RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448766 / JE RK 26-946
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Ondanks behoorlijke oproeping is de vader niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun mening aan de kinderrechter te geven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Bij beschikking van 28juni 2012 is [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van
[stichting] met ingang van 28juni 2012 en tot 28 september 2012.
Bij beschikking van 13 september 2012 is [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van
[stichting] met ingang van 28 september 2012 en tot 28 september
2013.
Bij beschikking van 13 februari 2014 is [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van
[stichting] met ingang van 13 februari 2014 en tot 13 februari 2015.
Bij beschikking van 13 februari 2018 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld
van Stichting Intervence met ingang van 13 februari en tot 13 februari 2019. De
ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van
30 januari 2020 en tot 13 februari 2021.
Bij beschikking van 9 juli 2024 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 9 juli 2024 en tot 9 februari 2025,
onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 2 juli 2025, met ingang van 9 juli 2025 en tot 9 juli 2026.
Bij separate beschikking van 9 juli 2024 is bepaald dat de minderjarigen in het
kader van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig telkens een
week bij de vader zullen zijn en de daarop volgende week bij de moeder. Ook is bepaald dat
[minderjarige 2] voorlopig zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft en voorlopig op haar adres
ingeschreven zal zijn en [minderjarige 1] voorlopig zijn hoofdverblijf bij de vader heeft en voorlopig
op zijn adres ingeschreven zal zijn. De definitieve beslissing ten aanzien van het
hoofdverblijf van de minderjarigen en de zorgregeling is aangehouden.
Bij beschikking van 18 februari 2025 is bepaald dat in het kader van de verdeling
van de zorg- en opvoedingstaken de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , telkens een week bij
de vader zullen zijn en de daarop volgende week bij de moeder. Daarnaast is bepaald dat
[minderjarige 1] zijn hoofdverblijf heeft bij de vader en op zijn adres ingeschreven zal zijn en dat
[minderjarige 2] zijn hoofdverblijf heeft bij de moeder en op haar adres ingeschreven zal zijn.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI stelt dat zonder het dwingend kader van de ondertoezichtstelling een reëel risico bestaat dat de hulpverlening onvoldoende van de grond komt, dat noodzakelijke afspraken tussen ouders opnieuw uitblijven en dat de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onvoldoende worden verminderd. De maatregel is daarom nog steeds noodzakelijk om de veiligheid, duidelijkheid en ontwikkeling van beide kinderen te waarborgen.
De moeder geeft aan klaar te zijn met alle hulpverlening.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Beide ouders zetten met de hulpverlening stappen om deze ontwikkelingsbedreiging weg te halen. De GI heeft aangegeven dat het hoogst haalbare wel bereikt is en dat de verlenging nodig is om het lopende IPT-traject te kunnen volgen en om de hulpverlening rond de kinderen verder vorm te geven en om te bezien of ouders de adviezen van de hulpverlening in de praktijk daadwerkelijk gaan toepassen. Ook is deze periode nodig om te monitoren of de huidige co-ouderschapsregeling, al dan niet in aangepaste vorm, nog passend is bij wat de kinderen nodig hebben. De kinderrechter gaat er daarnaast vanuit dat de GI deze periode gebruikt voor het opstellen van een borgingsplan en een goede overdracht van de benodigde hulpverlening naar het vrijwillig kader. Met name voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het van belang dat zij een neutrale plek/persoon hebben waar zij hun ei kwijt kunnen.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 9 juli 2026 en tot 9 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 10 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.