RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446700 / JE RK 26-573
Datum uitspraak: 2 juli 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] (Oekraïne),
hierna te noemen: [minderjarige],
advocaat mr. R. Wouters uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats].
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
verblijvende op een voor de rechtbank onbekend adres in Oekraïne,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de stiefvader]
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende in [woonplaats].
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 16 april 2026 met alle daarin opgenomen stukken;
het bericht van de GI met bijlagen van 18 juni 2026;
het bericht van de GI van 1 juli 2026 met als bijlage de instemmingsverklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper.
Op 2 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige], bijgestaan door haar advocaat (vooraf ook apart gehoord);
de moeder en de stiefvader, bijgestaan door een telefonische tolk in de Oekraïense taal;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
De moeder, de vader en [minderjarige] hebben de Oekraïense nationaliteit.
Bij beschikking van 7 oktober 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige]
uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 7 oktober
2025 en tot 21 oktober 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van 20 oktober 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit
huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 21 oktober
2025 en tot 2 december 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden en
vervolgens bij beschikking van 24 november 2025 afgewezen na intrekking van het
verzoek.
Bij beschikking van 28 november 2025 is een voorwaardelijke machtiging
verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met
ingang van 2 december 2025 en tot 2 mei 2026.
Bij beschikking van 2 februari 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de G1
met ingang van 2 februari 2026 en tot 2 februari 2027.
Bij beschikking van 16 april 2026 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 16 april 2026 en tot 16 juli 2026.
[minderjarige] verblijft op basis van deze beschikking bij [accommodatie].
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
4. De standpunten
[minderjarige] heeft in haar gesprek met de kinderrechter aangegeven dat de risico’s van een half jaar geleden zijn. Ze begrijpt het verzoek om haar langer gesloten te plaatsen niet. Op dit moment heeft ze alle vrijheden al en wil ze graag naar huis.
De GI heeft in overleg met [accommodatie] gesproken over de duur van het verblijf van
[minderjarige] binnen [accommodatie]. Op dit moment benut [minderjarige] de maximale vrijheden die binnen haar huidige plaatsing mogelijk zijn. In gezamenlijkheid hebben de GI en [accommodatie] de mogelijkheid van een plaatsing binnen een open groep verkend, met als doel om van daaruit gefaseerd toe te werken naar een terugkeer naar huis. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat het voor [minderjarige] moeilijk is om anderen te vertrouwen en duurzame verbindingen aan te gaan. Dit brengt een risico met zich mee als er gekeken wordt naar plaatsing op een open groep met nieuwe begeleiders.
Om de overgang naar een thuissituatie zorgvuldig en passend bij de behoeften van [minderjarige] vorm te geven, wordt verzocht een deel van het resterende traject toe te kennen, te weten tot
1 september 2026. In deze periode krijgen [minderjarige] en haar ouders de gelegenheid om stapsgewijs en onder begeleiding toe te werken naar een terugkeer naar huis. Het is het advies van [accommodatie] om de resterende periode te benutten voor het zorgvuldig onderzoeken of een terugkeer naar huis op verantwoorde wijze mogelijk kan worden gerealiseerd.
De moeder en de stiefvader geven aan dat zij graag zouden zien dat [minderjarige] snel weer naar huis komt. De communicatie met [accommodatie] verloopt slecht. De moeder wordt niet goed op de hoogte gehouden van hoe het met [minderjarige] bij [accommodatie] gaat. Er is de dag voor de zitting een bijeenkomst op de nieuwe school van [minderjarige] geweest en de moeder hoopt dat [minderjarige] snel wordt aangenomen.
De advocaat van [minderjarige] heeft aan dat [minderjarige] zich voorbeeldig heeft gedragen en alles heeft gedaan wat van haar verwacht kon worden. De problematiek van een half jaar geleden is er niet meer. De door de GI aangegeven doelen, zijn doelen die buiten [minderjarige] staan en niets te maken hebben met haar eerdere problematiek. Deze doelen kunnen binnen de lopende ondertoezichtstelling gehaald worden. De advocaat verzoekt het resterende deel van het verzoek af te wijzen en [minderjarige] het vertrouwen te geven nu zij enorm is gegroeid.
5. De (verdere) beoordeling
Er is overwogen of [minderjarige] naar een open groep zou kunnen. Vanwege haar achtergrond en het feit dat zij niet gauw vertrouwen in anderen stelt, maar ook de voorkeur aan een vertrouwde omgeving geeft, heeft de GI besloten om [minderjarige] niet door te plaatsen naar een open groep. Dat is ook de achtergrond van het huidige verlengingsverzoek. In dit soort zaken wordt vaak als tussenstap het plaatsen van een jeugdige op een open groep gezet alvorens de jeugdige terug thuis geplaatst wordt. Nu kiest de GI ervoor om [minderjarige] wat langer in een vertrouwde setting te houden, zodat er nu iets langer gemonitord kan worden wat er gebeurt als de verloven verder uitgebreid worden. Daarnaast is er vanuit [accommodatie] een gezinsbegeleider ingezet, welke wegvalt wanneer de machtiging wordt beëindigd. Het is de GI nog niet gelukt om andere begeleiding in de thuissituatie te regelen. Ook is er nog geen vaste jeugdbeschermer aan deze zaak gekoppeld. Vanwege de voorgeschiedenis van [minderjarige], waarbij er eerder sprake is geweest van een voorwaardelijke machtiging en [minderjarige] toen wel in haar gedrag is teruggevallen, wil de GI zorgvuldig zijn.
Voorop wordt gesteld dat [minderjarige] en ook haar moeder en stiefvader grote stappen hebben gezet in de afgelopen periode. Het is heel positief hoe de afgelopen maanden zijn verlopen. Het is ook de bedoeling van de GI dat [minderjarige] volledig naar huis toe gaat.
Het doel is dus, terug naar huis. Echter hebben de GI en [accommodatie] nog een aantal punten waarvan het belangrijk is dat deze gemonitord worden met een systemische begeleider. Er moet nog iets langer zicht komen op hoe de verloven lopen, voordat [minderjarige] volledig terug naar huis kan. Ook is het van belang dat er aanvullende hulpverlening in de thuissituatie wordt ingezet, zodat er geen terugval in gedrag bij [minderjarige] meer ontstaat en [minderjarige] en haar ouders de nieuwe situatie ook vol kunnen houden.
Om ervoor te zorgen dat [minderjarige] perspectief behoudt en na de zomervakantie vanuit haar ouders kan starten op haar nieuwe school zal de kinderrechter het verzoek slechts toewijzen voor de duur van één maand. Dat betekent dat [minderjarige] uiterlijk op 16 augustus 2026 volledig terug thuis geplaatst is. Op deze manier wordt geprobeerd om de overgang van [accommodatie] naar volledig thuis wonen zorgvuldig te laten verlopen.
De kinderrechter machtigt de GI om daarom [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van één maand.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 16 juli 2026 en tot 16 augustus 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.