beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/409850 / FA RK 23-2422
datum uitspraak: 30 juni 2026
nadere beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: voorheen mr. E.A.G. van Acker in Sint Jansteen (gedesisteerd op 11 november 2024),
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden in Terneuzen.
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna: [minderjarige] .
Informant in deze procedure is:
de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Middelburg.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)
heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het verdere procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 6 mei 2024 en alle daarin vermelde stukken;
- het e-mailbericht met bijlage van de GI van 10 maart 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van den Branden van 12 maart 2025;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 maart 2025;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van den Branden van 28 mei 2026.
Het verzoek is voortgezet mondeling behandeld op 2 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Ook waren een vertegenwoordiger namens de GI en een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
2. De verdere beoordeling
De rechtbank verwijst naar de beschikking van 6 mei 2024. In deze beschikking heeft de rechtbank een informatie- en consultatieregeling vastgesteld, waarbij de vrouw eenmaal per week in het weekend de man per e-mailbericht dient te informeren en consulteren over de ontwikkelingen van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022 en andere belangrijke zaken met betrekking tot de minderjarige, waarbij zij ook een duidelijke kleurenfoto of filmpje van de minderjarige dient te voegen. Daarnaast is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] bepaald. Het verzoek van de man inzake de verdeling van de verzorgings- en opvoedingstaken is afgewezen. Het verzoek van de man inzake het gezamenlijk gezag is aangehouden in afwachting van berichtgeving van de GI over de ontwikkelingen, de inzet en de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling en de schriftelijke reacties van (de advocaten) van beide partijen.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 maart 2025 volgt dat het verzoek van de man om gezamenlijk met het gezag te worden belast is aangehouden voor de duur van zes maanden omdat er in het kader van de ondertoezichtstelling nog te weinig concrete stappen zijn gezet.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025 blijkt dat het verzoek van de man om gezamenlijk met het gezag te worden belast is aangehouden tot de mondelinge behandeling van 19 november 2025 omdat er in het kader van de ondertoezichtstelling wederom nog te weinig concrete stappen zijn gezet.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 november 2025 volgt er sinds de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025 nog te weinig concrete stappen zijn gezet. Wel is er een plan van de GI, zodat er in het verdere vervolg duidelijkere stappen kunnen worden gezet. Het verzoek van de man om gezamenlijk met het gezag te worden belast is om die redenen pro forma aangehouden tot 27 maart 2026.
Ter beoordeling ligt nog aan de rechtbank voor het verzoek van de man om hem samen met de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige] .
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek gehandhaafd. Hij wil graag samen met de vrouw beslissingen nemen over [minderjarige] en is bereid om te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie, bijvoorbeeld middels een ouderschapsbemiddelingstraject. Het liefst was de man hier al mee begonnen. In de afgelopen periode is echter vooral gefocust op de omgang tussen de man en [minderjarige] . Op dit moment ziet de man [minderjarige] op vrijdagmiddag voor de duur van één uur, maar de omgangsregeling wordt deze maand uitgebreid.
De vrouw verwijst naar de raadsrapportage van 2024, waaruit volgt dat de Raad gezamenlijk gezag op dat moment niet in het belang van [minderjarige] achtte omdat er een reëel risico was dat [minderjarige] klem of verloren zou raken. Dit advies is volgens de vrouw nog steeds actueel. De situatie is namelijk onveranderd. Er is nog steeds geen sprake van onderlinge communicatie tussen partijen en de vrouw ziet daar evenmin een basis voor. De vrouw is nog steeds angstig voor de man en zij heeft niet het gevoel dat er een veilige basis is die maakt dat zij rechtstreeks met de man kan communiceren. Dit komt ook doordat de zorgen van de vrouw over de emotieregulatie van de man niet zijn weggenomen. De vrouw had gehoopt dat de man hier in het kader van de ondertoezichtstelling met behulp van hulpverlening aan zou gaan werken, maar dit is niet gebeurd. Evenmin is ouderschapsbemiddeling opgestart. Hierdoor is de situatie hetzelfde als ten tijde van de indiening van het verzoek en de vrouw is van mening dat onder deze omstandigheden niet van haar kan worden gevraagd dat zij met de man gaat overleggen over [minderjarige] . Er is geen basis voor gezamenlijk gezag en gelet op de behoefte van de vrouw aan duidelijkheid en rust, wenst de vrouw geen verdere aanhouding van de beslissing op het verzoek. Het verloop van deze procedure heeft namelijk forse impact op de vrouw. Om die reden verzoekt de vrouw het voorliggende verzoek af te wijzen.
De GI licht toe dat de focus in de afgelopen periode heeft gelegen op het opstellen van een faseplan zodat er meer rust en duidelijkheid zou komen over de omgang tussen [minderjarige] en de man. De GI merkte namelijk dat hierover voortdurend sprake was van onrust tussen partijen. In dit faseplan is opgenomen dat de begeleide omgang eerst wordt uitgebreid in tijd en vervolgens wordt toegewerkt naar omgang bij de man thuis. De GI hoopt dat door de gefaseerde opbouw rust en duidelijkheid zal ontstaan, zodat vervolgens kan worden gewerkt aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie middels mediation of een ouderschapsbemiddelingstraject. Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is namelijk een vorm van communicatie nodig tussen partijen en daarvan is op dit moment nog geen sprake.
De Raad adviseert de beslissing op het verzoek aan te houden. Het uitgangspunt is gezamenlijk gezag, maar de Raad ziet risico’s dat [minderjarige] klem of verloren zou raken als het verzoek van de man op dit moment zou worden toegewezen. Er is namelijk geen sprake van communicatie tussen partijen. Om de onderlinge oudercommunicatie te verbeteren, acht de Raad een ouderschapsbemiddelingstraject niet passend. De inzet van een parallel solo ouderschapstraject zou passender zijn, zodat een meer zakelijke vorm van communicatie tussen partijen kan worden opgestart waarbij de GI eventueel als tussenpersoon kan worden betrokken. Op die manier zou de communicatie met de man minder effect hebben op de vrouw, terwijl er wel onderlinge communicatie tot stand kan worden gebracht op basis waarvan partijen gezamenlijk beslissingen zouden kunnen nemen over [minderjarige] . Daarnaast adviseert de Raad om de MASIC in te zetten zodat kan worden bezien wat er mogelijk is aan hulpverlening.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat in de afgelopen periode door de GI vooral is gefocust op het opstellen van een faseplan ten aanzien van de omgang tussen de man en [minderjarige] zodat hierover meer rust en duidelijkheid zou ontstaan. Hoewel er in 2025 wel een kennismakingsgesprek is geweest voor een ouderschapsbemiddelingstraject, is hier geen vervolg aan gegeven omdat er nog te veel onrust was tussen partijen over de omgangsregeling. Er is hierdoor nog niet gewerkt aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie. Door het opstellen van het faseplan, waarin is vastgelegd dat de omgang tussen de man en [minderjarige] gefaseerd zal worden uitgebreid, zal er naar verwachting meer rust en duidelijkheid ontstaan rondom de omgang. Daardoor komt er bij partijen mogelijk meer rust voor een traject ter verbetering van de onderlinge oudercommunicatie. Hoewel door de GI is aangegeven dat zij daarvoor mediation of een ouderschapsbemiddelingstraject willen inzetten, is tijdens de mondelinge behandeling door de Raad toegelicht dat moet worden onderzocht of een parallel solo ouderschaps-traject in deze situatie passender is gelet op de angst en spanningen die de vrouw ervaart ten aanzien van de communicatie met de man. Op die manier zou een meer zakelijke vorm van communicatie tussen partijen tot stand kunnen worden gebracht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank – met de Raad – van oordeel dat het verloop hiervan nu eerst moet worden afgewacht voordat een beslissing kan worden genomen op het voorliggende verzoek. Op die manier kan duidelijk worden hoe de situatie zich in de komende periode ontwikkelt en of het partijen lukt om een zakelijke manier van communiceren tot stand te brengen in het belang van [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beslissing op het verzoek aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling en de onderlinge oudercommunicatie. De rechtbank verzoekt de GI om uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum via een briefrapport de rechtbank, de man, de advocaat van de vrouw en de Raad te voorzien van informatie over het verloop van de ondertoezichtstelling, het verloop van de onderlinge oudercommunicatie en de actuele stand van zaken. Vervolgens zal een nadere mondelinge behandeling worden gepland. Ingeval de GI overgaat tot een verzoek ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling, zal geprobeerd worden deze twee verzoeken samen te behandelen.
3. De beslissing
De rechtbank
houdt de beslissing op het verzoek aan tot dinsdag 16 februari 2027 PRO FORMA, in afwachting van de briefrapportage van de GI;
houdt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.