beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/399964 / FA RK 22-3347
datum uitspraak: 1 juli 2026
beschikking
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. M.C.M.E. Schijvenaars uit Vlissingen, nu geen,
tegen
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Wouters uit Middelburg,
over de minderjarige:
- [minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015,
hierna te noemen: [minderjarige].
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft
de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 3 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het F-formulier van mr. Wouters van 24 november 2025, met bijlagen;
- het F-formulier van mr. Schijvenaars van 9 februari 2025.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 12 mei 2026. Bij die behandeling is gekomen de vrouw bijgestaan door mr. N. Wouters ter vervanging van mr. R. Wouters. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
De man was niet aanwezig op zitting, terwijl hij hiervoor wel op de juiste manier is uitgenodigd.
[minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van de verzoeken vindt, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2. 2. De verdere beoordeling
Bij rechtbank verwijst naar haar beschikking van 3 juni 2025. In deze beschikking heeft de rechtbank:- bepaald dat er een voorlopige omgangsregeling is tussen [minderjarige] en de man, waarbij het contactherstel en de verdere opbouw van het contact tussen hen onder regie van Vivet plaatsvindt en waarbij in ieder geval voorafgaand aan het contactherstel een gesprek tussen [minderjarige] en de man plaatsvindt op neutraal terrein en met professionele begeleiding e.e.a. zoals overwogen in r.o. 2.9.6 van die beschikking;
- een definitieve beslissing op het verzoek van de man met betrekking tot de omgangsregeling en het gezag aangehouden en advocaten van partijen verzocht zich uiterlijk op 25 november 2025 uit te laten over de ontwikkelingen tot die tijd en wat dat betekent voor het nog voorliggende verzoek en de gewenste voortgang voor de procedure.
Standpunten
De man heeft verzocht te bepalen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat:
- tussen de man en [minderjarige] een omgangsregeling geldt waarbij het [minderjarige] een weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag 15.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man verblijft, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, althans een omgangsregeling vast te stellen tussen de minderjarige en de man welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- hij samen met de vrouw het ouderlijk gezag uitoefent over [minderjarige].
Door en namens de vrouw is verweer gevoerd tegen deze verzoeken van de man. Bij F-formulier van 24 november 2025 en tijdens de zitting heeft zij het volgende aangevoerd. De man is de toezegging dat hij zou meewerken aan een gesprek tussen hem en [minderjarige] op neutraal terrein en onder professionele begeleiding, niet nagekomen. Op 4 september 2025 heeft de man telefonisch aan de casusregisseur van de gemeente laten weten dat hij niet gaat meewerken aan de begeleide bezoeken. Dit blijkt uit de e-mail van de casusregisseur van de gemeente Middelburg van 19 september 2025 aan de vrouw. De man wenst dus geen uitvoering te geven aan de voorlopige zorgregeling en wil ook niet toewerken naar een structurele zorgregeling. Tijdens het telefoongesprek van de man met de casusregisseur heeft de man ook gezegd dat [minderjarige] hem altijd mag bellen, maar er hebben na de zitting van 6 mei 2025 ook geen telefoongesprekken meer plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de man. De man heeft de vrouw geblokkeerd en als zij hem via een ander telefoonnummer probeert te bereiken, hangt hij op zodra hij doorheeft dat zij het is. Wat haar betreft heeft de man inmiddels voldoende kansen gekregen om te laten zien dat hij er wel kan zijn voor [minderjarige]. De vrouw verzoekt daarom de verzoeken van de man af te wijzen (voor zover de man deze nu nog handhaaft). Mocht de man in de toekomst toch weer contact wensen met [minderjarige] dan staat de vrouw open voor begeleide telefonische contacten. De man weet hoe hij haar kan bereiken en de vrouw is prima in staat om deze contacten in dat geval zelf te regelen met behulp van de gemeente en hulpverlening.
De Raad kan zich vinden in het standpunt van de vrouw. Tijdens de vorige zitting heeft vader aangegeven dat hij graag contact wil, maar uit de e-mail van de casusregisseur, de onttrekking door de advocaat van de man omdat hij geen contact met de man krijgt en het feit dat vader niet aanwezig is tijdens de zitting, maakt de Raad op dat vader blijkbaar niet in het leven van zijn zoon wil zijn. Ook kan er geen sprake zijn van gezamenlijk gezag gezien de manier waarop vader zich opstelt. De Raad vindt daarom dat er geen grond is voor de verzoeken die vader heeft gedaan en adviseert de rechtbank deze verzoeken af te wijzen.
Gezag
De rechtbank overweegt als volgt over het verzoek van de man om hem samen met de vrouw het gezag te geven over [minderjarige]. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de ouder van een kind de rechtbank kan verzoeken hem samen met de moeder het gezag te geven. Dit kan alleen als hij het gezag mag krijgen en hij dit gezag niet al eerder met de moeder heeft gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als:
- het risico bestaat dat het kind anders klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt of
- dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank is van oordeel, in overeenstemming met het advies van de Raad, dat het verzoek van de man moet worden afgewezen en overweegt daarbij als volgt. Voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag is vereist dat partijen als ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg (kunnen) nemen, althans dat ouders ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond [minderjarige] (kunnen) voordoen, zodanig dat hij niet klem of verloren raakt tussen zijn ouders. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake van is. De vrouw is namelijk niet in staat om in gezamenlijk overleg met de man (gezags) beslissingen te nemen over [minderjarige], omdat de man geen contact met haar wenst. Zodra de man doorheeft dat de vrouw hem belt, hangt hij op. Hierdoor bestaat, als het verzoek van de man wordt toegewezen, de kans dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen zijn ouders omdat het nemen van (gezags)beslissingen over hem stagneert en naar het oordeel van de rechtbank is niet te verwachten dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt.
Ook moet een ouder, om het gezag goed te kunnen invullen, bekend zijn met de ontwikkeling van zijn kind en weten wat het kind bezighoudt. Nu er al een jaar geen contact is tussen de man en [minderjarige], is de man niet in staat om beslissingen over [minderjarige] te nemen die passen bij zijn belevingswereld en die recht doen aan zijn belangen. Naar het oordeel van de rechtbank is afwijzing van het verzoek van de man daarom ook noodzakelijk in het belang van [minderjarige].
Omgangsregeling
De rechtbank overweegt als volgt over het verzoek van de man om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem [minderjarige]. Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De rechtbank overweegt dat de man, ondanks zijn eerdere -uitdrukkelijke- toezeggingen tijdens de vorige zitting, heeft geweigerd mee te werken aan het tijdens die zitting afgesproken traject om te komen tot contactherstel en omgang met [minderjarige]. Hierdoor heeft er inmiddels al een jaar geen fysiek en telefonisch contact tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden. De man wenst -zo begrijpt de rechtbank- wel contact met [minderjarige], maar enkel op zijn voorwaarden. Dit acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige]. Niet gebleken is dat de noodzaak van de in het afgesproken traject opgenomen voorwaarden om te komen tot contactherstel en omgang met [minderjarige] niet langer aanwezig zijn. De man is daarnaast niet verschenen op de zitting, zodat ook onvoldoende duidelijk is geworden op welke wijze de man een rol wil en kan spelen in het leven van [minderjarige]. Tegen deze achtergrond is de rechtbank, net als de Raad, van oordeel dat het verzoek van de man moet worden afgewezen.
3. De beslissing
De rechtbank
wijst de verzoeken van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Krocké, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.