ECLI:NL:RBZWB:2026:7089

ECLI:NL:RBZWB:2026:7089

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-07-2026
Datum publicatie 02-08-2026
Zaaknummer C/02/449533 / JE RK 26-1079
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Nadere beschikking (spoed)uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449533 / JE RK 26-1079

Datum uitspraak: 2 juli 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. R. Joosen,

Als informant is aangemerkt:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- De door deze rechtbank gegeven tussenbeschikking van 23 juni 2026 en de daarin vermelde stukken.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

twee vertegenwoordigsters van de GI;

de moeder en haar advocaat;

de vader.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij zijn moeder. Feitelijk verblijft [minderjarige] samen met zijn moeder op een zogenoemde ouder-kind-voorziening.

[minderjarige] is tot 7 augustus 2026 onder toezicht gesteld van de GI.

3. Het (resterende) verzoek

Aan de orde is een verzoek van de GI, oorspronkelijk luidende dat een spoedmachtiging wordt verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin of een gezinsgerichte voorziening voor de duur van 4 weken en om onverwijld te beslissen zónder voorafgaand horen van de belanghebbenden. Daarnaast heeft de GI verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen van [minderjarige] in een pleeggezin of een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting is dit verzoek door de GI mondeling gewijzigd, zoals hierna in alinea 4.5 weergegeven.

Bij voormelde tussenbeslissing van 23 juni 2026 is het verzoek van de Gl om zonder voorafgaand horen van belanghebbenden te beslissen op het spoedverzoek afgewezen en is de behandeling van het (spoed)verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin of gezinsgerichte voorziening aangehouden tot de behandeling ter zitting, waarvoor de Gl, de moeder en haar advocaat en de vader zijn opgeroepen.

4. Het standpunt van de GI

Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - het navolgende aangevoerd. [minderjarige] verblijft samen met zijn moeder op een ouder-kind-locatie met intensieve ondersteuning en begeleiding. [minderjarige] is een kleuter die vrolijk, ondernemend en goed benaderbaar kan zijn en geniet van gezamenlijke activiteiten, maar die ook snel overprikkeld kan raken, vooral tijdens overgangs- en verzorgingsmomenten of wanneer hij wordt begrensd. Hij kan dan sterk emotioneel reageren door te gillen, slaan, knijpen of tegenspartelen. Zijn emoties kunnen plots omslaan, wat het voor hem lastig maakt om zelf tot rust te komen. [minderjarige] laat blijken dat hij behoefte heeft aan volwassenen die hem stevig, rustig en consequent (kunnen) begeleiden en aan hem een duidelijke structuur, voorspelbaarheid, waar nodig afleiding en nabijheid weten te bieden. Eerder is vastgesteld dat, zodra hij een consequente aanpak en een voorspelbare omgeving geboden krijgt, zijn gedragsproblemen afnemen en hij zijn emoties beter weet te reguleren.

Gezien wordt in de afgelopen jaren dat de moeder een steeds consistenter patroon laat zien van een stap vooruit en vervolgens twee stappen terug. Met name nu [minderjarige] ouder wordt blijkt dat de zorg voor hem de moeder steeds zwaarder valt. Het lukt haar onvoldoende om [minderjarige] zelfstandig te voorzien van de opvoeding die hij behoeft, ook niet met intensieve ondersteuning. Er wordt in de zorg- en opvoedsituatie van de moeder hulpverlening ingezet, bedoeld om vast te kunnen stellen of er bij de moeder sprake is van goed genoeg ouderschap. In dat kader is tevens ASVZ betrokken. ASVZ heeft in haar verslag medegedeeld dat, ondanks het herhaaldelijk inzetten van hulpverlening er onvoldoende verbetering wordt gezien. ASVZ heeft een plan gemaakt, waarin aan de moeder kaders zijn geboden en adviezen worden gegeven, zoals hoe te reageren op woede aanvallen van [minderjarige] , om aan goed genoeg ouderschap te voldoen. ASVZ heeft vervolgens moeten vaststellen dat de moeder, ondanks meerdere waarschuwingen, onvoldoende overeenkomstig dit plan handelt. [minderjarige] krijgt daardoor te weinig grenzen geboden, wat tot gevolg heeft dat zijn gedragsproblemen toenemen.

Volgens ASVZ lukt het de moeder om met de nodige ondersteuning praktische zaken adequaat te regelen, maar vraagt [minderjarige] meer van haar in de opvoeding. In het stellen van regels en grenzen raakt wordt zij overvraagd. Het ontbreekt de moeder in dat opzicht aan voldoende leerbaarheid; zij wil heel graag maar door haar beperkingen lukt het niet, er is sprake van onmacht en te weinig mogelijkheden. De moeder is ook niet in staat om haar eigen emoties te reguleren hetgeen een directe invloed heeft op de emotionele en fysieke veiligheid van [minderjarige] . Daardoor ontbreekt het [minderjarige] aan voldoende adequate zorg, opvoeding, voorspelbaarheid en veiligheid, ondanks meerdere daarop gerichte schriftelijke aanwijzingen, die aan de moeder zijn gegeven en gesprekken die daarover met haar zijn gevoerd.

Bij al het voorgaande komt nog dat er een situatie ontstond waarin de situatie van [minderjarige] door de GI als acuut onveilig werd beschouwd na een gesprek met de moeder op

4 juni 2026, waarbij het plan gericht op goed genoeg ouderschap met haar was gedeeld. De moeder heeft na dit gesprek belastende uitspraken gedaan naar [minderjarige] , waaronder dat hij niet langer bij haar zal verblijven. Daarnaast gaf zij aan dat zij haar netwerk aan het mobiliseren was, dat [minderjarige] in het netwerk ondergebracht zou worden en dat zij zijn verblijfsplek niet bekend zou maken. Er ontstond vervolgens ook de nodige onrust binnen dit netwerk. Dit bij elkaar leidde bij [minderjarige] tot veel onduidelijkheid en tot een toename van zijn zorgelijke gedrag. [minderjarige] slaat, krabt en bijt zichzelf, maar ook anderen.

Hoewel op dit moment strikt genomen een plaatsing op een crisisplek niet aan de orde is handhaaft de GI haar verzoek tot het verlenen van een machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De GI wijzigt mondeling haar verzoek in die zin dat zij thans verzoekt een zogeheten ‘brede’ machtiging te verlenen, die het mogelijk maakt [minderjarige] te plaatsen in ofwel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, ofwel een pleeggezin, ofwel een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis). Hoewel er daarvoor al meerdere lijnen zijn uitgezet is er op dit moment nog geen zicht op een concrete plek. Met de plaatsing beoogt de GI in eerste instantie de situatie van [minderjarige] te stabiliseren en vervolgens aan de hand van diagnostisch onderzoek vast te stellen wat hij op pedagogisch en opvoedkundig vlak nodig heeft, waaraan de moeder in dat opzicht dient te voldoen en wat daarvoor nodig is. Desgevraagd geeft de GI aan dat een plaatsing van [minderjarige] en de moeder bij [zorginstelling] is besproken, maar dat hierop door [zorginstelling] afwijzend zou zijn gereageerd. Onbekend is waarom dit het geval is. Een plaatsing van [minderjarige] binnen het familienetwerk ziet de GI op dit moment niet als optie, gelet op de daaraan klevende risicofactoren in verband met de onrust en dreiging die uit gaat van het netwerk. Dit geldt evenzeer voor een plaatsing van [minderjarige] bij oma moederszijde, nu het gedrag van [minderjarige] ook voor haar moeilijk hanteerbaar is gebleken. Indien er op het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing toewijzend wordt beslist zal de moeder bij het ouder-kind huis van ASVZ kunnen blijven wonen totdat er duidelijkheid is over het perspectief van [minderjarige] .

5. De standpunten

De moeder

De moeder heeft naar voren gebracht dat zij op enig moment belastende uitspraken heeft gedaan. Echter heeft zij die niet tot uitvoering gebracht, waardoor er geen sprake is van een onveilige zorg- en opvoedsituatie. Wel kan zij bevestigen dat [minderjarige] soms heftig gedrag kan vertonen. Het is voor haar onduidelijk wat daarvan de oorzaak is. Overigens wordt zij niet continu met dit gedrag geconfronteerd, zoals wanneer [minderjarige] op school is. Zij doet haar best om naar hem consequent te reageren, maar om tot een daadwerkelijke positieve verandering te komen is er volgens haar meer tijd en ook ondersteuning nodig. Daarom heeft zij verzocht om te zorgen voor een gedragscoach, maar daarop is tot dusver geen actie ondernomen.

De advocaat van de moeder heeft aangevoerd dat uit het verzoek van de GI blijkt van zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de moeder, maar ook de nodige vragen oproept. Niet gebleken is in welk opzicht er sprake is van zodanige urgentie dat een machtiging tot uithuisplaatsing, die als ultimum remedium (uiterste redmiddel) geldt, in het belang van [minderjarige] strikt genomen noodzakelijk is. [minderjarige] verblijft op dit moment met zijn moeder in een veilige ouder kindvoorziening, omdat de moeder hulp nodig heeft bij de zorg voor en opvoeding van [minderjarige] . Er wordt hulpverlening geboden door ASVZ en daarnaast is er ondersteuning voor [minderjarige] door [hulpverlening] . Uit het plan van aanpak blijkt dat de hulpverlening door de moeder wordt geaccepteerd en dat zij zich begeleidbaar opstelt. Er dient bovendien nog diagnostisch onderzoek plaats te vinden om duidelijk te krijgen wat er verder nog nodig is om aan de moeder ten aanzien van de zorg en opvoeding van [minderjarige] voldoende handvatten te kunnen bieden. Verder valt uit het verslag van ASVZ van april 2026 op te maken dat zichtbaar is dat de momenten waarop [minderjarige] gefrustreerd raakt geleidelijk sneller afnemen.

De moeder en [minderjarige] kunnen bij het ouder-kind huis blijven wonen tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige] . Naast dat gebleken is uit de toelichting van de GI dat er op dit moment nog geen concrete plek voorhanden is geldt dat door haar onvoldoende inzichtelijk is gemaakt of c.q. welke andere opties ter voorkoming van een uithuisplaatsing van [minderjarige] daadwerkelijk zijn onderzocht, waaronder een (tijdelijke) plaatsing bij oma moederszijde, bij wie [minderjarige] om de week op zaterdag van 10:00 uur tot 18:00 uur verblijft, waar de oma moederszijde zich in kan vinden. Ook is onduidelijk gebleven of een moeder-kind plaatsing bij [zorginstelling] wel of geen optie is, terwijl de moeder daar nog steeds voor open staat. Het verzoek van de GI is dan ook voorbarig. Dit maakt dat aan de wettelijke gronden voor uithuisplaatsing op dit moment niet wordt voldaan en dit verzoek daarom moet worden afgewezen. Mogelijk kan dit anders komen te liggen zodra de GI alle andere opties gedegen heeft onderzocht. Dit zal dan bij de mondelinge behandeling van het door de GI nog in te dienen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling aan de orde kunnen komen.

De vader (informant)

De vader heeft opgemerkt dat de contactmomenten tussen hem en [minderjarige] , deels fysiek en deels via videobellen, positief en zonder noemenswaardige problemen verlopen. Wel is [minderjarige] soms wat drukker in zijn gedrag. Dat is voor hem als ouder herkenbaar, omdat hij zelf ADHD heeft. Hij deelt het standpunt van de moeder dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] in de gegeven omstandigheden een (te) ingrijpende maatregel is. Daarbij komt nog volgens hem dat door de GI niet is onderzocht of, ter voorkoming van een uithuisplaatsing, personen in zijn netwerk, zoals oma vaderszijde, daarin een rol zouden kunnen vervullen. Tevens ziet hij mogelijkheden om de moeder te ontlasten door de contactmomenten tussen hem en [minderjarige] uit te breiden.

6. De beoordeling

Op grond van artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat er in toenemende mate zorgen over [minderjarige] zijn. [minderjarige] woont al geruime tijd met zijn moeder bij ASVZ. Ondanks intensieve ondersteuning en het opschalen van begeleiding lukt het de moeder niet om [minderjarige] zelfstandig te voorzien in de verzorging en opvoeding die hij nodig heeft. Hier komt bij dat de gedragsproblematiek bij [minderjarige] is toegenomen: hij slaat, krabt en bijt zichzelf maar ook anderen. De moeder herkent deze zorgen niet in ieder geval onvoldoende. De GI wil deze situatie doorbreken en verzoekt om een uithuisplaatsing van [minderjarige] .

In de visie van de GI is het wonen van [minderjarige] bij de moeder in de gegeven omstandigheden een situatie die niet veel langer kan en mag voortduren. Er zullen volgens haar concrete stappen moeten worden gezet om op korte termijn te voorzien in een stabiele en veilige omgeving voor [minderjarige] en diagnostisch onderzoek te kunnen verrichten naar wat hij en de moeder daadwerkelijk aan hulp en ondersteuning nodig hebben. Een uithuisplaatsing in een pleeggezin, een gezinshuis of op een groep (accommodatie van een jeugdhulpaanbieder) is daarom in de visie van de GI in het belang van [minderjarige] noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden.

Een uithuisplaatsing is een zeer ingrijpende maatregel, met schadelijke gevolgen van dien. Dat betekent dat het doel en de noodzaak van een uithuisplaatsing voldoende onderbouwd moeten zijn en ook moeten opwegen tegen die schadelijke gevolgen. Dit als uitgangspunt nemend acht de kinderrechter zich op basis van het behandelde ter zitting onvoldoende geïnformeerd om over het verzoek van de GI op dit moment een beslissing te nemen. De informatie die is gedeeld reikt niet verder dan de reeds bekende informatie in het verzoek en de bijlagen, terwijl sommige van die informatie vragen oproept ter verduidelijking. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat onbekend is of en hoe de GI minder ingrijpende oplossingen heeft overwogen en als die er volgens de GI niet zijn, wat het plan dan voor [minderjarige] moet zijn en vanuit welke doelstelling.

De vraag of op dit moment een uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, is naar het oordeel van de kinderrechter tijdens de mondelinge behandeling dan ook onvoldoende beantwoord. De kinderrechter begrijpt dat de GI zich voor een complexe vraag gesteld ziet, maar verlangt meer onderbouwing dan nu ten grondslag ligt aan haar verzoek. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij duidelijk onderbouwt wat het plan voor [minderjarige] is, te weten op de navolgende punten:

a. a) vanuit welke hypothese of diagnostiek; welke doelstelling (wat heeft [minderjarige] nodig?);

b) zijn er minder ingrijpende alternatieven overwogen, zoals bijvoorbeeld een moeder-

kind-opname met 24-uurs toezicht ( [zorginstelling] ) of een deeltijd-uithuisplaatsing? Hoe weegt de GI de (on)mogelijkheden in het netwerk?;

indien een uithuisplaatsing aan de orde is: met welke doelstelling is dat en welke

plek acht zij geschikt voor [minderjarige] ?

- als die geschikte plek er (nog) niet is: wat betekent dit dan voor [minderjarige] ?

- welk plan heeft de GI voor ogen?

De kinderrechter verwacht een door de GI onderbouwd standpunt over het belang van [minderjarige] en de (interne en externe) deskundigenadviezen die daaraan ten grondslag liggen en het plan dat zij daarbij voor [minderjarige] voor ogen heeft. Zij verwacht daarnaast van de GI dat zij hierover in gesprek gaat met de moeder en - als dat kan - haar netwerk. Dit draagt bij aan het belang van [minderjarige] om tot een gedegen en, zo mogelijk, gedragen plan te komen. Uiteindelijk staat het belang van [minderjarige] voorop.

Een crisisplaatsing ter overbrugging acht de kinderrechter gegeven deze onduidelijkheden (nu) niet in het belang van [minderjarige] .

De situatie verlangt een zorgvuldige beslissing. De kinderrechter zal het onderhavige verzoek aanhouden tot een datum gelegen voor de afloop van de ondertoezichtstelling, te weten 7 augustus 2026. De GI heeft toegezegd binnen zeer afzienbare tijd een verlengingsverzoek bij de rechtbank in te dienen. Dit zal vergezeld gaan van een (nieuw) verzoek machtiging tot uithuisplaatsing.

De mondelinge behandeling van het aangehouden verzoek en het nog in te dienen verlengingsverzoek zal plaatsvinden op [datum] 2025, om [uur]. De kinderrechter verzoekt de (betrokken jeugdbeschermer van de) GI om uiterlijk één week voorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling een stand van zaken brief te overleggen conform hetgeen is overwogen in 6.5, dat wil zeggen met inachtneming van de vragen van de kinderrechter en met de daarbij behorende onderbouwende stukken.

Ten behoeve van die mondelinge behandeling zal de kinderrechter de Raad voor de Kinderbescherming uitnodigen om de kinderrechter van nader advies te voorzien.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

De kinderrechter:

houdt de behandeling van het verzoek aan en roept de moeder en haar advocaat en de GI op te verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (kinderrechter mr. Maandag) in het gerechtsgebouw aan [adres] , op [datum] 2025 om [uur];

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor de moeder en haar advocaat en de GI voor deze mondelinge behandeling;

bepaalt dat de vader voor de mondelinge behandeling ter zitting apart wordt opgeroepen als informant;

bepaalt dat de Raad tevens voor de mondelinge behandeling ter zitting zal worden opgeroepen;

verzoekt de GI om uiterlijk één week voorafgaand aan de mondelinge behandeling verslag uit te brengen, zoals hiervóór is overwogen in rechtsoverweging 6.5;

behoudt zich verder iedere beslissing voor.

Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. De Jong, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 7 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand