RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/449958 / JE RK 26-1179
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad op 2 juli 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 3 juli 2026.
2. De feiten
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De moeder van [minderjarige] , [de moeder] , is op [datum 1] 2025 overleden.
[minderjarige] verblijft bij de vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en daar op te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
De kinderrechter is op grond van het door de Raad ingediende spoedverzoek van oordeel dat het verhoor van de belanghebbenden niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] .
Uit het verzoek blijkt dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal daarom voorlopig onder toezicht worden gesteld (artikel 1:257 Burgerlijk Wetboek).
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Op 2 juli 2026 heeft de Raad van een hulpverlener van [hulpverlening] vernomen dat er bij [persoon] , de halfbroer van [minderjarige] , sprake is van fysiek letsel. Op 2 juli 2026 is de situatie van [persoon] bij de stiefvader geëscaleerd en zijn er vermoedens van kindermishandeling door de stiefvader ontstaan. De Raad heeft van een hulpverlener van [hulpverlening] vernomen dat er bij [persoon] sprake is van fysiek letsel, nadat hij door de stiefvader op straat zou zijn gezet en hij bij de buren terecht gekomen is, waarop de politie is gebeld. Bij [persoon] is letsel in de vorm van blauwe plekken, schaafwonden en een bloeduitstorting geconstateerd. Hierbij zou [persoon] hebben aangegeven dat de stiefvader hem met zijn voet op zijn keel heeft geprobeerd te wurgen. [persoon] is bij de HAP behandeld en er is, volgens protocol, een melding gemaakt bij Veilig Thuis. Ook de politie heeft een melding bij Veilig Thuis gedaan. Een hulpverlener van [hulpverlening] heeft aan de Raad verteld dat de vader mogelijk is teruggevallen in drankgebruik. Vermoed wordt dat de zorg voor de drie minderjarige kinderen hem, na het wegvallen van de moeder van de kinderen, mogelijk teveel is geworden. Hiernaast wordt gezien dat het contact tussen de broers onderling moeizamer verloopt. In het verleden is er tevens sprake geweest van agressie, criminaliteit en een gebrek aan impulsbeheersing. Mogelijk is er ook sprake van een licht verstandelijke beperking bij de vader. De stress, spanning en mogelijk alcoholgebruik door de vader kan ervoor zorgen dat zijn agitatie oploopt. De vader heeft aangegeven zich weggezet te voelen als een grote misdadiger en vindt het onterecht dat ook [minderjarige] wordt meegenomen in de zorgen. Er zijn echter door het voorval met [persoon] acute en ernstige zorgen ontstaan om het welzijn en de veiligheid van de bij de vader wonende minderjarigen. Er dient daarom zo spoedig mogelijk zicht te komen op hun opvoedsituatie en veiligheid.
Om bovenstaande redenen zal de kinderrechter het verzoek voor twee weken toewijzen, onder aanhouding van het restant. De kinderrechter vindt het van groot belang dat er zo spoedig mogelijk zicht komt op de opvoedsituatie en veiligheid van [minderjarige] en dat wordt onderzocht wat er nodig is om zijn veiligheid te borgen.
De Raad, de vader en de GI worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde mondelinge behandeling.
5. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 2 juli 2026 tot 16 juli 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de Raad, de GI en de vader op voor de zitting van mr. J.B. van den Beld op [datum 2] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 3 juli 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.