RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/449508 / JE RK 26-1076
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STCIHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 22 juni 2026 en alle daarin genoemde stukken.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de moeder;
de pleegmoeder;
de vader.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening te geven over het verzoek. Zij heeft haar mening gegeven in een gesprek met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft gezegd.
2. De feiten
[minderjarige] is erkend door de vader. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Sinds augustus 2024 verblijft [minderjarige] met toestemming van haar moeder bij de pleegmoeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 september 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 19 september 2025 tot 19 september 2026. Bij diezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg (de pleegmoeder) met ingang van 19 september 2025 tot 19 maart 2026, onder aanhouding van het resterende deel. Laatstelijk, bij beschikking van 16 juni 2026 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (de pleegmoeder) verlengd met ingang van 19 juni 2026 tot 19 september 2026.
De kinderrechter heeft bij de in deze zaak gegeven beschikking van 22 juni 2026 de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 juni 2026 tot 6 juli 2026. [minderjarige] heeft aangegeven bang te zijn dat haar oom haar iets aan zal doen. De oom heeft meerdere bedreigingen richting [minderjarige] geuit, aldus [minderjarige] in haar gesprek met de GI. Ook heeft [minderjarige] geuit dat zij zich beklemd voelt, niet kan groeien en onvoldoende ruimte ervaart om haar gevoelens en mening te uiten.
3. Het (resterende) verzoek
De GI verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De GI heeft op 22 juni 2026 verzocht om een spoedbeslissing omdat [minderjarige] de GI heeft gebeld dat zij verdrietig was en niet meer naar de pleegouders durfde te gaan. Dat kwam omdat zij het weekend daarvoor contact met de moeder had en dit dat aan de pleegouders vertelde, waarna de pleegvader bedreigende uitingen zou hebben gedaan. Dit is de eerste keer dat [minderjarige] zo’n signaal afgeeft, maar dat verbaast de GI niet gezien haar profiel van coping, angsten en vermijdend gedrag.
De situatie heeft de zorgen die de GI al had versterkt. Er is sprake van een aanhoudend loyaliteitsconflict. [minderjarige] heeft geen vast contact met de moeder en wil op dit moment ook geen contact met de vader al weet de GI niet waarom zij dat niet wil. Sterk Huis was betrokken in verband met de screening van de pleegouders. Sterk Huis geeft aan dat het belangrijk is dat er contact is tussen [minderjarige] en de moeder, voor haar identiteitsontwikkeling. Ook bestaan er zorgen of de noodzakelijke hulpverlening wel voldoende van de grond komt. Verder zijn er zorgen of [minderjarige] voldoende haar gevoelens kan delen en relaties met de mensen om haar heen kan vormgeven.
[minderjarige] heeft uitgesproken dat zij voor het eerst sinds lange tijd meer rust heeft. Er is veel gebeurt en er zal eerst weer rust moeten komen in het systeem voordat [minderjarige] teruggeplaatst kan worden bij de pleegouders. Een terugplaatsing moet zorgvuldig gebeuren. De Gezinsmanager is nog bezig met onderzoek om de zorgen over het systeem in kaart te brengen en een beter beeld te krijgen van [minderjarige] .
5. De standpunten van belanghebbenden
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij het eens is met de GI.
Door de pleegmoeder is, samengevat, naar voren gebracht dat er beschuldigingen zijn gedaan die niet kloppen. [minderjarige] verblijft sinds anderhalf jaar bij de pleegouders. Er wordt goed voor haar gezorgd en het gaat goed op school. De pleegmoeder heeft [minderjarige] vaak verteld dat zij contact mag hebben met de moeder. De situatie betreurt haar.
6. Het standpunt van informant
Door de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het verzoek zolang [minderjarige] daadwerkelijk op de groep blijft. De vader en [minderjarige] hebben sinds 2024 bijna dagelijks contact. De vader is het niet eens met het verhaal dat [minderjarige] over de pleegouders heeft verteld.
7. De (nadere) beoordeling
Spoedbeslissing
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden, die maken dat voornoemde beschikking van 22 juni 2026 dient te worden herroepen.
Aan de beoordeling van de kinderrechter ligt dan nog voor of het resterende verzoek kan worden toegewezen.
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek (BW) behoeft de GI de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin.
Op grond van het tweede lid van artikel 1:265i BW wordt de toestemming door de kinderrechter op verzoek van de GI verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderen als volgt. [minderjarige] heeft anderhalf jaar bij de pleegmoeder en pleegvader gewoond. Zij heeft mogelijk de huidige situatie uitgelokt als schreeuw om hulp. Voor zowel [minderjarige] , de moeder, de vader als de pleegouders is dit een enorm verdrietige situatie. De familieverhoudingen zijn beschadigd. Er moet gewerkt worden aan het herstel van deze verhoudingen, waarbij de GI heeftb uit te zoeken wat [minderjarige] , de moeder, de vader maar ook de pleegouders daartoe nodig hebben. De pleegouders mogen hierin niet vergeten worden, aangezien zij afgelopen anderhalf jaar een vitale functie hebben vervuld in het leven van [minderjarige] . Er moet worden gekeken wat er nodig is om de relaties van [minderjarige] met de volwassene in haar leven te beschermen en hoe aan die relaties het beste invulling kan worden gegeven. Als er wordt gewerkt aan heling kan er een proces op gang komen waarin de volwassenen de zorgzame posities voor [minderjarige] weer kunnen innemen, zonder dat dit betekent dat iemand voorrang heeft op de ander. Daar zou [minderjarige] van kunnen opknappen.
Op dit moment is het niet in het belang van [minderjarige] teruggeplaatst te worden bij de pleegouders. Er is veel onrust en het is belangrijk dat de rust terugkeert voordat de GI werkt aan haar terugplaatsing. De kinderrechter zal gelet op het voorgaande de toestemming verlenen voor het wijzigen van de verblijfplaats van [minderjarige] .
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de hierna geformuleerde beslissing.
Kindbrief [minderjarige]
De kinderrechter zal een brief aan [minderjarige] sturen met daarin uitleg over de beslissing die is genomen. In de brief, die naar het e-mailadres van een medewerker van de GI zal worden gestuurd, zal het volgende worden aangegeven:
Beste [minderjarige] ,
Dank voor jouw komst naar het gesprek met mij. Op de zitting heb ik gesproken met jouw moeder, vader en oom en tante. Ook was er iemand van de William Schrikker Stichting. We hebben het gehad over de situatie naar aanleiding van wat jij aan de GI hebt verteld. Ik heb besloten dat de William Schrikker Stichting jouw woonadres mag veranderen. Dat betekent dat je nu ergens anders mag blijven wonen dan bij je oom en tante. De William Schrikker Stichting zal onderzoeken of en wanneer jij weer terug kunt naar jouw oom en tante en op welke manier jij contact met jouw moeder en vader zult hebben.
Met vriendelijke groet,
Van Leuven
8. De beslissing
De kinderrechter:
verleent William Schrikker Stichting toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.