ECLI:NL:RBZWB:2026:7105

ECLI:NL:RBZWB:2026:7105

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-07-2026
Datum publicatie 02-08-2026
Zaaknummer C/02/447390 / FA RK 26-2072
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Wijziging hoofdverblijf, vervangende toestemming inschrijving BRP-adres en schoolinschrijving

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/447390 / FA RK 26-2072

datum uitspraak: 2 juli 2026

beschikking

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken uit Breda,

tegen

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. E.M.A. Leijser uit Tilburg,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, hierna te noemen [minderjarige] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1. Het procesverloop

In het dossier zitten de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de man van 15 april 2026 met tien bijlagen, ontvangen op15 april 2026;

- de brief van mr. Van Berckel-Van der Rijken van 22 april 2026 met één bijlage;

- de brief van mr. Van Berckel-Van der Rijken van 30 april 2026 met één bijlage;

- de brief van [minderjarige] , ontvangen op 7 mei 2026;

- de brief van mr. Van Berckel-Van der Rijken van 1 juni 2026 met drie bijlagen;

- het verweerschrift van de vrouw van 4 juni 2026 tevens houdende zelfstandig verzoek, ontvangen op 4 juni 2026.

De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 8 juni 2026. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.

[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om met de behandelend rechter over de verzoeken te praten tijdens een kindgesprek of hierover een brief aan de rechter te schrijven. [minderjarige] heeft ervoor gekozen om aan de rechter een brief te schrijven. Tijdens de zitting heeft de rechter verteld wat [minderjarige] heeft geschreven in zijn brief. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van [datum 1] 2017 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op [datum 2] 2017 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.

Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

Partijen hebben op 10 juli 2017 een ouderschapsplan opgesteld. Dit plan is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking en maakt daar onderdeel van uit. In dit plan is bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. Ook zijn partijen ten aanzien van [minderjarige] een zorgregeling overeengekomen, inhoudende dat [minderjarige] in de even weken van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur bij de man verblijft. Daarnaast hebben partijen afspraken gemaakt over het verblijf van [minderjarige] bij partijen tijdens de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen.

De reguliere zorgregeling is in mei 2025, in samenspraak met de hulpverlening, deels gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] op maandag uit school naar de ouders van de man gaat, daar blijft slapen en dinsdagavond na het eten naar de vrouw gaat.

Sinds medio april 2026 verblijft [minderjarige] als gevolg van een incident tussen hem en de vrouw niet langer bij de vrouw. Doordeweeks is [minderjarige] bij de ouders van de man, en in de weekenden bij de man. De vrouw en [minderjarige] hebben op dit moment geen fysiek contact met elkaar.

3. De verzoeken

De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen en de man toestemming te verlenen [minderjarige] in

te schrijven op zijn adres in de gemeentelijke basis administratie, te weten aan de

[adres] te [woonplaats 1] en de benodigde toestemming van de vrouw voor deze inschrijving te vervangen door de toestemming van de rechtbank;

II. de man toestemming te verlenen [minderjarige] in te schrijven op [school 1] in [plaats 1] en de benodigde toestemming van de vrouw voor deze inschrijving te vervangen door de toestemming van de rechtbank.

In het geval de verzoeken zoals onder I en II worden toegewezen:

III. een omgangsregeling (de rechtbank begrijpt zorgregeling) vast te leggen waarbij wordt bepaald dat [minderjarige] eens per twee weken gedurende het weekeind bij de vrouw verblijft van zaterdag na de voetbal tot zondagavond, dan wel een andere regeling die de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht.

De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan haar toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op het [school 2] in [plaats 2] en de ontbrekende toestemming van de man te vervangen door de toestemming van de rechtbank.

4. De standpunten

Door en namens de man is aangevoerd dat in de afgelopen jaren veel is gebeurd, waarbij al langere tijd zorgen zijn over de situatie van [minderjarige] bij de vrouw. Deze zorgen liggen in de sfeer van ruzie met ex-partners, drugsgebruik, financiële problemen en verwaarlozing van de belangen van [minderjarige] . De zorgen worden door de hulpverlening gedeeld, en zijn voor de school, politie en maatschappelijk werk aanleiding geweest om een melding te maken bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft de zaak overgedragen aan [hulpverlening] , die een JIM-trainer (Jouw Ingebrachte Mentor) voor [minderjarige] heeft ingeschakeld.

Hoewel door de hulpverlening is geprobeerd om in te zetten op een verbetering van de situatie, zijn de zorgen alsmaar toegenomen. In het weekend van 10 april 2026 tot en met12 april 2026 heeft er een incident tussen de vrouw en [minderjarige] plaatsgevonden, waarbij [minderjarige] door de vrouw is mishandeld. De man heeft de politie moeten waarschuwen, die ter plaatse is geweest. Hiervan is melding gemaakt bij Veilig Thuis. Na bemiddeling door de Raad en Veilig Thuis is [minderjarige] uit het huis van de vrouw gehaald en heeft hij tot 6 mei 2026, te weten het einde van de meivakantie, bij de man verbleven. Sinds de start van school na de meivakantie verblijft [minderjarige] doordeweeks bij de ouders van de man, en in de weekenden bij de man. De man verblijft doordeweeks deels bij zijn ouders en deels bij zijn vrouw en dochter [persoon] in [woonplaats 1] .

De situatie bij de vrouw is zeer zorgelijk. Een verbetering in de situatie valt op korte termijn niet te verwachten. De man is in staat de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen, en [minderjarige] geeft al langere tijd aan bij de man en zijn gezin te willen wonen. [minderjarige] zit in groep 8 en kan na de zomervakantie op een middelbare school in de woonomgeving van de man starten, te weten het [school 1] in [plaats 1] . De man is recent met [minderjarige] naar deze school gaan kijken, en [minderjarige] is hierover enthousiast.

Partijen komen samen niet tot afspraken over de wijziging van de woonplaats van [minderjarige] en de schoolkeuze. De situatie van de vrouw laat een langer verblijf van [minderjarige] bij de vrouw echter niet toe, ook niet wanneer een veiligheidsplan wordt opgesteld en de hulpverlening wordt ingezet die door [hulpverlening] noodzakelijk wordt geacht, te weten Team Complexe Scheidingen van Sterk Huis en MST-CAN. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] nog verder in zijn ontwikkeling wordt geschaad.

De man acht het van belang dat [minderjarige] , bij een eventuele wijziging van zijn hoofdverblijf naar de man, contact houdt met de vrouw. Daarom verzoekt de man om de vaststelling van een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] , inhoudende een tweewekelijkse weekendregeling. Wel zal hierin een opbouw moeten plaatsvinden omdat er na de plaatsing van [minderjarige] bij de man en zijn ouders na het plaatsgevonden incident met de vrouw, geen fysiek contact meer heeft plaatsgevonden tussen de vrouw en [minderjarige] . Er moet nog ingezet worden op contactherstel.

Door en namens de vrouw is aangevoerd dat sprake is van een wijziging in omstandigheden zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoeken.

De vrouw erkent dat zij en [minderjarige] samen een moeilijke periode hebben doorgemaakt. De vrouw heeft een zeer turbulente relatie gehad met haar ex-partner, niet zijnde de man. Deze ex-partner heeft persoonlijke gegevens van de vrouw misbruikt en haar met allerlei schulden opgezadeld. Tevens bleef deze ex-partner de vrouw, en dus ook indirect [minderjarige] , lastig vallen.

Op voordracht van Veilig Thuis is in 2024 een maatschappelijk werker gekoppeld aan [minderjarige] . [minderjarige] geeft in 2024 in gesprekken met haar aan dat de man snel boos wordt en dat hij niet meer naar de man wil gaan. Halverwege 2025 rapporteert de school maatschappelijk werker dat [minderjarige] veel meekrijgt van de zorgen van partijen en onrustig reageert. Eind december 2025 geeft [minderjarige] te kennen dat hij het lastig vindt dat hij volgend jaar naar de man gaat, omdat hij bang is dat de vrouw daarom boos wordt. [minderjarige] voelt aan dat de vrouw niet gelooft dat deze wens uit [minderjarige] zelf komt.

Op 22 april 2026 reageerde [minderjarige] heel heftig op de mededeling dat hij dat weekend naar de man zou gaan. [minderjarige] vertelde ook aan de vrouw dat er gedoe was op school, waarna de vrouw heeft besloten [minderjarige] van school te houden. Later die dag maakte [minderjarige] aanstalten om uit zijn slaapkamerraam te springen. De vrouw heeft hem kunnen tegenhouden. Zij weerspreekt dat zij [minderjarige] fysiek mishandeld zou hebben. De vrouw heeft contact opgenomen met de man om hetgeen had plaatsgevonden bespreekbaar te maken. De man heeft vervolgens de politie gebeld. De politie is ter plaatse geweest, maar de situatie was op dat moment al rustig.

Direct hierna heeft er een gesprek met partijen, de Raad en [hulpverlening] plaatsgevonden. Overeen is gekomen dat [minderjarige] tot en met 6 mei 2026 bij de man en/of diens ouders zal verblijven. Op 28 april 2026 heeft [hulpverlening] partijen gevraagd om na te denken over de periode na 6 mei 2026. De man stemt niet in met een verblijf van [minderjarige] bij de vrouw.

De vrouw heeft [minderjarige] vanaf 22 april 2026 niet meer gezien. Het contact tussen beiden is minimaal en verloopt zeer wisselend. Het lijkt alsof [minderjarige] klem zit tussen partijen.

De vrouw acht een wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] niet in zijn belang. [minderjarige] is geworteld in [woonplaats 2] , en heeft met veel plezier de school [school 2] in [plaats 2] uitgezocht om daar zijn middelbare schoolcarrière te starten. De vrouw is bereid om haar medewerking te verlenen aan de door [hulpverlening] geadviseerde en noodzakelijk geachte hulpverlening om tot een verbetering van de situatie te komen. Belangrijk is ook dat het JIM-traject wordt voortgezet. Als [minderjarige] bij de man gaat wonen, zal deze hulpverlening stoppen. Vanuit een belaste en klemsituatie moet bovendien geen wijziging worden doorgevoerd. Indien blijkt dat [minderjarige] echt zelf de wens heeft om bij de man te gaan wonen, zal de vrouw hieraan haar medewerking verlenen. Dat gevoel heeft de vrouw echter niet. Zij heeft het idee dat op [minderjarige] is ingepraat.

De vrouw verzoekt primair om de verzoeken van de man af te wijzen en subsidiair om de verzoeken van de man aan te houden onder uitvoering van een onderzoek door de Raad. De verzoeken van de man hebben vergaande gevolgen voor [minderjarige] zoals de start in een nieuwe omgeving, de beperking in de contacten met de vrouw en het permanent wonen in een ander opvoedklimaat. De vrouw is bereid om naast het accepteren van hulp vanuit Sterk Huis en MST-CAN, samen met de man onder leiding van [hulpverlening] een veiligheidsplan op te stellen in afwachting van het advies van de Raad. Omdat de vrouw wenst dat [minderjarige] na de zomervakantie start op het [school 2] in [plaats 2] en de toestemming van de man daarvoor ontbreekt, verzoekt de vrouw aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op voormelde school.

De vertegenwoordigster van de Raad heeft aangevoerd dat de huidige situatie voor [minderjarige] heel ingewikkeld is. [minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid over zijn woon- en verblijfplaats en de middelbare school waar hij na de zomervakantie gaat starten. Deze duidelijkheid moet hem zo snel als mogelijk worden gegeven. De Raad is, mede daarom, niet voornemens om een onderzoek te verrichten omdat dit een jaar in beslag zal nemen. Bovendien acht de Raad zich voldoende geïnformeerd om een advies te kunnen geven. De situatie bij de vrouw is al langere tijd onrustig voor [minderjarige] . Er is heel veel gebeurd, waarbij er zorgen zijn over het functioneren van de vrouw en over de relatie en dynamiek tussen partijen. De vrouw heeft hulpverlening nodig om te komen tot een stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] . [minderjarige] kan daar echter niet op wachten. Hij is volop in ontwikkeling. Na de zomervakantie start [minderjarige] op de middelbare school, en dit moet geregeld worden. De situatie bij de man is op dit moment het meest stabiel, hetgeen [minderjarige] rust zal brengen. De Raad adviseert tot toewijzing van de verzoeken van de man. Omdat partijen open staan voor hulpverlening ziet de Raad geen noodzaak voor een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Belangrijk is dat de hulpverlening betrokken blijft op het moment dat [minderjarige] bij de man zijn hoofdverblijf krijgt. Er moet ingezet worden op contactherstel tussen de vrouw en [minderjarige] en op een verbetering van de ouderrelatie tussen partijen. Daarnaast dient de vrouw aan zichzelf te werken.

5. De beoordeling

Juridisch kader

Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die te maken hebben met de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Daarbij kan de rechtbank onder meer een beslissing nemen over de wijziging van de hoofdverblijfplaats en de wijziging van de zorgregeling met betrekking tot het kind (in geval van gewijzigde omstandigheden) alsook vervangende toestemming verlenen aan een ouder voor het nemen van gezagsbeslissingen over hun kind die in geval van gezamenlijk gezag, door de beide gezagsdragende ouders genomen moeten worden, zoals bijvoorbeeld voor schoolkeuze- en inschrijving en BRP-inschrijving. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter op grond van artikel 1:253a, vijfde lid, van het BW een vergelijk tussen de ouders te beproeven.

Vergelijk partijen

Tijdens de zitting is het niet mogelijk gebleken om partijen tot een vergelijk te laten komen omdat de standpunten van partijen te ver uiteen liggen. Daarom zal de rechtbank een beslissing nemen op de voorliggende verzoeken van partijen.

Hoofdverblijfplaats

De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] langere tijd onrust en spanningen heeft ervaren in de thuissituatie van de vrouw. Door school en de politie zijn in november 2024 en december 2024 drie meldingen bij Veilig Thuis gedaan. Veilig Thuis heeft onderzoek verricht en heeft op basis van het onderzoek aangegeven zich zorgen te maken om [minderjarige] en de vrouw. [minderjarige] en de vrouw hebben veel meegemaakt waardoor [minderjarige] zich onveilig heeft gevoeld bij de vrouw thuis. Ook is [minderjarige] geconfronteerd met volwassen problematiek, zowel door gesprekken met volwassenen als door de psychische problemen van de vrouw. Door Veilig Thuis zijn veiligheidsvoorwaarden opgesteld en zijn met partijen aanvullende afspraken gemaakt ter ondersteuning van de veiligheidsvoorwaarden, waarna de begeleiding en ondersteuning van partijen en [minderjarige] is overgedragen aan [hulpverlening] . Vanuit [hulpverlening] is een JIM-traject voor [minderjarige] gestart. Daarnaast is sinds eind 2024 schoolmaatschappelijk werk bij [minderjarige] betrokken.

De rechtbank stelt vast dat de inzet van bovenvermelde hulpverlening de zorgen over de opvoedsituatie van de vrouw niet dan wel onvoldoende hebben kunnen wegnemen. In april 2026 heeft zich een (fysiek) incident tussen de vrouw en [minderjarige] voorgedaan, waarbij door [hulpverlening] , zoals blijkt uit het overgelegde e-mailbericht van 28 april 2026 gericht aan beide partijen, is vastgesteld dat sprake is van signalen van zowel verbale als fysieke agressie richting [minderjarige] door de vrouw. Daarnaast zijn er zorgen over de belastbaarheid van de vrouw, het thuis houden van [minderjarige] door de vrouw van school en de complexe verstandhouding tussen partijen. Naast het JIM-traject, is het volgens [hulpverlening] noodzakelijk om hulpverlening in te zetten vanuit Sterk Huis dat gericht is op ouderschapsbemiddeling en MST-CAN bij de vrouw thuis dat gericht is op het stoppen van kindermishandeling en verwaarlozing. Daarnaast heeft [hulpverlening] aangegeven dat tot een eventuele terugkeer van [minderjarige] bij de vrouw, naast de inzet van voormelde hulpverlening, enkel kan worden overgegaan indien daaraan voorafgaand een veiligheidsplan wordt opgesteld. Dit ter waarborging van de directe veiligheid van [minderjarige] en om herhaling van agressie vanuit de vrouw te voorkomen.

De vrouw heeft in het verweerschrift en ter zitting aangegeven bereid te zijn haar medewerking te verlenen aan de hulpverlening die [hulpverlening] noodzakelijk acht en aan het opstellen van een veiligheidsplan. De vrouw laat hiermee naar het oordeel van de rechtbank zien zich te willen inzetten voor een verbetering van de situatie. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat het onduidelijk is in hoeverre de inzet van de noodzakelijk geachte hulpverlening en een veiligheidsplan, mede gelet op de (hulpverlenings)geschiedenis en de zwaarte van de problematiek, gaat leiden tot een opvoedsituatie bij de vrouw waarin sprake is van voldoende rust, veiligheid en stabiliteit voor [minderjarige] , en voldaan wordt aan zijn opvoedbehoeften. Bovendien gaat hiermee de nodige tijd gemoeid, terwijl [minderjarige] , die al heel veel heeft meegemaakt, hier niet langer op kan wachten. Er moet voor [minderjarige] zo snel mogelijk duidelijkheid komen over de plek waar hij verder gaat opgroeien. Na de zomervakantie gaat [minderjarige] starten op een middelbare school. Belangrijk is dat [minderjarige] , vanuit een situatie waarin hij zich veilig en comfortabel voelt, een goede en onbelaste start op de middelbare school kan maken en zich kan richten op zijn eigen ontwikkeling in plaats van zijn (opvoed)omgeving. Verder neemt de rechtbank mee dat [minderjarige] al langer de wens uit om bij de man te wonen. Gelet op de situatie waarin [minderjarige] zich bevindt sluit de rechtbank niet uit dat [minderjarige] mogelijk klem zit tussen partijen. De rechtbank heeft echter geen aanwijzingen en/of signalen om aan deze wens van [minderjarige] te twijfelen. In zijn brief aan de rechtbank heeft [minderjarige] expliciet aangegeven bij zijn vader te willen wonen. Er moet nog ingezet worden op contactherstel tussen de vrouw en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] tot op heden aangeeft enkel onder begeleiding van een professional contact met de vrouw te willen hebben buiten de woning van de vrouw.

Alles afwegende acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] om zijn hoofdverblijf te wijzigen naar de man. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij een raadsonderzoek naar de hoofdverblijfplaats, zoals subsidiair verzocht door de vrouw, niet nodig acht. Een raadsonderzoek is geschikt om te onderzoeken hoe de leefsituatie van een kind op een bepaalde plek is. In dit geval staat echter niet ter discussie dat [minderjarige] bij de man een goed thuis heeft. Gesteld noch gebleken is van zorgen over de opvoedsituatie van de man. Hoe een wijziging in zijn hoofdverblijf in de toekomst zal uitpakken laat zich bovendien niet op voorhand onderzoeken. Daarbij komt dat een raadsonderzoek tijdrovend en intensief is, en ook om die reden in dit geval niet aangewezen is.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om de hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen en bij hem te bepalen toewijzen. De rechtbank realiseert zich dat dit een ingrijpende beslissing is. [minderjarige] zal een nieuw leven moeten opbouwen bij de man in [woonplaats 1] . De rechtbank heeft echter geen aanwijzingen dat [minderjarige] dit niet aan zou kunnen. Bovendien is [minderjarige] al bekend en vertrouwd bij de man thuis in [woonplaats 1] .

Inschrijving BRP-adres man en inschrijving middelbare school

Nu de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] zal wijzigingen naar de man, zal aan de man vervangende toestemming worden verleend voor het inschrijven van [minderjarige] op zijn adres in de BRP en voor het inschrijven van [minderjarige] op het [school 1] in [plaats 1] . Daarbij overweegt de rechtbank dat de vrouw geen inhoudelijk bezwaar tegen deze school heeft geuit. Het zelfstandige verzoek van de vrouw tot inschrijving van [minderjarige] op het [school 2] in [plaats 2] zal worden afgewezen.

Wijziging zorgregeling

Nu de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] verandert is een wijziging van de reguliere zorgregeling noodzakelijk. De door de man verzochte zorgregeling, inhoudende een tweewekelijkse weekendregeling, acht de rechtbank passend. Belangrijk is dat [minderjarige] regelmatig contact heeft met de vrouw zodat hun band behouden blijft. Wel neemt de rechtbank mee, zoals besproken ter zitting, dat er vanaf 22 april 2026 geen fysiek contact meer heeft plaatsgevonden tussen de vrouw en [minderjarige] . Een opbouw in de door de man verzochte zorgregeling acht de rechtbank dan ook aangewezen, waarbij het tempo en hetgeen [minderjarige] in het contact met de vrouw aan kan leidend moet zijn. De opbouw zal in goed overleg en samenwerking tussen partijen, al dan niet met behulp van hulpverlening, moeten plaatsvinden. Het is aan partijen om hierin hun verantwoordelijkheid te nemen.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de man tot het vaststellen van een zorgregeling zoals door hem verzocht worden toegewezen, echter wel onder de voorwaarde dat hierin een voor [minderjarige] passende opbouw moet plaatsvinden waarin het tempo en hetgeen [minderjarige] in het contact met de vrouw aan kan gevolgd wordt.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals de man heeft verzocht. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij voor de start van het nieuwe schooljaar bij de man kan gaan verblijven, zodat hij in augustus kan beginnen op zijn nieuwe middelbare school. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen de beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

Proceskosten

Omdat partijen ex-echtgenoten van elkaar zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

6. De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van [datum 1] 2017 en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan van 10 juli 2017, voor wat betreft het hoofdverblijf en de reguliere zorgregeling als volgt:

- bepaalt dat [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, voortaan zijn hoofdverblijf bij de man heeft;

- bepaalt dat de vrouw en voornoemde [minderjarige] in het kader van de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar één keer per twee weken gedurende het weekend van zaterdag na de voetbal tot zondagavond, waarbij een opbouw in de regeling moet plaatsvinden (welke opbouw partijen in overleg met elkaar, al dan niet met ondersteuning hulpverlening, moeten bepalen) en waarin het tempo en hetgeen [minderjarige] in het contact met de vrouw aan kan gevolgd wordt;

verleent - ter vervanging van de toestemming van de vrouw - toestemming aan de man om voornoemde [minderjarige] in te schrijven op zijn adres in de BRP ( [adres] , [woonplaats 1] );

verleent - ter vervanging van de toestemming van de vrouw - toestemming aan de man om voornoemde [minderjarige] in te schrijven op het [school 1] in [plaats 1] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Snatersen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand