RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/449956 / JE RK 26-1178
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] ,
[de stiefvader] ,
hierna te noemen de stiefvader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad op 2 juli 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 3 juli 2026.
2. De feiten
De ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gehuwd geweest en oefenden na hun echtscheiding gezamenlijk het gezag over hen uit. De moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , [persoon] , is op [datum 1] 2025 overleden. Sindsdien wordt het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgeoefend door de vader.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de stiefvader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en daar op te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
De kinderrechter is op grond van het door de Raad ingediende spoedverzoek van oordeel dat het verhoor van de belanghebbenden niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Uit het verzoek blijkt dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen daarom voorlopig onder toezicht worden gesteld (artikel 1:257 Burgerlijk Wetboek).
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Uit het verzoek van de Raad blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds het overlijden van de moeder bij de stiefvader zijn blijven wonen. Dit is volgens de Raad destijds min of meer in overleg met de vader gegaan. Op 2 juli 2026 is de situatie van [minderjarige 1] bij de stiefvader geëscaleerd en zijn er vermoedens van kindermishandeling door de stiefvader ontstaan. De Raad heeft van een hulpverlener van [hulpverlening] vernomen dat er bij [minderjarige 1] sprake is van fysiek letsel, nadat hij door de stiefvader op straat zou zijn gezet en hij bij de buren terecht gekomen is, waarop de politie is gebeld. Bij [minderjarige 1] is letsel in de vorm van blauwe plekken, schaafwonden en een bloeduitstorting geconstateerd. Hierbij zou [minderjarige 1] hebben aangegeven dat de stiefvader hem met zijn voet op zijn keel heeft geprobeerd te wurgen. [minderjarige 1] is bij de HAP behandeld en er is, volgens protocol, vanuit de HAP een melding gemaakt bij Veilig Thuis. Ook de politie heeft een melding bij Veilig Thuis gedaan. [minderjarige 1] mocht medisch gezien terug naar huis, maar wilde en durfde dit niet. Een hulpverlener van [hulpverlening] heeft aan de Raad verteld dat de stiefvader mogelijk is teruggevallen in drankgebruik. Vermoed wordt dat de zorg voor de drie minderjarige kinderen hem, na het wegvallen van de moeder van de kinderen, mogelijk teveel is geworden. In het verleden is er bij de stiefvader sprake geweest van agressie, criminaliteit en een gebrek aan impulsbeheersing. Mogelijk is er ook sprake van een licht verstandelijke beperking bij de stiefvader. De stress, spanning en mogelijk alcoholgebruik door de stiefvader kan ervoor zorgen dat zijn agitatie oploopt. Hierdoor zijn er acute en ernstige zorgen om het welzijn en de veiligheid van de bij de stiefvader wonende minderjarigen ontstaan. Er dient daarom zo spoedig mogelijk zicht te komen op hun opvoedsituatie en veiligheid. Momenteel verblijft [minderjarige 1] op een voor de stiefvader onbekend adres. De vader heeft hiermee ingestemd, maar er bestaat een risico dat de stiefvader hem zal opzoeken. De vader heeft formeel het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds het overlijden van hun moeder, maar is al negen jaar niet bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betrokken. De vader is gediagnosticeerd met autisme en woont onder begeleiding van [zorginstelling] . De vader draagt wel zorg voor de oudere zus van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar wordt door de Raad op dit moment niet in staat geacht om de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op zich te nemen, hen op te vangen of de acute en ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen weg te nemen.
Om bovenstaande redenen zal de kinderrechter het verzoek voor twee weken toewijzen, onder aanhouding van het restant. De kinderrechter vindt het van groot belang dat er zo spoedig mogelijk zicht komt op de opvoedsituatie en veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat wordt onderzocht wat er nodig is om hun veiligheid te borgen.
De Raad, de vader, de stiefvader en de GI worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde mondelinge behandeling.
5. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 2 juli 2026 tot 16 juli 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de Raad, de GI, de vader en de stiefvader op voor de zitting van mr. Van den Beld op [datum 2] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 3 juli 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.