RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/448815 / JE RK 26-955 (machtiging gesloten plaatsing)
C/02/448041 / JE RK 26-806 (verlenging ondertoezichtstelling)
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp en een verlenging van een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. N. Wouters uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer C/02/448815 / JE RK 26-955:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juni 2026;
het bericht van de GI van 16 juni 2026 met als bijlage een instemmingsverklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper.
In zaaknummer C/02/448041 / JE RK 26-806:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] (via een telefonische verbinding) met mr. Vriend als waarnemend advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 4 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 juli 2025. Deze ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst per beschikking van 25 juni 2025, welke is hersteld bij beschikking van 31 juli 2025, en tot 4 juli 2026.
Bij beschikking van 2 april 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 2 april 2025 en tot 4 juli 2025.
Bij beschikking van 5 juni 2025 is een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te
plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor met ingang van 5 juni
2025 tot 19 juni 2025.
Bij beschikking van 11 juni 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis
te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 juni 2025 en
tot 4 juli 2025. Deze machtiging is hierna steeds opnieuw verleend, voor het laatst bij
beschikking van 5 december 2025 voor de periode van 11 december 2025 tot 11 maart 2026.
Bij beschikking van 6 maart 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit
huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 maart
2026 en tot 25 maart 2026.
Bij beschikking van 19 maart 2026 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 19 maart 2026 en tot 4 juli 2026.
[minderjarige] verblijft op basis van deze beschikking bij [accommodatie] .
3. De verzoeken
In zaaknummer C/02/448815 / JE RK 26-955:
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
In zaaknummer C/02/448041 / JE RK 26-806:
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
In zaaknummer C/02/448815 / JE RK 26-955:
[minderjarige] heeft in haar gesprek met de kinderrechter aangegeven dat ze niet inziet waarom ze langer bij [accommodatie] zou moeten blijven. De bedoeling is dat ze binnenkort zes dagen verlof heeft en dan bij de moeder verblijft en dan één dag bij [accommodatie] verblijft. In de visie van [minderjarige] kan ze dan net zo goed helemaal naar huis.
De GI geeft aan dat [minderjarige] al langere tijd een hardnekkig patroon laat zien van zelfbepalend, grensoverschrijdend en risicovol gedrag. Dit uit zich onder meer in haar moeite met emotieregulatie, een beperkte mate van zelfreflectie en een neiging tot terugtrekking. Daarnaast is sprake van sombere gedachten en het aangaan van contacten die als onveilig worden beoordeeld. Deze gedragingen versterken elkaar en bemoeilijken het doorbreken van het patroon.
De gesloten plaatsing biedt op dit moment het noodzakelijke kader om [minderjarige] te beschermen tegen verdere schade en om onder regie van de GI te blijven werken aan de noodzakelijke voorwaarden voor een veilige terugkeer naar huis. Een open setting of voortijdige beëindiging van de gesloten plaatsing brengt een aanzienlijk risico op terugval in onveilig gedrag met zich mee. Gelet op het voorgaande wordt de voortzetting van de gesloten plaatsing als noodzakelijk en proportioneel beoordeeld.
In de komende periode zal binnen de verlenging gericht worden gewerkt aan het realiseren van een passende en structurele daginvulling, waarbij het doel is dat [minderjarige] consequent naar school gaat en hierin stabiliteit laat zien. Daarnaast wordt ingezet op het voorkómen van escalaties door het versterken van emotieregulatie en het bieden van duidelijke kaders en begeleiding. [accommodatie] zal een sociaal emotioneel onderzoek bij [minderjarige] afnemen. Daarnaast is [accommodatie] in staat om verder diagnostisch onderzoek af te nemen maar is nog onduidelijk of [minderjarige] hier voldoende motivatie voor heeft omdat ze zelf geen vragen hierover heeft. Daarnaast kan de schematherapie één op één weer geboden worden aan [minderjarige] , echter ziet ook hiervan [minderjarige] geen noodzaak om dit te hervatten.
Tevens is het van belang dat moeder actief open blijft staan voor hulpverlening en dat de
samenwerking met betrokken partijen wordt versterkt. Parallel hieraan zal het verlof zorgvuldig worden opgebouwd en uitgebreid van de omgang, passend bij de ontwikkeling en draagkracht van zowel [minderjarige] als moeder, zodat toegewerkt kan worden naar een verantwoorde terugplaatsing.
De advocaat van [minderjarige] geeft aan dat [minderjarige] al vier dagen per week naar de moeder gaat. Daarvan heeft [minderjarige] te horen gekregen dat dit uitgebreid zal worden naar zes dagen per week. De advocaat verzoekt om de verlenging van de gesloten plaatsing slechts voor één maand toe te wijzen, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Op die manier wordt ervoor gewaakt dat de gesloten plaatsing langer duurt dan noodzakelijk en heeft de GI een maand om de voorwaarden voor een voorwaardelijke machtiging te onderzoeken. Er is al een voorgesprek en een intakegesprek met de Viersprong geweest.
In zaaknummer C/02/448041 / JE RK 26-806:
De GI stelt dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.
Doordat de moeder langere tijd geen duidelijke begrenzing aan [minderjarige] heeft gegeven lijkt er op dit moment dat de moeder en [minderjarige] meer in een vriendinnenrelatie zitten dan een ouder en kind relatie. [minderjarige] lijkt het gewend te zijn om niet de eerste prioriteit te zijn maar durft dit vanuit loyaliteit onvoldoende te uiten. Daarnaast is de thuis- en opvoedsituatie bij de moeder op dit moment onvoldoende stabiel en voorspelbaar om de ontwikkelingsbedreiging zelfstandig af te wenden. De ondertoezichtstelling biedt het juridisch kader om regie te voeren, de veiligheid van [minderjarige] te bewaken, hulpverlening te coördineren en toe te werken naar een zo stabiel en duurzaam mogelijk opvoedperspectief.
5. De beoordeling
In zaaknummer C/02/448815 / JE RK 26-955:
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
De kinderrechter licht dit als volgt toe. Er is bij [minderjarige] sprake van zelfbepalend gedrag wat zichtbaar is in vrijwel alle domeinen van haar functioneren. [minderjarige] heeft moeite met het accepteren van sturing en grenzen van volwassenen, wat maakt dat zij vaak keuzes maakt die niet in haar eigen belang zijn en die haar veiligheid in gevaar kunnen brengen. Ook is er sprake van een verhoogd risico op terugval in dit gedrag. Gezien de langdurigheid en hardnekkigheid van dit patroon is het aannemelijk dat [minderjarige] zonder gerichte en passende behandeling onvoldoende in staat is om deze gedragslijn zelfstandig te doorbreken.
Op dit moment staat de moeder volgens de informatie van de GI nog niet achter een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar. Ook moet er nog het een en ander geregeld worden, voordat [minderjarige] volledig terug thuis bij de moeder geplaatst kan worden. Zo is het van belang dat FFP van de Viersprong geregeld is, maar ook zal er een voorwaardelijke machtiging nodig zijn en moeten er daarvoor eerst in samenspraak met [accommodatie] en [minderjarige] voorwaarden besproken, doorgenomen en op papier gezet worden. Voorwaarden zijn onder andere dat school/dagbesteding en ambulante jeugdhulp geregeld zijn.
Omdat het van belang is dat [minderjarige] bij de start van het nieuwe schooljaar aanwezig kan zijn, machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee maanden. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de hieronder opgenomen zittingsdatum. Mocht de GI alsnog een voorwaardelijke machtiging gaan verzoeken, dan dient de GI door te geven aan de griffie dat dit verzoek tegelijk behandeld kan worden met het resterende deel van deze zaak.
In zaaknummer C/02/448041 / JE RK 26-806:
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Er is bij haar sprake van zelfbepalend gedrag, welke mogelijk mede is veroorzaakt doordat de moeder gedurende langere tijd onvoldoende grenzen aan/voor [minderjarige] heeft gesteld. De moeder wil betrokken zijn bij [minderjarige] , maar kan niet altijd de juiste prioriteiten stellen. Er is tussen [minderjarige] en de moeder een patroon van aantrekken en afstoten ontstaan wat doorbroken moet worden. Ook is het van belang dat de moeder haar eigen emoties gaat reguleren, opvoedkundig consequent gaat (en blijft) handelen en blijft samenwerken met de hulpverlening. is Het is van belang dat de emoties en spanningen van de moeder niet meer doorwerken in het contact tussen de moeder en [minderjarige] , zodat [minderjarige] zich niet afgewezen of onveilig voelt.
Omdat het de vader niet altijd lukt om zich aan de omgangsafspraken te houden, is hierin regie en monitoring door de GI noodzakelijk. Voor [minderjarige] is het van belang dat de contacten met de vader structureel en voorspelbaar zijn.
Gelet op het voorgaande kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.
De kinderrechter zal het onweersproken verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar toewijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/448815 / JE RK 26-955:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 juli 2026 en tot 4 september 2026;
houdt het resterende deel van het verzoek van de GI aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] (voor de duur van 45 minuten) bij mr. De Beer, kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het gerechtsgebouw aan de Kousteensedijk 2 (4331 JE) te Middelburg;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor de GI, (de advocaat van) [minderjarige] en de moeder voor zitting van [datum] 2026 om [uur] en bepaalt dat de vader als informant apart zal worden opgeroepen;
In zaaknummer C/02/448041 / JE RK 26-806:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 4 juli 2026 en tot 4 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier en op schrift gesteld op 9 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.