ECLI:NL:RBZWB:2026:7102

ECLI:NL:RBZWB:2026:7102

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-07-2026
Datum publicatie 02-08-2026
Zaaknummer C/02/447797 / JE RK 26-771 en C/02/449644 / JE RK 26-1106
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Wkij zorgregeling en muhp om de juridische situatie in overeenstemming met de feitelijke situatie te brengen tot het moment dat de ouders het gewijzigde ouderschapsplan hebben ondertekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummers: C/02/447797 / JE RK 26-771 (wijziging zorgregeling)

C/02/449644 / JE RK 26-1106 (machtiging uithuisplaatsing)

Datum uitspraak: 2 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van een zorgregeling en een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats 1] ,

advocaat mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 2] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

In zaaknummer C/02/447797 / JE RK 26-771:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026;

het proces-verbaal van de zitting op 4 juni 2026.

In zaaknummer C/02/449644 / JE RK 26-1106:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 juni 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI.

Voorafgaand aan de zitting van 4 juni 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting van 4 juni 2026 heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

De zaken zijn vanwege de samenhang gevoegd behandeld.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij zijn moeder.

De ouders hebben op 12 en 13 december 2023 een ouderschapsplan ondertekend, waaruit onder meer en voor zover hier van belang blijkt dat de ouders de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zijn overeengekomen:

“De minderjarige is op maandag en dinsdag tot woensdagochtend bij moeder en woensdag uit school en donderdag en vrijdag bij vader en de weekenden delen partijen de zorg in onderling overleg, waarbij zoon op vrijdagmiddag uit school naar de ouder gaat bij wie hij dat weekend verblijft en daar blijft tot maandagochtend. De zorg tijdens vakanties en feestdagen delen partijen in onderling overleg bij helfte.”

Het hoofdverblijf van [minderjarige] is in artikel 2 van het ouderschapsplan bij de moeder bepaald.

Bij beschikking van 19 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 maart 2024 en tot 19 maart 2025. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd voor het laatst bij beschikking van 26 februari 2026 met ingang van 19 maart 2026 en tot 19 maart 2027.

3. De verzoeken

In zaaknummer C/02/447797 / JE RK 26-771:

De GI verzoekt de zorgregeling als volgt te wijzigen, zodat [minderjarige] bij vader verblijft en één weekend in de twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij de moeder verblijft. Daarnaast verzoekt de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling de regie te hebben over de omgangsregeling, zodat indien de zorgen afnemen bij de moeder en/of de moeder toch meer ruimte voelt in samenspraak met ouders en [minderjarige] gekeken kan worden of de omgang mogelijk kan worden uitgebreid. De GI verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In zaaknummer C/02/449644 / JE RK 26-1106:

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI geeft aan dat het de ouders nog niet gelukt is om een (nieuw) ouderschapsplan te ondertekenen. De ouders zijn het er wel over eens dat [minderjarige] vanaf 3 augustus 2026 bij de vader gaat wonen. De GI vindt het, gelet op de zomervakantie die voor de deur staat, van belang dat er duidelijkheid komt voor [minderjarige] .

Namens en door de moeder wordt aangegeven dat de moeder akkoord is met de verzoeken van de GI. Het ouderschapsplan moet alleen nog voor wat betreft het financiële deel tussen de ouders afgerond worden. Zolang de moeder in [plaats 1] woont zal de overdracht plaatsvinden op de carpoolplek in [plaats 1] . Zodra de moeder in [plaats 3] woont zal de overdracht plaatsvinden in [plaats 4] . Degene bij wie [minderjarige] is brengt hem naar de carpoolplek, de andere ouder haalt hem daar op.

De vader is akkoord met de verzoeken van de GI en bevestigt de door de moeder benoemde haal- en brengregeling plus locaties

5. De beoordeling

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van lid 3 geldt de zorgregeling ook als de ondertoezichtstelling is geëindigd.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter zal eerst het verzoek om [minderjarige] uit huis te plaatsen beoordelen.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met ingang van 3 augustus 2026 noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter licht dit als volgt toe.

De ouders zijn het er over eens dat het hoofdverblijf van [minderjarige] met ingang van 3 augustus 2026 bij de vader is gelegen. Zij hebben dit echter nog niet vastgelegd in een gewijzigd ouderschapsplan. Om ervoor te zorgen dat op 3 augustus 2026 de juridische situatie overeenkomt met de feitelijke situatie én om ervoor te zorgen dat [minderjarige] de op dit moment gewenste duidelijkheid krijgt, zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlenen.

Daarnaast is het bij deze gewijzigde situatie van belang dat ook de nieuwe zorgregeling wordt vastgelegd. De moeder heeft aangegeven dat het voor [minderjarige] beter is als hij niet meer weekenden dan één keer in de twee weken naar de moeder moet. Op die manier krijgt [minderjarige] de kans om zijn nieuwe leven bij de vader en op de nieuwe woonlocatie in de omgeving van [plaats 5] vorm te geven. De GI heeft echter, juist vanwege het belang van [minderjarige] voor contact met zijn moeder gevraagd om de regie over een uitbreiding van de zorgregeling bij de GI te leggen. Beide ouders vinden het, gelet op [minderjarige] , van belang dat de GI de komende tijd met [minderjarige] meekijkt naar het verloop van de zorgregeling en of er behoefte is aan uitbreiding.

De kinderrechter zal de hieronder vermelde zorgregeling vastleggen, nu deze niet tussen de ouders in geschil is. De regie voor een eventuele uitbreiding zal in handen van de GI worden gelegd. Dit gelet op de verhuizing naar de omgeving van [plaats 5] en het feit dat iedereen zal moeten wennen aan de nieuwe situatie. Maar zeker ook met het oog op de persoon van [minderjarige] en om te voorkomen dat hij in verdere loyaliteitsproblematiek komt. Mochten er vanuit [minderjarige] aanvullende behoeften ontstaan, dan is het aan GI om hierin met [minderjarige] mee te denken.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 3 augustus 2026 en tot 19 maart 2027 (of in ieder geval tot de datum waarop de ouders een gewijzigd ouderschapsplan hebben ondertekend);

stelt de navolgende zorgregeling vast (onder wijziging van de zorgregeling, welke in het door de ouders op 12 en 13 december 2023 ondertekende ouderschapsplan is opgenomen en onder wijziging van een eventuele in de echtscheidingsbeschikking van de ouders opgenomen zorgregeling):

- [minderjarige] verblijft één weekend per twee weken bij de moeder, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag na school naar de carpoolplaats in [plaats 1] dan wel [plaats 4] brengt en de moeder [minderjarige] daar ophaalt en op zondag om 19:00 uur weer terugbrengt en de vader [minderjarige] daar weer ophaalt.

- De eventuele uitbreiding van deze zorgregeling wordt in handen van de GI gelegd, waarbij de GI zorgvuldig de belangen van [minderjarige] monitort en bekijkt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 10 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. De Bont

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand