RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448861/ JE RK 26-966
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. D.E. Oud uit Krommenie,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. S. Klootwijk uit Breda.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- de moeder met haar advocaat (beiden waren digitaal aanwezig);
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
Verder is in het kader van het [programma] door de kinderrechter bijzondere toegang verleend aan een student van [middelbare school] .
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting is de kinderrechter vergeten mede te delen wat [minderjarige] aan de kinderrechter heeft verteld. De kinderrechter zal dat hieronder bij de standpunten alsnog opnemen. De kinderrechter merkt hier wel al op dat [minderjarige] graag door zijn vader op de hoogte gesteld wil worden van deze beslissing.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft op een behandelgroep van [zorginstelling] in [plaats] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 juli 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 december 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 juli 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Namens de GI is in het verzoek aangevoerd dat de hulpverlening voor [minderjarige] helaas nog onvoldoende is opgestart. Het heeft een tijd geduurd voordat [minderjarige] van een woongroep naar een behandelgroep kon. Sinds november 2025 woont [minderjarige] op een behandelgroep in [plaats] (onderdeel van [zorginstelling] ). Doordat dit enige tijd heeft geduurd zijn de in het kader van de ondertoezichtstelling gestelde doelen nog niet behaald. In de tussentijd is wel de omgang met de vader en de moeder opgestart. De omgang met de vader is sinds april 2026 om de week op vrijdag bij de vader thuis. De omgang met moeder wordt begeleid en vindt plaats één keer per maand op donderdagmiddag. [persoon 1] , het zusje van [minderjarige] , is dan ook aanwezig.
Tijdens de mondelinge behandeling is, in aanvulling op het verzoek, toegelicht dat er inmiddels intakegesprekken met de vader en [minderjarige] zijn geweest bij [zorginstelling] in verband met de voor [minderjarige] benodigde behandeling. De behandeling bij [zorginstelling] is inmiddels ook gestart en de vader sluit het laatste kwartier van de behandeling steeds aan. Het is nog niet gelukt met de moeder een intake te doen en haar te betrekken bij de behandeling. De moeder heeft de afspraken een aantal keren afgezegd. De GI benadrukt dat de moeder wel een belangrijke rol speelt bij de behandeling van [minderjarige] . In het kader van de behandeling zullen de ouders zich moeten verontschuldigen naar [minderjarige] en om dit effectief te laten zijn voor [minderjarige] zijn beide ouders hiervoor nodig.
Door en namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. De moeder is het eens met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing. De moeder erkent dat zij, om diverse redenen, nog niet in de gelegenheid is geweest een intakegesprek te hebben met [zorginstelling] in het kader van de behandeling van [minderjarige] . Als er een afspraak wordt gepland op een tijdstip waarop zij kan, dan zal zij zeker ingaan op de uitnodiging voor de intake. De moeder wil graag deel uitmaken van het leven van [minderjarige] maar zij heeft het gevoel dat zij overal buitengehouden wordt. Zij moet alleen verschijnen op afspraken maar hoort verder niet hoe het met [minderjarige] gaat. De moeder is niet tevreden over de samenwerking met de GI. Er wordt maar weinig gecommuniceerd door de GI. Er is alleen communicatie als zij iets moet ondertekenen en de communicatie verloopt alleen per e-mail. De moeder zou liever telefonisch contact hebben met de GI.
De moeder ziet in dat ondertoezichtstelling noodzakelijk is, ook voor de verzochte duur. Zij heeft wel moeite met de duur van de uithuisplaatsing. De plaatsing in [plaats] vindt de moeder niet in belang van [minderjarige] . Zeker niet nu de vader heeft aangegeven dat hij wil dat [minderjarige] vaker bij hem verblijft. De moeder heeft echter begrepen dat de nieuwe partner van de vader dat niet wil. De moeder zou liever zien dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk naar de vader gaat. Daarom vindt zij dat de verlenging van de uithuisplaatsing slechts voor de duur van zes maanden moet worden uitgesproken zodat kan worden toegewerkt naar een plaatsing bij de vader. Van daaruit kan dan worden toegewerkt naar meer contact tussen haar en [minderjarige] . Een verblijf in een thuisomgeving is volgens de moeder altijd stabieler dan een verblijf bij een jeugdhulpaanbieder.
Namens de vader is tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. De vader is het eens met zowel het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling als het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor duur van één jaar. De vader ziet nog steeds een ontwikkelingsbedreiging en er moet ruimte zijn voor een effectieve behandeling. Een effectieve behandeling is niet alleen in het kader van de toezichtstelling maar ook voor de vader een voorwaarde om te werken naar (terug)plaatsing bij hem thuis. De vader is ook van mening dat voor de behandeling de tijd genomen moet worden. [minderjarige] heeft recentelijk opnieuw zorgelijk gedrag laten zien. Het is van belang dat daar goed naar wordt gekeken en dat beide ouders goed worden betrokken bij de hulpverlening. De advocaat van de vader merkt op dat zij het bijzonder vindt dat moeder tijdens de mondelinge behandeling zegt dat zij wil dat wordt toegewerkt naar een plaatsing bij de vader, omdat daarover niet eerder communicatie is geweest en de ouders op het punt van de verblijfplaats van [minderjarige] steeds tegenover elkaar staan. Sinds deze maand verstrekt de vader op verzoek van de moeder periodiek informatie over [minderjarige] aan de moeder. De vader maakt zich zorgen over (het ontbreken van) medewerking van de moeder.
De advocaat van de vader merkt verder nog op dat het niet zo is dat de nieuwe partner van de vader bepaalt dat [minderjarige] niet thuis kan komen wonen. Dit is een erg ongenuanceerde uitleg van wat zij gezegd heeft. Het komt er -kort gezegd- op neer dat volgens de partner eerst alle neuzen dezelfde kant op moeten staan en dat er een goede basis moet worden gelegd om terug te keren naar huis.
[minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat hij het leuk vindt in [plaats] . Het huis is als een boerderij. Hij wil liever bij zijn vader wonen omdat dat leuker is dan in [plaats] . Hij heeft verteld dat hij zijn vader ieder week op vrijdag ziet en dat zijn moeder soms onverwacht op zondag komt. Hij heeft verder verteld dat hij op [school] zit en dat hij over twee jaar naar de middelbare school gaat. [persoon 2] (de jeugdbeschermer) zou er wat hem betreft meer voor zijn ouders moeten zijn dan voor hem. Hij heeft zijn eigen leven.
5. De beoordeling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan. Artikel 1:255 eerste lid BW bepaalt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Met toepassing van artikel 1:265b eerste lid BW en artikel 1:265c tweede lid BW kan de kinderrechter de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar, als hij/zij het noodzakelijk vindt in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek te machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
De kinderrechter is op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing is voldaan. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd en hulpverlening in een gedwongen kader is nog steeds noodzakelijk. Naar het oordeel van de kinderrechter is het in belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] als de machtiging uithuisplaatsing wordt verlengd. De kinderrechter stelt vast dat de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. De geformuleerde doelen zijn echter onverminderd aanwezig. De behandeling van [minderjarige] is pas in een begin stadium en de verwachting is dat daarmee nog geruime tijd gemoeid zal zijn. Zeker wanneer de moeder haar rol hierin niet op korte termijn pakt. Vervolgens moeten beide ouders, in het belang van hun kind, gezamenlijk nog gaan werken aan verbetering van hun communicatie. Verder zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing naar het oordeel van de kinderrechter nog nodig om toe te kunnen werken naar een (aanzienlijke) uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige] en zijn vader en zijn moeder.
Door de moeder is verzocht de machtiging uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van zes maanden. De kinderrechter zal in dat verzoek niet meegaan omdat naar het oordeel van de kinderrechter die termijn echt te kort is om de gestelde doelen te behalen. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] daarom tot 14 juli 2027.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 14 juli 2026 tot 14 juli 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 14 juli 2026 tot 14 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. Van den Broek, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 16 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.