RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/449521 / KG ZA 26-346
Vonnis in kort geding van 3 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
eiseres,
advocaat: mr. E. Türk te Bergen op Zoom,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de mondelinge behandeling op 2 juli 2026.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de mondelinge behandeling is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
De man is, hoewel goed opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2024;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021.
De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
De vrouw heeft op 17 november 2025 bij deze rechtbank een echtscheidingsverzoek ingediend, welke geregistreerd is onder zaaknr. C/02/442674 / FA RK 25-6277.
Bij beschikking d.d. 8 juni 2026, hersteld bij beschikking van 17 juni 2026, is in deze procedure de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is, voor zover hier van belang, bepaald dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw is. Het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag is door de rechtbank aangehouden. De echtscheiding is nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Beide partijen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
3. Het geschil
De vrouw vordert na wijziging, bij vonnis in kort geding en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- toestemming te verlenen aan de vrouw om met de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de periode van 7 juli 2026 tot en met 21 augustus 2026 naar Turkije af te reizen en daar gedurende deze periode te mogen verblijven;
- de man te veroordelen in de kosten van dit geding.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.
Er is sprake van veel strijd tussen partijen, zowel tijdens als na de echtscheiding. De man is strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling en bedreiging van de vrouw, waarbij hem een contact- en gebiedsverbod is opgelegd. Wegens overtreding van dit verbod is deze maatregel inmiddels verlengd voor de duur van twee jaar. De afgelopen periode is heftig geweest voor de vrouw en de kinderen, maar ook op dit moment blijft de situatie voor hen gespannen. De man zoekt op allerlei wijzen de vrouw en de kinderen op. Zelfs recentelijk nog hebben er opnieuw veiligheidsincidenten plaatsgevonden. Dit alles zorgt ervoor dat de vrouw en de kinderen erg bang zijn voor de man en dat zij nauwelijks buiten durven te komen. Tijdens de jeugdbeschermingstafel van eind mei 2026 is besloten dat de Raad een beschermingsonderzoek zal starten en in afwachting daarvan is casusregie reeds gestart. De vrouw verzoekt haar toestemming te verlenen voor de vakantie met de kinderen naar Turkije. De ouders van de vrouw en naaste familie gaan binnenkort ook op vakantie en de vrouw wil niet de gehele zomervakantie zonder de aanwezigheid van haar steunend netwerk in Nederland verblijven, omdat de man steeds de confrontatie opzoekt en dit risico’s geeft op onveiligheid. De vrouw hoopt middels het doorbrengen van de zomervakantie in Turkije de rust voor haar gezin te vinden. Helaas weigert de man – net als voor de vakantie van vorig jaar - zijn toestemming hiervoor te verlenen. Tot slot heeft de advocaat van de vrouw ter zitting aangegeven dat zij inmiddels een verzoek tot wijziging van het gezamenlijk gezag en de omgang heeft ingediend. Namens de vrouw wordt de Raad verzocht om deze onderwerpen ook mee te nemen in het raadsonderzoek dat eerdaags zal starten.
De man is niet verschenen in de procedure en heeft geen verweer gevoerd.
4. De beoordeling
Nadat de voorzieningenrechter tijdens de mondelinge behandeling heeft vastgesteld dat ten aanzien van de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is ter zitting tegen de man verstek verleend.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen vast.
Namens de Raad is tijdens de mondelinge behandeling van 2 juli 2026 geadviseerd om de vordering van de vrouw ten aanzien van de vakantie toe te wijzen, omdat dit in het belang van de kinderen is en hen voor nu rust geeft. De Raad is bereid om het verzoek van de vrouw ten aanzien van het gezag en de omgang mee te nemen in het raadsonderzoek. De Raad heeft hiervoor wel een opdracht van de rechtbank nodig. Tot slot adviseert de Raad de moeder om te proberen de spanningen die zij ervaart ten aanzien van de vader zoveel mogelijk weg te houden van de kinderen.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Vooropgesteld wordt dat, nu partijen gezamenlijk het gezag over de minderjarigen hebben, de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om de minderjarigen mee te nemen naar het buitenland, in dit geval Turkije. De man weigert deze toestemming te verlenen. De vraag die moet worden beantwoord is of deze weigering van de man gerechtvaardigd is. Daarbij is relevant of de belangen van de minderjarigen zich tegen een vakantie in Turkije verzetten.
De voorzieningenrechter overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het in het belang van een minderjarige is om van tijd tot tijd met beide of één van de ouders op vakantie te kunnen gaan. Alleen wanneer sprake is van contra-indicaties met een zeker gewicht, kan van het voornoemde uitgangspunt worden afgeweken en kan een vakantie in rechte worden geweigerd.
De voorzieningenrechter stelt vast dat van deze contra-indicaties niet is gebleken. De man is niet verschenen in de procedure om zich met inhoudelijke argumenten te verweren tegen de vorderingen van de vrouw. Daarbij concludeert de voorzieningenrechter uit de overgelegde stukken dat de verstandshouding tussen partijen zeer gespannen is en onder druk staat als gevolg van de agressieve en bedreigende houding van de man, welke reeds heeft geleid tot een contactverbod ten aanzien van de vrouw en kinderen en inmiddels al meermaals is overtreden door de man. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het in de huidige omstandigheden in het belang van de kinderen dat zij met de vrouw op vakantie kunnen en dat zij daar gedurende de zomervakantie de voor hun noodzakelijke rust kunnen ervaren.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. De voorzieningenrechter zal dan ook de vordering van de vrouw toewijzen en haar ter vervanging van de toestemming van de man toestemming verlenen voor de reis naar en het verblijf in Turkije gedurende de door de vrouw verzochte periode.
Ook zal de door de vrouw gevorderde proceskostenveroordeling worden toegewezen. De man is niet in de procedure verschenen en heeft geen verweer gevoerd, waardoor inhoudelijke argumenten tegen de vakantie van de vrouw en de kinderen niet zijn gebleken. Daarbij stelt de voorzieningenrechter vast dat de vrouw vorig jaar ook genoodzaakt is geweest om een procedure te starten voor het verkrijgen van toestemming voor haar vakantie. Door wederom zonder deugdelijke grond zijn toestemming te weigeren, jaagt de man de vrouw voor de tweede maal op kosten en belast hij haar opnieuw met een gerechtelijke procedure. De voorzieningenrechter ziet derhalve voldoende aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat proceskosten in familierechtelijke geschillen worden gecompenseerd tussen partijen.
De man zal gelet op het voorgaande in de proceskosten ad € 961,02 worden veroordeeld, bestaande uit:
- dagvaarding € 153,02
- griffierecht (nog te voldoen) 93,00
- salaris advocaat 715,00
Totaal € 961,02
Tijdens de zitting heeft de advocaat van de vrouw aangekondigd dat zij namens de vrouw een bodemprocedure is gestart dat ziet op wijziging van het gezamenlijk gezag en vaststelling van een zorg-/omgangsregeling. Door de griffier van de rechtbank is echter geconstateerd dat er tot op heden geen nieuw verzoek is ontvangen. De voorzieningenrechter gaat dan ook uit van een misverstand en dat is bedoeld dat zij voornemens is een bodemprocedure aanhangig te maken. Er wordt vanuit gegaan dat de advocaat dit alsnog per ommegaande zal doen. Nu het beschermingsonderzoek eerdaags gestart zal worden door de Raad, acht de voorzieningenrechter het in de huidige omstandigheden van belang dat de verzoeken van de vrouw ook worden meegenomen in het raadsonderzoek. De voorzieningenrechter zal de Raad dus verzoeken om het beschermingsonderzoek uit te breiden om zodoende de rechtbank te kunnen voorzien van een advies over de verzochte wijziging van het gezag en welke de zorg-/omgangsregeling volgens de Raad het meest toekomt aan het belang en de behoeften van de kinderen.
De Raad wordt verzocht om ten behoeve van de (nog aanhangig te maken) bodemprocedure van partijen het raadsonderzoek uit te breiden ter beantwoording van de navolgende vragen:
Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarigen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
Welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verleent - ter vervanging van de toestemming van de man - toestemming aan de
vrouw om met de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1]
2024 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021 gedurende de periode van 7
juli 2026 tot en met 21 augustus 2026 naar Turkije af te reizen en daar gedurende deze
periode te verblijven;
veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden
begroot op € 961,02;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, om ten behoeve van en vooruitlopend op de nog in te dienen bodemprocedure een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen, welk rapport dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers griffier.