RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448915 / JE RK 26-984
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet te Breda.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 juni 2026;
de op 30 juni 2026 van de advocaat van de vader ontvangen producties.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening ofwel mondeling tijdens een zogenoemd kind gesprek ofwel schriftelijk aan de kinderrechter kenbaar te maken. [minderjarige] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft doordeweeks bij zijn moeder en hij verblijft één maal per twee weken in het weekend bij zijn vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 juli 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - het navolgende aangevoerd. Er is in het afgelopen jaar, kijkend naar het verloop van de uithuisplaatsing, het verzoek van de vader om het hoofdverblijf bij hem te bepalen en de opdracht van de kinderrechter om de mogelijkheden van een thuisplaatsing bij de moeder te onderzoeken, veel verandering en onduidelijkheid voor [minderjarige] geweest. [minderjarige] woont sinds november 2025 weer bij de moeder. Hier laat hij op dit moment geen zorgwekkend gedrag zien en ook worden er van de betrokken instanties geen zorgmeldingen ontvangen. Wel zijn er nog zorgen met name rondom school en stage. Het is [minderjarige] niet gelukt om zijn stage positief af te ronden. Voor hem is intensieve hulpverlening/dagbesteding ingezet van “ [hulpverlening] ”, om te voorkomen dat hij grotendeels thuis komt te zitten. [minderjarige] is daar echter niet echt gemotiveerd voor. [minderjarige] is inmiddels ook aangemeld bij [accommodatie] , nadat de ouders het erover eens waren dat zij niet kunnen bieden wat [minderjarige] nodig heeft om zich tot een zo zelfstandig mogelijke volwassene te kunnen ontwikkelen. De GI steunt dit, ook omdat zij vindt dat [minderjarige] niet heen en weer gestuurd moet blijven worden tussen de vader en de moeder. De ouders en ook [minderjarige] hebben aan de aanmeldprocedure positief meegewerkt en zich daarvoor open gesteld. Wel is daaruit gebleken dat [minderjarige] nog niet toe is aan zelfstandigheidstraining. [accommodatie] heeft geadviseerd om [minderjarige] aan te melden voor de behandelgroep van [accommodatie] in [plaats] . Op dit moment is niet duidelijk binnen welke termijn hij daar kan starten. [minderjarige] staat op de wachtlijst. Om die reden is er naar een andere tijdelijke en voor [minderjarige] passende oplossing gezocht, die is gevonden in de vorm van FACT. Deze intensieve vorm van ambulante begeleiding en behandeling zal na de zomervakantie starten. Vanuit school zal [minderjarige] worden aangemeld bij WVS (sociaal ontwikkelbedrijf in de regio West Brabant). Volgens de GI is met de tot dusver geboden hulp en ondersteuning in een verplicht kader het maximaal haalbare bereikt. Zij verwacht en vertrouwt erop dat de hulpverlening en regievoering daarover in het kader van de ondertoezichtstelling gedurende een beperkte periode, te weten drie maanden, voldoende zal zijn om school en stage voor [minderjarige] met begeleiding van de [hulpverlening] vorm te geven, hem na de zomervakantie met FACT zorg te laten starten en de aanmelding voor de behandelgroep van [accommodatie] verder te begeleiden en te monitoren. Volgens de GI is dit toereikend om een warme overdracht van de hulpverlening naar de gemeente mogelijk te maken, waarna de hulpverlening in een vrijwillig kader kan blijven doorlopen.
5. De standpunten van de belanghebbenden
De vader heeft naar voren gebracht dat hij heeft moeten vaststellen dat, ondanks dat er al jaren lang sprake is van hulpverlening en ondersteuning, de doelstellingen van de ondertoezichtstelling geheel of gedeeltelijk niet zijn behaald. In dat verband benoemt hij dat [minderjarige] op dit moment nog niet naar school gaat en hij nog niet met het opvolgende stagetraject is gestart. Er ligt nu wel een plan, zoals door de GI mondeling toegelicht, om in die situatie verandering te brengen, echter betwijfelt hij of [minderjarige] zich ervan bewust is wat dit voor hem daadwerkelijk betekent. Voor hem als ouder staat dan ook niet vast dat de toekomstige lijn, zoals de GI die voor ogen heeft, in de praktijk tot het gewenste resultaat zal leiden. Hij sluit niet uit dat, zodra de ondertoezichtstelling zal eindigen en er van hulpverlening in een vrijwillig kader sprake zal zijn, dit een averechtse uitwerking op [minderjarige] en op zijn gedrag zal hebben.
De advocaat van de vader heeft aangevoerd dat de vader duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht hoe hij tegen de situatie en het verzoek aankijkt. Er is nog steeds sprake van ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] bij de moeder thuis en ten aanzien van zijn schoolgang. De vader is moe en op en wil niet meer dat de kinderen continu worden betrokken in de ouderstrijd. De vader onderschrijft dat met de ondertoezichtstelling het hoogste haalbare lijkt te zijn bereikt en kan zich erin vinden om naar het vrijwillig kader over te gaan. Hij betwijfelt echter of een periode van drie maanden voldoende zal zijn. Er dient rekening te worden gehouden met de nog in te zetten zorg en hulpverlening vanuit FACT, die pas zal kunnen starten na de zomervakantie. Ook zal er in deze periode nog een gedegen borgingsplan, bedoeld om te komen tot een warme overdracht van de hulpverlening naar het vrijwillige kader, moeten worden opgesteld. Hoewel het niet wordt verzocht, had hij liever gezien dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een langere periode, te weten vijf of zes maanden, om te voorkomen dat [minderjarige] mogelijk alsnog tussen de wal en het schip geraakt
Door en namens de moeder is opgemerkt dat het beduidend beter gaat met [minderjarige] vergeleken met een jaar geleden. Zij herkent niet de zorgen, zoals die door en namens de vader ter zitting naar voren zijn gebracht. Wel spelen er nog een aantal zaken met betrekking tot [minderjarige] en zijn zusje [persoon] , die de ouders verdeeld houden en voor discussies zorgen, die echter in de bodemprocedure verder aan de orde zullen komen. Een verlenging van de ondertoezichtstelling voor een periode langer dan drie maanden acht de moeder in het belang van [minderjarige] niet noodzakelijk. Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek.
6. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling - althans op dit moment - nog wordt voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Gebleken is dat [minderjarige] het afgelopen jaar veel onduidelijkheid heeft ervaren. Hoewel hij het naar omstandigheden beter lijkt te doen bij de moeder dan voorheen, zijn er nog steeds wel zorgen om hem. [minderjarige] heeft zijn stageplek niet kunnen behouden, waardoor hij is vastgelopen op school. Voor dagbesteding via [hulpverlening] , blijkt hij niet gemotiveerd. Het is belangrijk dat die situatie wordt doorbroken, om te voorkomen dat [minderjarige] verder stagneert. Beide ouders zijn het erover eens dat [minderjarige] gelet op zijn complexe problematiek andere zorg en ondersteuning nodig heeft dan de ouders samen vanuit de thuissituaties kunnen bieden. Het wisselen tussen de ouders heeft [minderjarige] geen goed gedaan. Hij heeft duidelijkheid nodig over zijn perspectief. Iedereen is het erover eens dat een verblijf van [minderjarige] op een behandelgroep van [accommodatie] (locatie [plaats] ) voor hem de meest passende plek is om zich verder te ontwikkelen. Totdat er een plek voor hem vrij komt zal FACT tijdelijk ambulant ondersteuning bieden. Duidelijk is geworden dat deze zorg/behandeling na de zomer-vakantie zal starten en dat [minderjarige] met begeleiding vanuit [hulpverlening] stage zal gaan lopen bij WVS en dat hij op dinsdag naar school zal gaan. Daarnaast zal er gewerkt gaan worden aan een plan van aanpak voor het volgend schooljaar. De ouders tonen zich meewerkend en gemotiveerd voor deze hulpverleningstrajecten.
Op grond van alle hiervóór beschreven factoren en omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] voor in elk geval een periode van drie maanden nog noodzakelijk is om de GI in staat te stellen de voortgang te blijven monitoren en zodra mogelijk en verantwoord de hulpverlening naar het vrijwillige kader over te laten gaan. De kinderrechter verwacht zoals in alle gevallen dat het besluit van de GI om geen (verdere) verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken door haar nog aan de Raad ter toetsing wordt voorgelegd (artikel 1:265j lid 1 BW). De kinderrechter wenst de ouders mee te geven dat het van belang is dat zij weten te vertrouwen op het plan voor [minderjarige] en het verloop van de overdracht van de hulpverlening van een verplicht naar een vrijwillig kader.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.2
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 15 juli 2026 tot 15 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
2 Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.