RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449016 / JE RK 26-1002
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 juni 2026;
de brief met bijlagen van de vader, ontvangen op 24 juni 2026;
het bericht met bijlagen van de vader, ontvangen op 26 juni 2026;
het bericht met bijlagen van de vader, ontvangen op 27 juni 2026;
het bericht met bijlagen van de vader, ontvangen op 29 juni 2026;
het e-mailbericht met stukken van de vader, ontvangen op 30 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is – met bericht van afmelding – niet ter zitting verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover geen gesprek gevoerd met de kinderrechter, maar een brief geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter deze brief voorgehouden. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 29 juli 2025 en tot 29 juli 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI geeft aan dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, bestaande uit een kwetsbaar en recent hersteld contact met de vader, aanhoudende spanningen tussen de ouders, onvoldoende structurele inzet van hulpverlening en emotionele belasting en loyaliteitsproblematiek bij [minderjarige].
Sinds eind mei 2026 is het contact tussen de vader en [minderjarige] weer structureel vormgegeven.
Deze ontwikkeling maakt dat het gezin opnieuw kan worden aangemeld voor OSB. Ondanks deze vooruitgang blijft de situatie kwetsbaar. De onderliggende problematiek, waaronder communicatieproblemen tussen ouders en het loyaliteitsconflict bij [minderjarige], is nog onvoldoende opgelost. Het risico op terugval blijft aanwezig.
Tegelijkertijd is zichtbaar dat beide ouders, vanuit betrokkenheid bij [minderjarige], stappen zetten. Met name de recente inzet van de vader en het opnieuw tot stand komen van contact bieden perspectief op verder herstel. [minderjarige] laat daarnaast veerkracht zien door, ondanks spanning, contact met beide ouders belangrijk te blijven vinden. Voortzetting van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de positieve ontwikkeling te bestendigen en verdere hulpverlening vorm te geven.
De moeder staat achter het verzoek van de GI.
De vader is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij zou wel graag zien dat deze korter wordt verlengd, om zo de GI te dwingen meer verantwoording af te leggen van handelen.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] zit klem tussen zijn ouders. De vader heeft veel stukken ingediend, die bedoeld zijn om [minderjarige] te beschermen en aandacht te vragen voor zaken. De vraag is echter of dit niet de strijd verhoogt en of de vader niet beter wel het gesprek met de moeder zou moeten aangaan. Ook als er sprake was/ is van de problematiek die de vader aangeeft, is het van belang om als ouders van [minderjarige] te bekijken hoe zijn belangen het beste geborgd kunnen worden. Het aangaan van het gesprek met elkaar kan daarin helpend zijn. Zeker nu de moeder zich bij [hulpverlening] heeft laten onderzoeken en uit dit onderzoek volgens de moeder en de GI naar voren is gekomen, dat er bij de moeder geen sprake is van een verstandelijke beperking. Wel kan zij moeilijk leren (dyscalculie en dyslectisch) en is er sprake van PTSS.
Op dit moment is er sprake van een verstoorde communicatie en verstandhouding tussen de ouders. [minderjarige] wordt daarin betrokken, waardoor hij geraakt wordt in zijn loyaliteit. Een kind voelt feilloos aan hoe zijn ouders met elkaar omgaan. Dus zelfs als stukken niet met hem gedeeld worden, heeft hij last van de huidige situatie.
De kinderrechter vindt het van belang dat er voor [minderjarige] een kindbehartiger komt, zodat er iemand is waar [minderjarige] zijn verhaal kwijt kan, gelet op zijn loyaliteitsproblematiek. De kinderrechter hoopt ook dat de ouders een hulpverleningstraject in de vorm van ouderschapsbemiddeling aangaan en volhouden. Op die manier gaat de communicatie hopelijk via de ouders verlopen en niet meer via [minderjarige].
De kinderrechter hoopt ook dat de ouders zich gaan focussen op hoe zij vooruit kunnen gaan en hoe zij daarbij [minderjarige] buiten alle zorgen kunnen houden. Voor [minderjarige] is het met name van belang om met zijn beide ouders een goed contact te hebben. Ook is het voor [minderjarige] van belang dat zijn ouders goede en duidelijke omgangsafspraken maken, die ook worden nageleefd. Daarbij is het overigens aan de GI om, indien de geldende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet meer uitgevoerd kan worden, hier een wijziging van te verzoeken. Nu houdt de vader zich vast aan de eerdere beschikking over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de moeder volgt juist de instructie van de GI. Dat werkt eerder strijd verhogend en is voor alle betrokkenen onvoldoende duidelijk.
De kinderrechter begrijpt uit de stukken van de vader dat hij zich enorme zorgen maakt, zowel over [minderjarige] als over zijn eigen veiligheid. De vader heeft vele verzoeken aan de kinderrechter gedaan, waar de kinderrechter in het kader van deze zaak niet direct iets mee kan doen. Centraal staat de vraag of de ondertoezichtstelling dient te worden verlengd. In dat kader kan de kinderrechter op dit moment geen nieuw raadsonderzoek vragen ten behoeve van een onderzoek naar het hoofdverblijf, geen dwangsom opleggen voor het naleven van de leerplicht, de GI niet verzoeken om ernst te maken met de zes-puntenbrief van de vader en ook niet de jeugdbeschermer vervangen. De kinderrechter begrijpt dat er een bemiddelingsgesprek met de GI heeft plaatsgevonden, waarin ook een reactie op de zes-puntenbrief is gekomen. Daarnaast is er een uitnodiging voor een tweede bemiddelingsgesprek gedaan. In die zin lijkt het erop dat de GI de punten die de vader aanvoert serieus wil nemen en bespreken met hem.
Dit neemt niet weg dat de kinderrechter het, net als de vader, betreurt dat er door de GI gedurende een lange tijd gebruik is gemaakt van een instroomteam. Ook de kinderrechter ziet liever dat zaken waarin een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken door de GI direct en met voortvarendheid worden opgepakt. Het is een gevolg van de wachtlijstproblematiek waar de jeugdzorg op dit moment mee te kampen heeft. De kinderrechter heeft hier geen invloed op.
Tijdens de zitting is wel besproken hoe de kindbrief van [minderjarige] tot stand is gekomen. De moeder heeft aangegeven dat zij aan [minderjarige] vragen heeft gesteld en zijn antwoorden voor hem heeft opgeschreven. Dat is inderdaad zoals de vader aangeeft, geen neutrale brief van [minderjarige]. Echter heeft ook de GI aangegeven dat wat [minderjarige] vertelt in de kindbrief ook hetgeen is wat [minderjarige] aan de GI vertelt. Daarbij stelt de kinderrechter vast dat de moeder [minderjarige] vanuit goede intenties heeft willen helpen, omdat hij het moeilijk vond om het zelf te verwoorden.
Het is voor [minderjarige] op dit moment, gelet op het feit dat hij klem zit tussen de ouders, erg moeilijk om zijn mening te verwoorden. Hij wil het voor beide ouders graag goed doen. Het is voor hem dan ook niet helpend dat de vader strijd lijkt te voeren tegen de moeder en tegen de GI. Het risico is groot dat [minderjarige] daardoor nog verder in zijn loyaliteitsproblematiek wordt geraakt, terwijl hij juist behoefte heeft om hieruit gehaald te worden. Als het de ouders lukt om gezamenlijk en in het belang van [minderjarige] afspraken te maken over [minderjarige], over de omgang met de vader, maar ook over zijn schoolgang en op welke manier de ouders elkaar informeren, dan kan [minderjarige] nog een deel van zijn jonge leven kind zijn.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de hulpverlening nog niet voldoende van de grond is gekomen.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een half jaar en het resterende deel van het verzoek van de GI aanhouden. De kinderrechter doet dit om op kortere termijn te kunnen bekijken welke stappen er in het belang van [minderjarige] zijn gezet, zodat er in januari 2027 met de ouders en de GI verder gepraat kan worden over (de ontwikkeling van) [minderjarige] en de stappen die ouders hebben gezet met hulpverlening.
De kinderrechter zou het fijn vinden als de vader er de volgende zitting bij is, zodat bepaalde zaken direct aan hem uitgelegd kunnen worden, maar ook zodat de eventuele vragen van de vader rechtstreeks beantwoord kunnen worden.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 29 juli 2026 en tot 29 januari 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling aan tot vrijdag 18 december 2026 PRO FORMA, met het verzoek aan de GI om dan te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 10 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.