te [plaats 1] , [adres] , zal zijn.
4. De beoordeling
in de zaak C/02/434603 FA RK 25-2093 (voorlopige voorzieningen)
Zoals met partijen tijdens de zitting is besproken zal, nu onderhavige zaken gelijktijdig ter zitting zijn behandeld, in de bodemprocedure worden beslist op de verzoeken die ook in de voorlopige voorzieningenprocedure voorliggen. De vrouw heeft tijdens de zitting haar verzoek ten aanzien van de kinderbijdrage in de echtscheidingszaak gewijzigd conform haar verzoek zoals zij dat in de voorlopige voorzieningenprocedure had gedaan en de man heeft aangegeven dat zijn verweer ten aanzien van de kinderbijdrage zoals hij dat heeft gevoerd in de voorlopige voorzieningenprocedure integraal in de echtscheidingsprocedure dient te worden overgenomen. De feiten en rechten uit de voorlopige voorzieningenprocedure maken tevens deel uit van het dossier in de bodemzaak. Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij, nu thans in de bodemzaak wordt beslist, hun verzoeken in de voorlopige voorzieningenprocedure intrekken omdat zij geen belang meer hebben bij een beslissing op die verzoeken. De rechtbank zal daarom de verzoeken in de voorlopige voorzieningenprocedure afwijzen.
in de zaak C/02/415396 FA RK 23-5058 (echtscheiding)
Deze zaak heeft een internationaal karakter, zulks vanwege de nationaliteit van de vrouw en omdat partijen in Togo zijn gehuwd. Dat betekent dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van het echtscheidingsverzoek kennis te nemen en, wanneer dat zo is en de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding, welk recht op de verzoeken van toepassing is.
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoek partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.
Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn bij genoemd proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 23 mei 2024 in onderhavige zaak via het Uniform Hulpaanbod (UHA) verwezen naar de hulpverlening. Het is partijen, ondanks de ingezette hulpverlening tot op heden niet gelukt om tot een ouderschapsplan te komen. Tijdens de zitting is met partijen besproken dat het onder de huidige omstandigheden niet te verwachten is dat zij in staat zullen zijn binnen een redelijke termijn alsnog een ouderschapsplan te overleggen dat voldoet aan alle vereisten van artikel 815 lid 3 Rv. De rechtbank verklaart de vrouw dan ook ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding.
toepasselijk recht
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
rechtsgeldig huwelijk en erkenning huwelijk
In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk van partijen in het buitenland is voltrokken, dient de rechtbank ambtshalve eerst de vraag te beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 BW erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden. Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste lid BW). Op grond van het vierde lid van artikel 10:31 BW wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn indien een verklaring hierover is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
De vrouw heeft een recent afschrift van de huwelijksakte, afgegeven door een
bevoegde autoriteit, overgelegd. Daaruit volgt dat partijen op [datum] 2015 te [plaats 2] ,
Togo, gehuwd zijn. De rechtbank neemt op grond van deze akte aan dat sprake is van een
tussen de man en de vrouw rechtsgeldig gesloten huwelijk in Togo, welk huwelijk op grond
van artikel 10:31 lid 1 BW ook in Nederland dient te worden erkend. Van omstandigheden
die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het huwelijk van partijen niet voor erkenning
vatbaar is, omdat die erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van
Nederland (artikel 10:32 BW), is niet gebleken.
Omdat het huwelijk aldus in Nederland wordt erkend, zal de rechtbank overgaan tot
de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding.
inhoudelijke beoordeling echtscheiding
De vrouw heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken en zij heeft daartoe
aangevoerd dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
De man heeft, nadat hij aanvankelijk verweer voerde tegen het verzoek tot
echtscheiding, tijdens de zitting aangegeven het eens te zijn met de echtscheiding.
De rechtbank zal het verzoek, als op de wet gegrond en verder niet meer weersproken,
toewijzen.
huurrecht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.
De man heeft verzocht te bepalen dat hij met ingang van de datum waarop deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurder van de echtelijke woning te [plaats 1] , [adres] zal zijn. Nu de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat dit verzoek kan worden toegewezen, zal de rechtbank het verzoek van de man als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
hoofdverblijf en zorgregeling
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats, en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarigen. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.
Beide partijen verzoeken vaststelling van het hoofdverblijf van de minderjarigen; de man verzoekt dit bij hem vast te stellen en de vrouw verzoekt dit bij haar vast te stellen. Voorts verzoeken beide partijen een zorgregeling vast te stellen op de wijze zoals hierna wordt weergegeven.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt het volgende.
Bij genoemde beschikking d.d. 26 mei 2025 in de voorlopige voorzieningenprocedure is, conform de tijdens de zitting bereikte overeenstemming, bepaald dat er voorlopig een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de minderjarigen en partijen geldt waarbij de minderjarigen de ene week in de echtelijke woning bij de man verblijven en in de andere week in de huurwoning van de vrouw, zulks met het wisselmoment op de vrijdag om 17.00 uur en gedurende de week dat de minderjarigen in de echtelijke woning bij de man verblijven, zal de vrouw zich daar rond 19.00 uur, na het avondeten, voegen en zal zij de volgende ochtend tussen 8.30 uur en 9.00 uur de echtelijke woning weer verlaten, een en ander zoals in rechtsoverweging 4.8. van die beschikking is opgenomen.
Naar aanleiding van een negatieve terugmelding van de hulpverlening in het kader van het UHA, heeft de Raad onderzoek gedaan en advies uitgebracht d.d. 4 december 2025. De Raad adviseerde, kort samengevat, om het hoofdverblijf van de minderjarigen aan te houden in afwachting van het met de hulpverlening toewerken naar een duidelijke zorgregeling. Ook voor wat betreft de zorgregeling adviseerde de Raad aanhouding voor de duur van 9 maanden in afwachting van de resultaten van de nodig geachte hulpverlening. Onder “2” van het rapport gaf de Raad aan wat er voor de minderjarigen moet gebeuren om de zorgen over het veilig opgroeien in de context van de scheiding weg te nemen. Daaruit volgt onder meer dat, omdat partijen blijven hangen in hun overtuiging dat de andere ouder de zorg voor de minderjarigen niet kan dragen en mogelijk geen goede opvoedvaardigheden zou hebben, er zicht moet komen op de beide thuissituaties van de ouders waarbij gekeken wordt naar de opvoedcapaciteiten. En dat er een signalerende functie moet worden ingezet om eventuele signalen rondom vermoeden van seksueel misbruik in acht te houden. Op die manier zal er volgens de Raad ruimte moeten ontstaan om de andere ouder als volwaardig opvoeder te kunnen zien en accepteren. De hulpverlening moet zich ook gaan richten op het ouderschap zodat partijen in het belang van de minderjarigen gaan communiceren en samenwerken. Daarnaast moet er duidelijkheid komen in de vorm van bijvoorbeeld een ouderschapsplan. De Raad acht regievoering vanuit een casusregisseur van de gemeente nodig om de in het rapport genoemde doelen te bereiken.
Vervolgens heeft er in de nacht van 27 op 28 januari 2026 een incident (huiselijk geweld) plaatsgevonden in de woning van de man op het moment dat de vrouw met de minderjarigen in het kader van de zorgregeling in de echtelijke woning bij de man verbleef.
De man heeft een gedragsaanwijzing opgelegd gekregen, inhoudende een contactverbod met de vrouw en een gebiedsverbod voor de straat waarin de vrouw woonachtig is voor de duur van 90 dagen. De gedragsaanwijzing is op 21 april voor de duur van 30 dagen verlengd. Op 15 mei 2026 zou de strafzitting plaatsvinden.
Na genoemd incident is de in het kader van de voorlopige voorzieningen vastgestelde voorlopige zorgregeling niet meer uitgevoerd maar is begeleide omgang ingezet op de woensdagmiddag gedurende 1,5 uur en op de vrijdagmiddag gedurende 1,5 uur, hetgeen in eerste instantie door crisishulp werd begeleid. De crisishulp is gestopt omdat de situatie niet meer als urgent werd gezien en ouders hun medewerking toonden. [persoon 1] (vanuit het netwerk van de man) begeleidt thans de contacten op woensdag en vrijdag gedurende die 1,5 uur in afwachting van de start van de hulpverlening via de gemeente. [persoon 2] is betrokken als casusregisseur. Het gezin staat op de wachtlijst voor Goed Genoeg Ouderschap van Juvent; Goed Genoeg Ouderschap zal de omgangsmomenten overnemen op het moment dat er gestart wordt met een observatie van 16 weken in de thuissituatie bij de man. Dat zal plaatsvinden op de omgangsmomenten op woensdag en vrijdag, gedurende 1,5 uur. Daarnaast wordt hetzelfde traject bij de vrouw in de thuissituatie ingezet. Aansluitend wordt er intensieve ambulante gezinsbehandeling ingezet, zodat concreet toegewerkt kan worden naar een passende zorgregeling, met concrete afspraken. Daarin zal (afhankelijk van het advies van Goed Genoeg Ouderschap) toegewerkt worden naar een afbouw van de begeleide omgangsmomenten. Ook zal worden aangestuurd op de inzet van solo parallel ouderschap om het ouderschapsplan vorm te geven en een werkbare manier van communiceren vorm te geven. Mogelijk is hier nog de inzet van bemiddeling nodig. Voor [minderjarige 1] ligt er een voorstel om met word en pictures aan de slag te gaan, zodat zij een individueel traject kan volgen waarin zij haar verhaal kwijt kan bij een neutraal persoon. Tijdens de zitting is gebleken dat de hulpverlening (Goed Genoeg Ouderschap) en het traject voor [minderjarige 1] op dat moment nog niet waren gestart en dat onbekend was wanneer dat zou gaan starten.
De Raad heeft naar aanleiding van genoemd incident extra onderzoek gedaan en een rapportage in briefvorm d.d. 28 april 2026 opgemaakt. Daarin heeft de Raad, kort samengevat, het volgende aangegeven. Het advies omtrent het hoofdverblijf blijft ongewijzigd. Tijdens het onderzoek is duidelijk geworden dat de strijd en last die de minderjarigen ervaren niet zozeer ligt bij het vaststellen van het hoofdverblijf; het is een gevoelsmatige kwestie voor ouders. De vrouw geeft aan altijd al voor de minderjarigen te hebben gezorgd en voor de man voelt het juist niet goed als het hoofdverblijf bij de vrouw is omdat hij van mening is dat hij beter de zorg voor de minderjarigen kan dragen. Het vaststellen van het hoofdverblijf zegt niets zegt over de ouders als opvoeders en verzorgers van de minderjarigen. Volgens ouders heeft moeder voor de scheiding de meeste zorg voor de minderjarigen gedragen en heeft vader meer de financiën en administratie geregeld. De verzoeken omtrent het hoofdverblijf moeten worden aangehouden omdat eerst met de hulpverlening toegewerkt moet worden naar een duidelijke zorgregeling waarin de minderjarigen onbelast bij beide ouders kunnen verblijven alvorens het hoofdverblijf kan worden vastgesteld, aldus de Raad in zijn rapportage in briefvorm.
Ook tijdens de zitting adviseert de Raad nog steeds om de verzoeken omtrent het hoofdverblijf aan te houden. De hulpverlening is van groot belang zodat er inzage in beide opvoedsituaties komt. Eerst moet er zicht moet komen op hoe de zorgregeling eruit moet komen te zien en van daaruit moet worden bekeken waar het hoofdverblijf moet worden bepaald, aldus de Raad.
Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat het hoofdverblijf conform het advies van de Raad kan worden aangehouden. Gelet op de instemming van partijen met het advies van de Raad om de verzoeken omtrent het hoofdverblijf in afwachting van de zorgregeling aan te houden en nu de rechtbank dit advies van de Raad onderschrijft, zullen de verzoeken omtrent het hoofdverblijf worden aangehouden voor de duur van 9 maanden (vanaf het tijdstip van de zitting op 7 mei jl.), op onderstaande wijze.
Omtrent de zorgregeling heeft de vrouw, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Op de dag dat de minderjarigen de man bezoeken zijn er geen problemen; zij willen graag naar de man toe, maar zij willen er niet blijven slapen. De vrouw wil het contact tussen de man en de minderjarigen niet frustreren maar zij heeft wel zorgen over mogelijk seksueel misbruik door de man van [minderjarige 1] . De vrouw wil meewerken aan het hulpverleningstraject. De vrouw heeft nadat zich, zo stelt zij, in januari jl. bij de man thuis opnieuw een incident met [minderjarige 1] heeft voorgedaan, aangifte gedaan van misbruik van [minderjarige 1] door de man. De bevestiging daarvan dateert van 5 maart jl. [minderjarige 1] is op 30 maart jl. gehoord en het politieonderzoek is nog gaande. Hoewel de politie heeft geadviseerd dit stil te houden omwille van zuiverheden, meldt de vrouw tijdens de zitting toch de actuele stand van zaken omdat zij ervoor kiest om geen ‘kiekeboe’ te spelen. Gelet op het advies van de Raad vraagt de vrouw zich af of het leggen van de verantwoordelijkheid of er wel of geen begeleid contact dient plaats te vinden bij de hulpverlening niet een te groot risico is omdat op enig moment uit het politieonderzoek zal komen of er wel of geen vervolging van de man gaat plaatsvinden.
De man heeft, kort samengevat, omtrent de zorgregeling het volgende aangevoerd. Hij heeft in eerste instantie aangevoerd dat hij het er mee oneens is dat de omgang begeleid plaatsvindt. De begeleiding moet zo snel mogelijk van de contacten af nu er geen zorgen over de interactie tussen hem en de minderjarigen zijn. De band tussen hem en de minderjarigen is goed en de minderjarigen zeggen tegen hem dat ze bij hem willen blijven. De vrouw moet niet meer als voorheen bij hem overnachten als de minderjarigen bij hem overnachten; dit hebben ook meerdere instanties geconcludeerd en dit zou afgesloten worden. Er dient een opbouw naar een weekendregeling plaats te vinden met eventueel eerst een dag in het weekend en later een heel weekend waarin de minderjarigen bij hem zijn. Dat kan in 16 weken opgebouwd worden. Daarna wil hij op de co-ouderschapsregeling terugvallen nu dat de beste regeling is. Dat er aangifte is gedaan is een klap in het gezicht voor de man en het past volgens hem in de lijn der verwachting dat de vrouw alles uit de kast haalt om de begeleide omgang gestand te laten doen. De man ontkent het door de vrouw gestelde seksueel misbruik. Mogelijk zal de casusregisseur, indien het advies van de Raad wordt gevolgd en de verantwoordelijkheid voor het al dan niet begeleiden van de contacten wordt bij de casusregisseur neergelegd, terughoudend zijn bij het nemen van de beslissing dat er geen begeleiding van de omgang meer nodig is. Het is goed om in de beschikking te benoemen dat de casusregisseur geen pas op de plaats moet maken in die zin dat de begeleiding gedurende het onderzoek blijft zoals die nu is.
De Raad heeft in genoemde rapportage in briefvorm, d.d. 28 april 2026 opgemaakt, ten aanzien van de zorgregeling, kort samengevat, het volgende geadviseerd. De inzet van professionele hulpverlening is nodig en het verzoek moet in afwachting daarvan worden aangehouden voor 9 maanden. De begeleide omgang dient zo snel als mogelijk te worden uitgebreid en zo mogelijk onbegeleid plaats te vinden. De frequentie en aard van de regeling zijn afhankelijk van hetgeen de hulpverlening signaleert en adviseert en moeten tijdens het traject vorm krijgen. Er moet tevens aandacht zijn voor de zorgen van de vrouw omtrent het seksueel misbruik van [minderjarige 1] en het geweldsdelict en hoe partijen na afloop van het contactverbod veilig contact over de minderjarigen kunnen hebben. Voor de man moet er aandacht zijn om niet in het verleden te blijven hangen en met het filmen van de vrouw en de minderjarigen om aan te tonen dat de opvoedwijze van de vrouw niet correct zou zijn, te stoppen.
Tijdens de zitting heeft de Raad aangegeven op dit moment bij zijn advies te blijven om onder regie van de professionele hulpverlening, als dat in het belang van de minderjarigen is, de begeleide omgang zo spoedig uit te breiden en zo mogelijk onbegeleid te laten plaatsvinden. De Raad acht het te vroeg om nu te adviseren over het verzoek van de man om omgang in het weekend te laten plaatsvinden. De omgang dient op dit moment niet onbegeleid plaats te vinden vanwege de zorgelijke uitspraken omtrent het seksueel misbruik. De Raad doet, conform het advies van de politie, geen uitspraken over het politieonderzoek. De Raad heeft zorgen over de strijd tussen partijen en de positie van de minderjarigen daarin. Daarbij komt het politieonderzoek dat gaande is. De Raad gunt de minderjarigen dat er duidelijkheid komt. De Raad hoopt dat, indien er niets uit het politieonderzoek komt er dan geen ‘ander konijn’ uit de hoed komt. Partijen dienen mee te werken tot de tijd dat de casusregisseur als paraplu boven partijen komt te hangen. De Raad gaat ervan uit dat de casusregisseur de verantwoordelijkheid gaat nemen en als dat niet mogelijk is, dat meldt bij de Raad. Voorts gaat de Raad ervan uit dat de casusregisseur de instanties die nodig zijn, zal inschakelen.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de tussen partijen overeengekomen en bij genoemde beschikking d.d. 26 mei 2025 in de voorlopige voorzieningenprocedure vastgelegde zorgregeling, thans niet meer kan worden uitgevoerd.
Partijen zijn het erover eens dat het verzoek ten aanzien van de zorgregeling in afwachting van de hulpverlening zoals die door de Raad is geadviseerd, dient te worden aangehouden. In geschil tussen partijen was in eerste instantie of de omgang al dan niet begeleid dient plaats te vinden. Tijdens de zitting is gebleken dat er door de vrouw aangifte is gedaan van misbruik van [minderjarige 1] nadat zich, zoals de vrouw stelt, in januari jl. bij de man thuis een (nieuw) incident met betrekking tot [minderjarige 1] heeft voorgedaan en nadat de vrouw daarover een gesprek met Veilig Thuis (hierna: VT) en met de huisarts had gevoerd. Uit de stukken blijkt dat de vrouw al langere tijd vermoedens van seksueel misbruik door de man van [minderjarige 1] had. [minderjarige 1] is inmiddels door de politie gehoord en het politieonderzoek is nog gaande. Uit de conclusie van het eindrapport van VT van 10 maart 2026, welk eindrapport als bijlage bij het briefrapport van de Raad is ingebracht, volgt dat tijdens de betrokkenheid van VT vermoedens zijn gemeld van seksueel misbruik van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft uitspraken gedaan richting de vrouw, de huisarts en de huisartsenpost die opvallend zijn aangaande de zorg rondom seksueel grensoverschrijdend gedrag, aldus VT. VT heeft geen concrete aanwijzingen die bevestigen dat er sprake zou zijn van seksueel misbruik. De huisarts heeft tijdens het onderzoek op 17 januari 2026 geen lichamelijke aanwijzingen gevonden die kunnen duiden op seksueel grensoverschrijdend gedrag maar zag naast de uitspraken ook opvallend gedrag op het gebied van seksualiteit, afstand en nabijheid. Om die reden adviseert VT de omgang vooralsnog begeleid plaats te laten vinden. In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat conform het Raadsadvies, waarmee partijen tijdens de zitting uiteindelijk ook hebben ingestemd, de omgang begeleid en onder regie van de hulpverlening dient plaats te vinden, waarbij, indien dit in het belang van de minderjarigen is, de begeleide omgang zo snel als mogelijk dient te worden uitgebreid en zo mogelijk onbegeleid dient plaats te vinden. De frequentie en aard van de regeling zijn dan afhankelijk van hetgeen de hulpverlening signaleert en adviseert en moeten tijdens het traject vorm krijgen. De rechtbank is voorts met de Raad van oordeel dat er tevens vanuit de hulpverlening aandacht dient te zijn voor de zorgen van de vrouw omtrent het seksueel misbruik van [minderjarige 1] en voor het geweldsdelict dat heeft plaatsgevonden, en ook voor hoe partijen na afloop van het contactverbod veilig contact over de minderjarigen kunnen hebben. Voorts dient er conform het Raadsadvies voor de man aandacht te zijn om niet in het verleden te blijven hangen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het filmen door de man van de vrouw en de minderjarigen (om aan te tonen dat de opvoedwijze van de vrouw niet correct zou zijn) niet bijdraagt aan een verbetering van de onderlinge verstandhouding. De rechtbank geeft de man nadrukkelijk in overweging om hiermee te stoppen. Gezien het vorenstaande zal de definitieve zorgregeling in afwachting van de hulpverlening, zoals deze zal plaatsvinden op de wijze als hierboven onder r.o. 4.17.4 is omschreven en waarbij mevrouw [persoon 2] als casusregisseur van de gemeente is betrokken, voor de duur van 9 maanden (vanaf het tijdstip van de zitting op 7 mei jl.) worden aangehouden.
De Raad wordt verzocht om op basis van de uitkomsten van de hulpverlening de rechtbank te adviseren omtrent de definitieve zorgregeling en het hoofdverblijf van de minderjarigen op de familiekamerrol van dinsdag 9 februari 2027. Vervolgens zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld te reageren op het advies van de Raad alsmede het gewenste verdere procesverloop mede te delen.
De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding om thans een voorlopige zorgregeling vast te stellen voor de komende periode - totdat er een nadere beslissing van de rechtbank is - waarbij de contacten tussen de man en de minderjarigen begeleid plaatsvinden onder regie van de ingezette/in te zetten hulpverlening waarbij, als dat in het belang van de minderjarigen is, de begeleide omgang zo spoedig mogelijk wordt uitgebreid en zo mogelijk onbegeleid plaats zal vinden. De frequentie en aard van de regeling zijn dan afhankelijk van hetgeen de hulpverlening signaleert en adviseert en moeten tijdens het traject vorm krijgen. Deze voorlopige zorgregeling zal worden vastgelegd.
kinderbijdrage
Zoals reeds overwogen heeft de vrouw tijdens de zitting haar verzoek ten aanzien van de kinderbijdrage in de echtscheidingszaak gewijzigd en vraagt zij thans een door de man te betalen kinderbijdrage vast te stellen van € 245,= per minderjarige per maand te vermeerderen met de door de man (te) ontvangen kinderbijslag, met ingang van 1 februari 2026, althans met ingang van de datum van indiening van haar verzoekschrift, dan wel met ingang van de datum van de beslissing, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen.
De man heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna ingegaan.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële
draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn
neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
De rechtbank rondt in de beoordeling de bedragen telkens op hele euro’s af.
Tussen partijen staat vast dat de totale behoefte van de minderjarigen in 2026 € 735,=
per maand per kind bedraagt.
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen
tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt
ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de
behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun
draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de
onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij
inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI –
(0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per
maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij heeft verzuimd in haar
draagkrachtberekening het vakantiegeld mee te nemen en dat het bedrag ad € 30.675,= aan
bruto jaarinkomsten, waar de man in zijn berekening van de draagkracht van de vrouw,
overgelegd als productie 10 in de voorlopige voorzieningenprocedure, vanuit is gegaan, juist
is. De rechtbank gaat daarvan uit. De berekening van de man is gebaseerd op een 32-
urige werkweek van de vrouw en tijdens de zitting zijn partijen het eens geworden dat
daarvan kan worden uitgegaan. De rechtbank zal daar dan ook vanuit gaan.
Nu de vrouw deze door de man overgelegde berekening ook verder niet heeft betwist en de
rechtbank deze berekening, gelet op de zijdens de vrouw (in de voorlopige
voorzieningenprocedure) als productie 11 overgelegde loonstrook niet onrechtmatig of
ongegrond voorkomt, wordt deze berekening verder ook gevolgd. Gelet op hetgeen hierna
wordt overwogen omtrent het voorlopig inschrijfadres van de minderjarigen, wordt dan ook
rekening wordt gehouden met het kindgebonden budget (kgb) en de alleenstaande ouderkop
(aok).
Daaruit volgt een huidig NBI van de vrouw van € 3.210,= per maand.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 617,= per maand.
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende gegevens. Partijen zijn het tijdens de zitting eens geworden dat uitgegaan moet worden van een 35-urige werkweek van de man omdat hij vanaf juni 2026 in verband met de omgangsmomenten, 4 uur per week minder gaat werken. Zoals tijdens de zitting met partijen is besproken en waarmee partijen zich akkoord hebben verklaard, gaat de rechtbank uit van de na de zitting ontvangen pro forma loonstrook die is gebaseerd op een 35-urige werkweek van de man. De rechtbank hanteert voor wat betreft de inkomsten in box 1 de uitgangspunten zoals de man die heeft gehanteerd in de door hem als productie 5 in de echtscheidings-procedure overgelegde draagkrachtberekening nu deze berekening eveneens gebaseerd is op salarisstroken van de man en deze uitgangspunten door de vrouw niet zijn betwist. De man heeft dan volgens de pro forma salarisstrook een bruto inkomen van € 2.807,19 per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een 13de maand. Voorts wordt rekening gehouden met een pensioenpremie van € 184,46 per maand. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 2.661,= per maand.
De totale draagkracht van de man is dan volgens de formule € 349,= per maand.
Partijen zijn het erover eens dat rekening moet worden gehouden met een maandelijks bedrag van € 236,= dat de man ten behoeve van haar kosten van levensonderhoud en studie aan [kind] betaalt.
De draagkracht van de man ten behoeve van de minderjarigen is dan € 113,= per maand.
Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van de minderjarigen van € 735,= per minderjarige per maand.
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 5%. Nu de behoefte van
de minderjarigen € 735,= per maand per minderjarige bedraagt, beloopt de zorgkorting een
totaalbedrag van € 74,= per maand.
Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen om in de
behoefte van de minderjarigen te voorzien meer dan tweemaal zo groot is als de zorgkorting
waar de man recht op heeft, moet de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht in
de kosten van de minderjarigen voorzien.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage
vaststellen op € 57,= per maand per kind. Deze bijdrage zal, in tegenstelling tot hetgeen
tijdens de zitting is aangekondigd, in afwachting van de definitieve beslissing over het
hoofdverblijf van de minderjarigen en de zorgregeling, als voorlopige kinderbijdrage worden
vastgesteld. Omdat partijen het daarover ter zitting eens geworden zijn, zal de ingangsdatum
per heden worden vastgesteld.
De beslissing omtrent de definitieve kinderbijdrage zal, in afwachting van de
definitieve beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling, worden aangehouden en
verwezen naar de familiekamerrol van dinsdag 9 februari 2027.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van
deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel
uit.
kinderbijslag, toeslagen en inschrijving op adres in de basisregistratie personen (BRP)
Bij de berekening van de kinderalimentatie is de rechtbank ervan uitgegaan dat de vrouw rechthebbende is op de kinderbijslag en de overige toeslagen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de kinderen al geruime tijd het merendeel van de tijd bij de vrouw verblijven. Op het moment van de zitting stonden de minderjarigen evenwel ingeschreven op het adres van de man en ontving de man de kinderbijslag en de toeslagen. Tijdens de zitting is gebleken dat partijen geen afspraken hebben kunnen maken
over de (verdeling van de) kinderbijslag en de toeslagen. Tijdens de zitting is eveneens
gebleken dat een voorlopige beslissing omtrent het hoofdverblijf of de toevertrouwing van
de minderjarigen aan de een of de ander dermate emotionele reacties bij partijen oproept dat
het gevaar reëel aanwezig is dat hierdoor de communicatie tussen partijen nog verder
verslechtert met alle gevolgen van dien voor de minderjarigen. Zoals met partijen ter zitting
is besproken, zal de rechtbank een dergelijke beslissing dan ook niet nemen. Wel zal de
rechtbank, zoals eveneens met partijen is besproken, een beslissing nemen over de
inschrijving van de minderjarigen op het BRP adres van de man of de vrouw, zodat duidelijk
is wie van beide ouders aanspraak kan maken op de kinderbijslag en de overige toeslagen.
De rechtbank zal bepalen dat de minderjarigen, nu zij het merendeel van de tijd bij de vrouw
verblijven, voorlopig in de BRP dienen te worden ingeschreven op het woonadres van de
vrouw, zulks in afwachting van de beslissing omtrent het hoofdverblijf en de definitieve
zorgregeling van de minderjarigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de
vrouw verzocht, de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de aanvraag
door de vrouw bij de desbetreffende instanties van de kinderbijslag en toeslagen, nu de
vrouw niet nader heeft onderbouwd waarom zulks noodzakelijk is en wat er in dit verband
van de man wordt verwacht.
5. De beslissing
De rechtbank
in de zaak C/02/415396 FA RK 23-5058 (echtscheiding)
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen op [datum] 2015 te [plaats 2] , Togo, met elkaar gehuwd;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen
1. [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1] en
2. [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats 1] ;
voorlopig in de basisregistratie personen moeten worden ingeschreven op het woonadres van de vrouw;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad dat de man en voornoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van begeleide contacten met elkaar onder regie van de ingezette/nog in te zetten hulpverlening, zoals nader omschreven onder r.o. 4.17.12. van deze beschikking;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de echtelijke woning te [plaats 1] , [adres] ;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man voorlopig met ingang van heden ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 57,= per maand per kind;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg
om op basis van de uitkomsten van de hulpverlening de rechtbank op de familiekamerrol van dinsdag 9 februari 2027 te adviseren omtrent de definitieve zorgregeling en het hoofdverblijf van de minderjarigen, zoals overwogen in r.o. 4.17.11;
houdt de beslissing op de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf, de definitieve zorgregeling en de definitieve kinderbijdrage aan tot 9 februari 2027 pro forma;
wijst af het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man zijn medewerking verleent dat aan de vrouw de kinderbijslag wordt uitgekeerd en dat de vrouw de toeslagen (kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop) kan aanvragen;
in de zaak C/02/434603 FA RK 25-2093 (voorlopige voorzieningen)
wijst af het verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.