RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447421 / JE RK 26-694
Uitwerking verkorte beschikking van de kinderrechter d.d. 2 juli 2026 over een schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden uit Terneuzen,
tegen
de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen: de GI.
gevestigd te Eindhoven,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. M. Kalle uit Middelburg,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026;
de ter zitting overlegde pleitaantekeningen van de GI;
de verkorte beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 2 juli 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de moeder;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, met voorafgaande kennisgeving daarvan niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Vanwege de nauwe samenhang is de onderhavige zaak gelijktijdig behandeld met het (restant)verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling in de zaak met kenmerk C/02/442138 / JE RK 25-2059, alsmede het verzoek van de moeder over de zorgregeling in de zaak met kenmerk C/02/411128 / FA RK 23-3004. Op deze verzoeken is per separate beschikkingen beslist.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 2 juli 2026 een verkorte beschikking gegeven. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de vader.
Bij beschikking van 3 januari 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 januari 2024 en tot 3 januari 2025. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij (tussen)beschikking van 17 december 2025 met ingang van 3 januari 2026 en tot 3 juli 2026. Het resterende deel van het verzoek is met ingang van 2 juli 2026 toegewezen, waarbij de ondertoezichtstelling is verlengd tot 3 januari 2027.
Bij beschikking van 19 januari 2024 is bepaald dat de moeder en [minderjarige] , in het kader van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar waarbij de aard, duur en frequentie onder regie van de GI nader zal worden uitgewerkt. De beslissing op het verzoek van de moeder is aangehouden in afwachting van een briefrapportage van de GI.
Bij beschikking van 30 december 2025 is bepaald, onder wijziging van het ouderschapsplan van 5 oktober 2018, voor zover het betreft het hoofdverblijf van [minderjarige] , en het door de ouders op d.d. 8 mei 2022 ondertekende aanvullende ouderschapsplan voor wat betreft de tijdelijkheid van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader, dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader heeft. Het verzoek van de vrouw met betrekking tot het vaststellen van een (definitieve) zorgregeling is aangehouden.
De GI heeft op 20 maart 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
“de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering geeft de volgende aanwijzingen:
1. U werkt constructief aan de samenwerking met LJ&R
Concreet betekent dit dat u openstaat voor huisbezoeken en telefonische afspraken en deze nakomt. LJ&R verwacht dat u binnen een redelijke termijn reageert op verzoeken van LJ&R. (...)
2. U levert een evenredige bijdrage aan het vervoer van [minderjarige] van of naar de omgang
Het is belangrijk dat beide ouders bijdragen aan de verantwoordelijkheid om het vervoer van de omgangen van [minderjarige] te faciliteren. (…)
Het is belangrijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] dat zij niet wordt meegenomen in de volwassen zaken die er spelen in haar leven. Hierdoor is het belangrijk dat [minderjarige] vanuit u niet te horen krijgt dat u het niet eens bent met de beslissingen die worden gemaakt als het gaat over de maatregel. Ook is het belangrijk dat u te allen tijde positief praat over vader tegenover [minderjarige] en dat zij niet getuige wordt van ruzies die spelen tussen ouders.
LJ&R heeft vanuit u geen concreet voorstel gekregen hoe er uitbreiding gegeven kan worden vanuit de omgang. Het is belangrijk dat ouders in samenspraak met LJ&R afspraken kunnen maken hoe een toekomstige uitbreiding van de omgang eruit kan zien. Dit vraagt van u een bepaalde mate aan creativiteit en flexibiliteit. Als we vanuit u geen mogelijkheden tot uitbreiding ontvangen, kan de omgang ook niet uitgebreid worden. LJ&R ontvangt het voorstel graag uiterlijk 11 mei 2026.
Vanuit u als moeder vraagt dit dat u actief meedenkt in oplossingen om het vervoer toch mogelijk te maken. U kunt hierbij bijvoorbeeld ondersteuning zoeken via vrijwilligersorganisaties of mensen binnen uw eigen netwerk. LJ&R verwacht dat u hierin inzetten toont en meewerkt aan het realiseren van een structurele oplossing.
3. U bespreekt uw onvrede over het verloop van de maatregel en de andere ouder niet met [minderjarige]
4. U levert een concreet voorstel aan hoe een uitbreiding van de omgang eruit kan zien
(…)
5. U accepteert een vorm van ouderschapsbemiddeling
De kinderrechter heeft bepaald dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat ouders met elkaar kunnen samenwerken en communiceren. In navolging van de kinderrechter heeft LJ&R een vorm van ouderschapsbemiddeling voorgesteld. LJ&R verwacht van u daarom uiterlijk op 20 maart 2026 een reactie op het voorstel dat naar u is gestuurd op 11 maart 2026 en dat u na de aanmelding zich inzet voor deze hulpverlening.
(…)
Indien u besluit zich niet aan deze aanwijzingen te houden vóór 1 juni 2026, ziet LJ&R zich
genoodzaakt intern te overleggen in hoeverre het mogelijk is de (on)begeleide omgangsmomenten tussen u en uw dochter uit te breiden.”
3. Het verzoek
De moeder verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de schriftelijke aanwijzing van de GI van 20 maart 2026 geheel althans gedeeltelijk vervallen te verklaren en in de te geven beschikking aan te geven welke aanwijzing de kinderrechter meer aanvaardbaar acht.
4. De standpunten
Namens de moeder wordt het verzoek gehandhaafd en, aanvullend op de overgelegde stukken, verklaard dat de moeder, ondanks dat bepaalde zaken uit de schriftelijke aanwijzing door het tijdsverloop inmiddels achterhaald zijn, een beslissing van de kinderrechter op haar verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing wenst. Mocht er namelijk in de toekomst een andere procedure volgen, dan is het onwenselijk als de gehele inhoud van de schriftelijke aanwijzing als feiten kunnen worden aangemerkt. De moeder heeft vooral bezwaar tegen de inhoud van de schriftelijke aanwijzing, nu het zorgvuldigheidsbeginsel voldoende in acht is genomen.
[minderjarige] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, dat de GI te traag is met het uitbreiden van de contacten tussen [minderjarige] en de moeder. De omgang is wel uitgebreid met een dag, maar [minderjarige] wil graag nog meer contact met de moeder. De omgangsmomenten met de moeder gaan best wel goed, maar soms gebeuren er nog moeilijke dingen. [minderjarige] wil daarom graag dat de omgangsbegeleidster erbij blijft. Daarnaast vertelt [minderjarige] dat ze soms nog boos is. Ze is bij de speltherapie vooral bezig met spelen en niet met praten. Dit maakt dat [minderjarige] de speltherapie leuk vindt. [minderjarige] heeft wel last van een vol hoofd. Ze wil er alleen niet over praten met iemand, aangezien die persoon het dan toch gaat doorvertellen. Tot slot vertelt [minderjarige] dat het goed gaat bij de vader thuis.
De GI licht ter gelegenheid van de mondelinge behandeling toe dat het de GI vooral gaat om een constructieve samenwerking en onderling respect. Daarnaast is de GI van mening dat de moeder nog niet altijd adequaat meewerkt en meedenkt als het gaat om het vervoer van [minderjarige] van en naar de omgangslocatie. Er zijn bijvoorbeeld nog geen gesprekken geweest over hoe het vervoer moet worden geregeld als de moeder geopereerd is, nu de moeder niet reageert op vragen van de GI. Voorts is het voor de moeder erg lastig gebleken om volwassenzaken niet met [minderjarige] te bespreken. Hierin is de schriftelijke aanwijzing dus helpend. Wat betreft de andere zaken, zoals meedenken met de uitbreiding van de omgang en het meewerken aan ouderschapsbemiddeling, is de moeder is gegroeid.
De vader refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter met betrekking tot het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:263 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder niet instemt met dan wel niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, lid 1, van de Jeugdwet. Ingevolge het tweede lid van dat artikel dienen de met het gezag belaste ouder(s) en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op te volgen. Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het derde lid bepaalt dat een dergelijk verzoek binnen twee weken, met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt, moet worden ingediend. In het vierde lid is opgenomen dat, ten aanzien van een na afloop van deze termijn ingediend verzoek, niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft, indien de verzoeker redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder binnen twee weken nadat de schriftelijke aanwijzing aan haar is uitgereikt, het verzoek tot vervallenverklaring heeft ingediend. Dit maakt dat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is, gelet op de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling, van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voor wat betreft de onderdelen 1 tot en met 3 zijn werking dient te behouden. Onderdeel 1 ziet op een constructieve samenwerking met de GI. Zoals de GI ter zitting nader heeft toegelicht, gaat dit met name om respectvol met elkaar omgaan, geen beledigende en bedreigende uitspraken en binnen een redelijke termijn reageren op contactpogingen. Van de moeder kan redelijkerwijs worden verwacht dat zij zich respectvol en niet bedreigend opstelt. Hoewel de moeder de gelegenheid moet krijgen om – alvorens zij reageert – zaken eerst te laten bezinken, betekent dit niet dat zij niet hoeft te reageren op contactpogingen van de GI. Zo is het gebleken dat de moeder nog altijd niet ingaat op voorstellen van de GI voor het plannen van een bemiddelingsgesprek. Van de moeder kan derhalve worden verwacht dat zij binnen een redelijke termijn reageert op vragen en voorstellen van de GI, alsmede inzet toont en meedenkt in oplossingen voor problemen. Dit sluit ook aan bij hetgeen onder onderdeel 2 is opgenomen. Hoewel het de ouders in beginsel is gelukt om het vervoer van [minderjarige] onderling te regelen, is ter zitting gebleken dat zich opnieuw een situatie heeft voorgedaan waarbij het voor de moeder lastig is gebleken om inzet te tonen en actief mee te denken in oplossingen als het gaat om het vervoer van [minderjarige] . Zo heeft de moeder nog niet gereageerd op vragen van de GI over hoe het vervoer moet worden geregeld als de moeder eenmaal geopereerd is. De moeder lijkt er op dat moment vanuit te gaan dat de vader dit volledig voor zijn rekening neemt en denkt hierbij niet actief mee in oplossingen. Voorts dient onderdeel 3 zijn werking te behouden, nu het van belang is dat de moeder [minderjarige] niet belast met volwassenzaken en negatieve visie over de GI, de vader en de hulpverlening. [minderjarige] heeft veel last van haar complexe thuissituatie en voelt veel verantwoordelijkheid richting de moeder. Het is van belang dat [minderjarige] kind kan zijn en kan blijven. Uit de rapportages van [hulpverlening] volgen aanhoudende zorgen rondom de pedagogische vaardigheden van de moeder en het belasten van [minderjarige] met volwassenzaken. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren, voor wat betreft de onderdelen 1 tot en met 3, afwijzen.
De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing voor wat betreft de onderdelen 4 en 5 vervallen verklaren. Onderdeel 4 van de schriftelijke aanwijzing ziet op het aanleveren van concrete voorstellen voor de uitbreiding van de omgang met [minderjarige] . Ter zitting heeft de GI toegelicht dat de moeder hierin is gegroeid en er daardoor uiteindelijk uitbreiding van de omgang heeft kunnen plaatsvinden. De kinderrechter ziet derhalve aanleiding om dit onderdeel vervallen te verklaren. Onderdeel 5 betreft het accepteren van een vorm van ouderschapsbemiddeling. Ter zitting is gebleken dat de moeder akkoord is gegaan met de inzet van SCHIP-therapie, nadat de GI de moeder heeft gewezen op de mogelijkheid tot ambulante hulpverlening. Dit maakt dat de ouderschapsbemiddeling van start is gegaan, wat aanleiding geeft tot vervallenverklaring. De kinderrechter onderschrijft wel de noodzaak van ouderschapsbemiddeling en verwacht van de ouders dat zij zich hiervoor zullen blijven inzetten, zodat kan worden gewerkt aan de onderlinge samenwerking en communicatie.
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. Gelet hierop zal de kinderrechter het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afwijzen.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verklaart vervallen de schriftelijke aanwijzing van 20 maart 2026 voor wat betreft de onderdelen 4 en 5;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Boomaars, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 en nader schriftelijk uitwerkt op 16 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.