ECLI:NL:RBZWB:2026:7066

ECLI:NL:RBZWB:2026:7066

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-07-2026
Datum publicatie 01-08-2026
Zaaknummer C/02/439298 FA RK 25-4438
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Gezamenlijk gezag door erkenning na 1-1-23. Art. 1:251b BW. Geen aantekening in gezagsregister. Partijen eens over zorgregeling en KAL.

Uitspraak

2. De feiten

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast.

- Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

- Uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1];

2. [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats 2].

- Genoemde kinderen zijn door de man erkend.

- De minderjarigen verblijven bij de vrouw.

- Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

- Er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake het hoofdverblijf van de minderjarigen en de omgang/verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

- Er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen moet voldoen.

3. De verzoeken

De vrouw verzoekt nu, samengevat:

De man verzoekt, samengevat:

- partijen, voor zover nodig, te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen;

- bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw;

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

- te bepalen dat wat de man over de periode van 22 juli 2025 tot de datum van indiening van zijn verweerschrift als bijdragen in de kosten van de kinderen heeft betaald

wordt gelijk gesteld aan hetgeen hij over die periode is verschuldigd;

- vaststelling van een met ingang van 1 juli 2026 door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 93,= per maand per kind, althans met ingang van een zodanige datum en een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

4. De beoordeling

Gezag

De man heeft beide kinderen op 25 september 2025 erkend. Hiermee is per die datum ook het gezamenlijk gezag van partijen over beide kinderen ingegaan.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Met ingang van 1 januari 2023 is de Wet gezamenlijk gezag door erkenning in werking getreden. Die heeft tot gevolg dat een erkenning die heeft plaatsgevonden na 1 januari 2023, op grond van artikel 1:251b van het Burgerlijk Wetboek, in beginsel gezamenlijk ouderlijk gezag met zich meebrengt. De moeder en de erkenner kunnen samen beslissen dat na de erkenning toch alleen de moeder het gezag uitoefent. De moeder en de erkenner verklaren dit dan bij de erkenning. De ambtenaar van de burgerlijke stand meldt dan aan de griffier die het gezagsregister bijhoudt dat de moeder en de erkenner deze verklaring hebben afgelegd. De griffier tekent dit dan aan in het gezagsregister.

Beide partijen gaan ervan uit dat zij met de erkenning ook het gezamenlijk gezag hebben geregeld. Op het afschrift van de geboorteaktes met de latere vermelding van de erkenning en in het gezagsregister is niets vermeld met betrekking tot het gezag; dit betekent dat partijen (vanaf 25 september 2025) gezamenlijk het gezag hebben over hun beide kinderen.

Omdat partijen al gezamenlijk gezag hebben, wordt het verzoek van de man met betrekking tot het gezag afgewezen.

Hoofdverblijf

De verzoeken tot bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw

liggen als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.

Zorg- en contactregeling

Partijen zijn het eens over de regeling die vanaf januari 2026 loopt, waarbij de kinderen in de oneven weken van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de man verblijven en de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw.

Op zitting hebben partijen afgesproken dat hun zoon [minderjarige 2] daarnaast een extra dag door de week bij de man verblijft, op maandag, woensdag of vrijdag (omdat [minderjarige 2] op dinsdag en donderdag naar de opvang gaat). De man haalt [minderjarige 2] die extra dag op van school en brengt hem weer thuis bij de vrouw. De man heeft aangegeven dat hij geen vaste dag vrij kan hebben. Hij krijgt zes weken van tevoren zijn werkrooster en weet dan zeker welke dag hij vrij is en zal dat op dat moment aan de vrouw doorgeven.

Partijen zijn het er ook over eens dat hun dochter [minderjarige 1] niet de behoefte heeft aan een extra doordeweekse dag bij de man; zij gaat naar de middelbare school en kan alleen thuis blijven. Als zij dat wil, kan zij op de dag dat [minderjarige 2] naar de man gaat, ook mee komen.

De man is op die dag in ieder geval verantwoordelijk voor de beide kinderen. Dit betekent ook dat de man het eerste aanspreekpunt is voor [minderjarige 1] als er die dag iets zou zijn met haar.

Partijen hebben verder afgesproken dat de kinderen in de zomervakantie twee weken aaneengesloten bij de man zijn. Dit jaar is dat vanaf 11 juli.

In de mei- en kerstvakantie zullen de kinderen drie (extra) dagen bij de man verblijven, in beginsel aansluitend aan zijn omgangsweekend. De man zal de vrouw zes weken van tevoren berichten welke dagen dit zijn. Partijen zijn het er ook over eens dat in de vakanties de vrouw de kinderen naar de man brengt en dat de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw.

Kinderalimentatie

De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de minderjarigen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen.

Partijen verschillen van mening over de vraag of zij in gezinsverband met elkaar hebben samengeleefd. De vrouw stelt (primair) dat partijen hebben samengewoond, zodat de behoefte van de kinderen moet worden berekend op basis van het gezinsinkomen.

De man heeft gemotiveerd betwist dat sprake is geweest van samenwoning van partijen, zodat de behoefte van de kinderen moet worden bepaald door het gemiddelde te nemen van de afzonderlijke behoeftes berekend op basis van het inkomen van ieder van de ouders.

Na bespreking van de standpunten van partijen met betrekking tot de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen hebben zij, na een schorsing van de zitting, overeenstemming bereikt over de door de man te betalen kinderalimentatie.

Partijen hebben afgesproken dat de man met ingang van 1 juli 2026 een bedrag van € 93,= per maand per kind aan de vrouw zal gaan voldoen. De rechtbank stelt vast dat de kinderen aan, in ieder geval, dit bedrag behoefte hebben en zal de overeengekomen bijdrage vaststellen. Dit maakt dat de behoefte niet nader beoordeeld hoeft te worden.

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de minderjarigen

1. [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1];

2. [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats 2].

hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;

bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de oneven weken van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur en gedurende een deel van de vakanties en feestdagen, zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.5, nader in onderling overleg door partijen te regelen, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen terug naar de vrouw brengt;

bepaalt dat de man en [minderjarige 2] daarnaast gerechtigd zijn tot contact op een extra doordeweekse dag, waarbij de man [minderjarige 2] ophaalt van school en terug brengt naar de vrouw, met inachtneming van het bepaalde in rechtsoverweging 4.4;

bepaalt dat de man met ingang van 1 juli 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van € 93,= (drieënnegentig euro) per maand per kind;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Willemsen en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand