ECLI:NL:RBZWB:2026:7120

ECLI:NL:RBZWB:2026:7120

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-07-2026
Datum publicatie 03-08-2026
Zaaknummer C/02/447644 / JE RK 26-745
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Rechtbank volgt het besluit van de GI dat het perspectief van de minderjarigen niet meer bij de ouder(s) is gelegen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447644 / JE RK 26-745

Datum uitspraken: 3 juni 2026 (mondeling) en 3 juli 2026

Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

over de minderjarigen

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , Libië, hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] , Libië, hierna te noemen: [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedag 3] 2014 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 3] ,

[minderjarige 4] ,

geboren op [geboortedag 4] 2017 in [geboorteplaats 4] , hierna te noemen: [minderjarige 4] ,

[minderjarige 5] ,

geboren op [geboortedag 5] 2019 in [geboorteplaats 5] , hierna te noemen: [minderjarige 5] ,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen.

De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. R.T.A.G. Keller te Tilburg,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda , hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1. Het verloop van de procedure

In het procesdossier zitten de volgende stukken:

het op 24 april 2026 ontvangen verzoekschrift van de GI, met bijlagen;

het op 1 juni 2026 ontvangen bericht van mr. Keller, met bijlagen;

de tijdens de zitting overgelegde pleitaantekeningen van mr. Keller.

Op 3 juni 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:

de moeder, bijgestaan door mr. Keller en de heer [persoon 1] , tolk in de Arabische taal (Syrisch-Libanees) (tolkennummer [nummer] );

de vader;

mr. [persoon 2] ;

twee vertegenwoordigsters namens de GI;

een vertegenwoordigster namens de Raad.

De rechtbank heeft daarnaast, met instemming van alle aanwezigen, bijzondere toestemming verleend aan mevrouw [persoon 3] , een vriendin van de moeder, om de zitting als toehoorder bij te wonen.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben, gezien hun leeftijd, het recht om hun mening in deze zaak te geven. Zij zijn daarom uitgenodigd om op 1 juni 2026 hun mening te geven tijdens een gesprek met mr. Pellikaan, die als kinderrechter deel uitmaakt van de meervoudige kamer van de rechtbank. Zij zijn echter niet verschenen en hebben ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun mening schriftelijk aan de rechtbank mee te delen.

2. De feiten

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

De minderjarigen zijn onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 2 juni 2025 is deze maatregel voor het laatst verlengd tot 6 juni 2026.

Bij beschikking van 10 december 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verleend voor de duur van twee weken. Deze maatregelen zijn nadien steeds verlengd, voor het laatst tot 6 juni 2026. [minderjarige 2] verblijft momenteel op een groep van [woongroep] in [woonplaats 1] . [minderjarige 3] en [minderjarige 5] verblijven momenteel in [gezinshuis] in [plaats 1] . [minderjarige 4] verblijft momenteel bij [accommodatie 1] in [plaats 1] .

[minderjarige 1] verbleef tot voor kort op dezelfde groep als [minderjarige 2] bij [woongroep] . Bij beschikking van 21 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige 1] verleend tot 4 juni 2026. Bij beschikking van 27 mei 2026 is vervolgens een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige 1] verleend voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling, dus tot 6 juni 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek is aangehouden in afwachting van de beslissing van de meervoudige kamer van de rechtbank in de nu voorliggende zaak over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] verblijft momenteel bij [accommodatie 2] in [plaats 2] , in een gesloten setting.

3. De verzoeken van de GI en de onderbouwing daarvan

De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 6 juni 2027, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De GI verzoekt daarnaast om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder alsmede de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 5] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 6 juni 2027, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft hierbij ter zitting verduidelijkt dat het verzoek dat ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] moet worden gezien als een subsidiair verzoek ten opzichte van haar resterende verzoek om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige 1] te verlenen (in de zaak C/02/448088 / JE RK 26-817).

De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. In december 2024 zijn de minderjarigen met spoed uit huis geplaatst uit de opvoedsituatie van de moeder, omdat gezien werd dat de minderjarigen niet de basiszorg kregen die zij nodig hebben. Er zijn zorgen of de moeder over voldoende zorg- en opvoedvaardigheden beschikt om de minderjarigen alles te bieden wat zij nodig hebben. De moeder en de minderjarigen zijn met een intensief ouder-kindtraject gestart bij Sterk Huis ( [afdeling] ) in samenwerking met [accommodatie 1] . Op een gegeven moment zijn zij doorgestroomd naar het [traject] . Deze trajecten zijn echter vroegtijdig en zonder succes beëindigd. Begin 2025 is er geprobeerd om de twee oudste kinderen ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ) terug te plaatsen bij de moeder. Gebleken is echter dat het de moeder, onder meer vanwege haar verstandelijke beperkingen, de stress die gepaard gaat met de zorg voor de kinderen en mogelijk trauma gerelateerde problematiek, niet lukt om op een verantwoorde manier voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen. Vanuit Sterk Huis en [accommodatie 1] is toen geconcludeerd dat het onverantwoord is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (en daarmee ook de jongste drie kinderen) bij de moeder terug te plaatsen. Doordat de vader de (bezoek)afspraken met de minderjarigen onvoldoende is nagekomen, heeft de GI daarnaast geconcludeerd dat de vader niet in staat is om op een stabiele en betrouwbare manier voor de minderjarigen te zorgen, waardoor een terugplaatsing van (een deel van) de minderjarigen bij de vader evenmin tot de mogelijkheid behoorde. Gelet hierop heeft de GI in april 2025 het besluit genomen dat het perspectief van de minderjarigen, oftewel de plek waar zij verder zullen opgroeien, naar haar mening niet meer bij (één van) de ouders is gelegen.

In voormelde situatie is tot op heden onvoldoende verandering gekomen. Afgesproken is dat de minderjarigen momenteel eenmaal per zes weken omgang hebben met hun ouders, waarbij de omgangsmomenten met de vader en met de moeder aansluitend aan elkaar plaatsvinden onder begeleiding van [ggz-instelling 1] . Daarnaast vinden er omgangsmomenten plaats tussen de ouders en de minderjarigen afzonderlijk van elkaar. [minderjarige 1] heeft ervoor gekozen om geen omgang te hebben met zijn moeder. Gezien wordt dat de moeder moeite heeft met het pakken van haar ouderrol en dat zij veel sturing nodig heeft bij het plannen, het organiseren en het herinneren van de omgangsmomenten. Doordat de vader zich nog steeds onvoldoende aan de afspraken houdt, gaan omgangsmomenten regelmatig niet door met als gevolg dat de omgang wisselend plaatsvindt en er in periodes geen sprake is geweest van omgang. De omgangsmomenten vinden plaats op woensdagmiddag, omdat de minderjarigen dan vrij zijn van school. Het is onder meer met het oog op hun schooltijden niet mogelijk om de omgang te plannen op maandag, zoals de vader ter zitting heeft voorgesteld. Overigens is de vader wisselend in zijn uitspraken over zijn beschikbaarheid met betrekking tot de omgang. Ook neemt hij zelf geen initiatief om buiten de regeling om omgang met de minderjarigen te hebben, terwijl hem die mogelijkheid wel wordt geboden. De GI stelt verder dat de samenwerking met beide ouders moeizaam verloopt, dat de ouders beperkt beschikbaar en aanwezig zijn bij afspraken met school of de hulpverlening, en dat er zorgen zijn over de manier waarop de ouders hun gezag over de minderjarigen uitoefenen, waardoor belangrijke (gezags)beslissingen over de minderjarigen niet altijd voortvarend genomen kunnen worden. Hierbij wordt ook gezien dat de ouders weinig initiatief nemen en dat zij veel sturing en begeleiding nodig hebben. De GI benadrukt dat er bij de ouders geen sprake lijkt te zijn van onwil, maar van onmacht.

In de beschikkingen van 2 juni 2025 en 11 augustus 2025 heeft de kinderrechter aan de GI de opdracht gegeven om in te zetten op een traject voor Gezinspsychiatrie bij [ggz-instelling 2] , of een vergelijkbare instelling, om te onderzoeken of er toch mogelijkheden zijn om de moeder een opvoedrol te geven ten aanzien van (een deel van) de minderjarigen. Beide ouders hebben hiervoor hun toestemming gegeven, maar de vader wilde niet aan het traject deelnemen. Naar aanleiding van de intake die heeft plaatsgevonden, heeft [ggz-instelling 2] de aanvraag afgewezen vanwege meerdere contra-indicaties (die onder meer zien op de samenwerking, de betrouwbaarheid, de taalbarrière en huisvesting). Volgens de GI worden er in Nederland geen andere, vergelijkbare trajecten aangeboden. De GI ziet geen mogelijkheden om opnieuw in te zetten op een ouder-kindtraject, zoals namens de moeder is voorgesteld, omdat dit al is geprobeerd (middels [afdeling] en [traject] bij Sterk Huis). Bovendien is in het verleden al onderzocht of een traject vanuit [accommodatie 1] tot de mogelijkheden behoort; deze aanmelding is echter afgewezen omdat daar de begeleiding die de moeder nodig heeft, niet kan worden aangeboden. De GI heeft tot slot in de afgelopen periode aan de Raad verzocht om een perspectiefonderzoek te verrichten. De Raad kon dat echter niet doen, omdat dit enkel mogelijk is als hij daartoe de opdracht krijgt vanuit de rechtbank.

[minderjarige 3] , [minderjarige 5] en [minderjarige 4] ontwikkelen zich momenteel positief in het gezinshuis en op de groep. Het gezinshuis van [minderjarige 3] en [minderjarige 5] is perspectiefbiedend. [minderjarige 4] verblijft momenteel op een overbruggingsplek. Voor hem zal nog gezocht moeten worden naar een perspectiefbiedende plek. [minderjarige 2] verblijft momenteel ook op een passende groep, maar zij wil zelf graag terugkeren naar haar moeder. Op de groep wordt er ingezet op het creëren van een voldoende veilige basis voor [minderjarige 2] , om van daaruit in te zetten op (trauma)behandeling.

Gelet op het voorgaande is de GI van mening dat de minderjarigen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat het voortzetten van de hulpverlening en de regievoering vanuit de GI binnen het gedwongen kader noodzakelijk is. Ook is een uithuisplaatsing nog steeds in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen noodzakelijk. De GI verzoekt daarom aan de rechtbank om de ondertoezichtstelling en de machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarigen te verlengen voor de duur van een jaar. Nu is geconcludeerd dat de moeder over onvoldoende opvoedvaardigheden beschikt om voor (een deel van) de minderjarigen te zorgen en de vader onvoldoende betrouwbaar en beschikbaar is gebleken, de hulpverleningstrajecten die tot nu toe zijn ingezet ontoereikend zijn gebleken voor het wegnemen dan wel het voorkomen van (verergering van) bovengenoemde zorgen en de hulpverleningsmogelijkheden volgens de GI inmiddels uitgeput zijn, handhaaft de GI haar besluit dat het perspectief van de minderjarigen naar haar mening niet bij (een van) de ouders is gelegen. Aangezien de bestaande onduidelijkheid over het perspectief van de minderjarigen leidt tot veel spanningen en stress, waarbij de GI van mening is dat de “aanvaardbare termijn” van de minderjarigen al ruimschoots is overschreden, verzoekt de GI daarnaast aan de rechtbank om hierbij duidelijk te overwegen dat het perspectief van de minderjarigen, naar het oordeel van de rechtbank, niet langer bij (een van) de ouders is gelegen.

Wanneer vaststaat dat het perspectief van de minderjarigen inderdaad niet bij (een van) de ouders is gelegen, dan zal de GI in de komende periode bezien of de ouders dit besluit alsnog kunnen accepteren en of zij in staat zullen zijn om het gezag over de minderjarigen op een goede manier te blijven uitoefenen. Naar aanleiding daarvan zal de GI de vervolgstappen bepalen.

4. De standpunten van de ouders en het advies van de Raad

Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder wil het allerliefste dat de minderjarigen weer bij haar komen wonen. De moeder maakt zich zorgen om hun welzijn nu zij uit huis geplaatst zijn. Vanaf het moment dat de GI het besluit heeft genomen dat het perspectief van de minderjarigen wat haar betreft niet meer bij (een van) de ouders is gelegen, is er behoudens de aanmelding bij [ggz-instelling 2] niets meer gebeurd. Tegelijkertijd gaat het steeds minder goed met de minderjarigen nu zij uit huis geplaatst zijn. Nu de moeder naar verwachting binnenkort over een eigen woonruimte beschikt, stelt de moeder dat de minderjarigen het beste weer bij haar kunnen wonen. De moeder vindt zichzelf daartoe voldoende in staat. De moeder wil graag eerst dat de twee oudste kinderen bij haar komen wonen, gevolgd door de drie jongste kinderen op een later moment. Om dat te bereiken, is de moeder bereid om opnieuw een ouder-kindtraject te doorlopen, bijvoorbeeld bij [accommodatie 1] . De moeder betwist dat zij haar afspraken onvoldoende zou nakomen. Het stoort de moeder dat de GI aangeeft dat zij onvoldoende betrokken zou zijn bij de minderjarigen. Het is volgens de moeder juist de samenwerking met de GI die te wensen overlaat. De moeder zou daarom graag zien dat de GI andere jeugdbeschermers aanstelt die de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verder zullen uitvoeren, bij voorkeur met dezelfde culturele achtergrond als het gezin en waarbij minder door een westerse bril en meer cultuursensitief wordt bezien of er bij de ouder(s) sprake is van goed genoeg ouderschap. Daarnaast vraagt de moeder zich af, nu de GI aangeeft dat de minderjarigen getraumatiseerd zijn, wat het aandeel van hun uithuisplaatsing daarin is geweest. Gelet op het voorgaande verzet de moeder zich niet tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor een korte periode van drie tot maximaal zes maanden en om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te verlengen voor een periode van zes tot maximaal negen maanden, waarbij de GI de mogelijkheden voor een terugplaatsing dient te onderzoeken en de Raad wordt verzocht om een perspectiefonderzoek te verrichten.

De vader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De vader is van mening dat de minderjarigen bij hem, bij de moeder of bij hen gezamenlijk kunnen worden teruggeplaatst. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen is volgens de vader dan ook niet nodig. De vader vraagt zich eveneens af wat het aandeel van de uithuisplaatsingen van de minderjarigen is in de trauma’s waarmee zij kampen. De vader stelt verder dat het voor hem vanwege zijn werk niet mogelijk is om op woensdagen omgang met de minderjarigen te hebben. De vader is wel beschikbaar op maandagen.

De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Het is de Raad gebleken dat de minderjarigen specifieke zorg- en opvoedingsbehoeften hebben, maar dat het de ouders, ondanks dat er al veel hulpverlening betrokken is (geweest), niet lukt om voldoende daaraan tegemoet te komen. De verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen ligt voornamelijk bij de GI. De Raad vindt het daarnaast van belang dat er duidelijkheid ontstaat over het perspectief van de minderjarigen. De vorige keer heeft de kinderrechter er niet voor gekozen om de Raad te verzoeken om een perspectiefonderzoek te verrichten. In het verleden is er al wel uitvoerig onderzoek verricht vanuit [jeugdhulp] . Hoewel dit onderzoek niet specifiek was gericht op het perspectief van de minderjarigen, is er wel onderzoek gedaan naar de mogelijkheden en de belemmeringen van de beide ouders. De moeder heeft haar medewerking daaraan verleend, de vader niet. Uit voormeld onderzoek is naar voren gekomen dat de minderjarigen meer nodig hebben dan wat de ouders hen kunnen bieden en dat er onvoldoende vooruitgang wordt gezien in de opvoedvaardigheden van de moeder. De Raad kan het besluit van de GI dat het perspectief van de minderjarigen niet meer bij (een van) de ouders is gelegen daarom goed volgen.

5. De beoordeling door de rechtbank

Wat zegt de wet?

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter (of in dit geval de rechtbank), mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter (of in dit geval de rechtbank) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.

Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter (of in dit geval de rechtbank) de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter (of in dit geval de rechtbank), mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar en maximaal voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing (mondelinge uitspraak van 3 juni 2026)

Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, blijkt dat er nog steeds zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de moeder en over de betrouwbaarheid en de beschikbaarheid van de vader. Daardoor zijn er zorgen over de (basale) verzorging en veiligheid van de minderjarigen als zij op dit moment (gedeeltelijk) zouden worden teruggeplaatst bij (een van) hun ouders. De rechtbank constateert dan ook dat de zorgen waardoor de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarigen, nog steeds aanwezig zijn. Op dit moment hebben de ouders en de minderjarigen slechts beperkt omgang met elkaar onder begeleiding van [ggz-instelling 1] . Zo is er nog geen sprake van dat (een deel van) de minderjarigen bij (een van) de ouders blijft overnachten. Daarnaast is gebleken dat de samenwerking tussen de GI en de ouders moeizaam verloopt en dat de ouders veel sturing, begeleiding en herinneringen nodig hebben. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet mogelijk is om (een deel van) de minderjarigen per direct volledig terug te plaatsen bij (een van) de ouders. De rechtbank heeft op dit moment ook niet het vertrouwen dat de noodzakelijk geachte hulpverlening en de uithuisplaatsing van de minderjarigen op vrijwillige basis kan worden voortgezet. Daarmee wordt, naar het oordeel van de rechtbank, voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen.

Aangezien de huidige maatregelen bijna aflopen, zal de rechtbank, bij wijze van mondelinge uitspraak, de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 6 juni 2027. De rechtbank zal daarnaast de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 5] in een gezinsgerichte omgeving verlengen voor de duur van een maand, dus tot 6 juli 2026. De rechtbank zal voor het overige uiterlijk binnen vier weken beslissen (zoals hieronder is overwogen). Over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zal de rechtbank op dit moment geen beslissing nemen, omdat hij op dit moment met een machtiging gesloten jeugdhulp in een gesloten setting verblijft.

De rechtbank zal de (toewijzende) beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld.

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing (uitspraak van 3 juli 2026)

De rechtbank zal hierna het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen beoordelen en vervolgens daarop beslissen.

De vraag die met dit verzoek samenhangt, is of de rechtbank het besluit van de GI dat het perspectief van de minderjarigen niet meer bij (een van) de ouders is gelegen kan volgen of dat zij van oordeel is dat er nog moet worden gewerkt aan een terugplaatsing van (een deel van) de minderjarigen bij (een van) de ouders. Het is de rechtbank op basis van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, gebleken dat er zorgen bestaan of beide ouders afzonderlijk van elkaar over voldoende vaardigheden beschikken om de minderjarigen te verzorgen en hen op te voeden. Daarnaast zijn er, met het oog op de draagkracht en belastbaarheid van beide ouders, zorgen over hun fysieke en emotionele betrokkenheid bij de minderjarigen. Hier is dan ook geen sprake van onwil, maar van onmacht. In de eerste periode van de ondertoezichtstelling is de moeder samen met de minderjarigen bij Sterk Huis geplaatst voor het doorlopen van het intensieve ouder-kindtraject [afdeling] (in samenwerking met [accommodatie 1] ). Daarna zijn zij doorgestroomd naar het [traject] . Deze trajecten zijn echter tussentijds en zonder positief resultaat beëindigd, omdat gezien werd dat het de moeder niet lukt om aan de gestelde eisen te voldoen om te kunnen starten met de volgende fase van het traject. Nadien heeft de GI ingezet op het terugplaatsen van de oudste twee minderjarigen bij de moeder, maar dit is om dezelfde redenen ook niet gelukt. Door Sterk Huis en [accommodatie 1] is naar aanleiding daarvan geconcludeerd dat het de moeder, onder meer vanwege haar verstandelijke beperkingen, langdurige overvraging met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de minderjarigen en de mogelijke aanwezigheid van traumagerelateerde klachten, niet lukt om structureel de verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding van (een deel van) de minderjarigen. Vanwege de beperkte beschikbaarheid en betrokkenheid van de vader, is er niet ingezet op een terugplaatsing van (een deel van) de minderjarigen bij hem. Gelet hierop heeft de GI in april 2025 het besluit genomen dat het perspectief van de minderjarigen niet bij (een van) de ouders is gelegen.

Bij de beschikkingen van 2 juni 2025 en 11 augustus 2025 heeft de kinderrechter de opdracht gegeven aan de GI om in te zetten op een traject voor Gezinspsychiatrie bij [ggz-instelling 2] of een vergelijkbare instelling, om te onderzoeken of er toch mogelijkheden zijn om de moeder een opvoedrol te geven ten aanzien van (een deel van) de minderjarigen. In augustus 2025 is de aanmelding gedaan. De vader heeft hiervoor zijn toestemming gegeven, maar hij wilde zelf niet aan het traject deelnemen. In november 2025 heeft er een intake plaatsgevonden, maar [ggz-instelling 2] heeft de aanmelding afgewezen omdat er bij de moeder meerdere contra-indicaties werden gezien. Daarnaast lukt het de vader nog steeds niet om zijn beloftes en afspraken met de minderjarigen na te komen. Hij neemt ook geen initiatief om regelmatig bij de minderjarigen op bezoek te gaan, terwijl hem die mogelijkheid wel is geboden. In de periode voorafgaand aan de ondertoezichtstelling is er ook al hulpverlening ingezet vanuit onder meer [hulpverlening] , [jeugdzorg] , [dagbesteding] en is er diagnostiek verricht vanuit Impegno en Kentalis. Ook is een aanvraag bij [accommodatie 1] voor een ouder-kindtraject afgewezen. De GI ziet geen mogelijkheden meer om in te zetten op een terugplaatsing van (een deel van) de minderjarigen bij (een van) de ouders. De hulpverleningsmogelijkheden zijn wat haar betreft daarom nu uitgeput.

De rechtbank is van oordeel, gelet op al het voorgaande, dat beide ouders om verschillende redenen niet in staat zijn om duurzaam voor de minderjarigen te zorgen en hen op te voeden, terwijl de minderjarigen ieder afzonderlijke zorg- en opvoedbehoeften hebben. [minderjarige 4] heeft vanwege zijn kindeigen problematiek en beperkingen bovendien specialistische behoeften. Beide ouders zijn niet in staat gebleken om de minderjarigen alles te bieden wat zij nodig hebben. Hoewel de ouders tijdens voormelde trajecten ook (kleine) positieve stapjes hebben gezet, is over het geheel bezien gebleken dat de geleerde zorg- en opvoedvaardigheden bij de ouders onvoldoende beklijven. Het is niet gelukt om de opvoedsituaties van de ouders op zo’n manier te versterken dat een terugplaatsing van (een deel van) de minderjarigen bij (een van) de ouders tot de mogelijkheden is gaan behoren. Tegelijkertijd is gebleken dat de minderjarigen de bestaande onduidelijkheid over hun perspectief, oftewel de plaats waar zij verder zullen opgroeien, niet langer kunnen verdragen. Hun “aanvaardbare termijn” is inmiddels ruimschoots overschreden. Ondanks dat de rechtbank de mening van [minderjarige 2] dat zij graag wil terugkeren naar haar moeder goed kan begrijpen, kan de rechtbank, gelet op al het voorgaande, het besluit van de GI dat het perspectief van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] niet meer bij (een van) de ouders is gelegen, goed volgen. Op dit moment lijkt het uitbreiden van de omgangsregeling tussen (een deel van) de minderjarigen en de ouder(s) immers het hoogst haalbare te zijn, met eventueel in de toekomst een overnachting.

De rechtbank zal daarom het resterende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 5] in een gezinsgerichte voorziening verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 6 juni 2027.

Nu de rechtbank, net als de Raad, het perspectiefbesluit van de GI goed kan volgen, waardoor er in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarigen niet langer hoeft te worden ingezet op een thuisplaatsing van (een deel van) de minderjarigen bij (een van) de ouders, ziet de rechtbank, net als de Raad, geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlenen of om de Raad te gelasten om een perspectiefonderzoek te verrichten, zoals namens de moeder is aangevoerd.

De rechtbank zal deze beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld.

Aangezien [minderjarige 1] op dit moment met een machtiging gesloten jeugdhulp voor een nader te bepalen tijd in een gesloten accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verblijft, zal de rechtbank het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een (reguliere) accommodatie van een jeugdhulpaanbieder afwijzen. Nu de rechtbank het resterende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] zal afwijzen en het perspectief van [minderjarige 1] , althans op de korte termijn, onduidelijk is, zal de rechtbank zich op dit moment ook niet verder uitlaten over het perspectief van [minderjarige 1] .

De rechtbank overweegt tot slot nog het volgende. In de komende periode zal de GI vanuit de situatie dat het perspectief van de minderjarigen niet meer bij (een van) de ouders is gelegen, bezien of de hulpverlening op de huidige voet kan en zal worden voortgezet of dat er een verderstrekkende maatregel nodig zal zijn. Dit zal onder meer afhankelijk zijn van de wijze waarop de ouders in de komende periode in staat zullen zijn om het perspectief van de minderjarigen alsnog te accepteren. De rechtbank is wel van oordeel dat de GI aandacht moet blijven houden voor de mogelijkheden om de omgangsregeling tussen de minderjarigen en de ouder(s) uit te breiden en (een deel van) de minderjarigen bij de ouder(s) te laten logeren. Uit de informatie vanuit [woonaccommodatie] die is overgelegd door mr. Keller, blijkt dat [woonaccommodatie] voornemens is om een woning te zoeken voor de moeder in geval de minderjarigen bij haar zullen terugkeren. Hoewel er dus niet meer zal worden ingezet op een terugplaatsing van (een deel van) de minderjarigen bij de moeder, is het hebben van een eigen woning naar het oordeel van de rechtbank nog steeds van belang met het oog op de mogelijkheden van de moeder om de minderjarigen bij haar te kunnen laten logeren. De rechtbank hoopt dan ook dat [woonaccommodatie] de moeder zal blijven ondersteunen bij haar zoektocht naar een eigen woning.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing

6. De beslissing door de rechtbank

De rechtbank:

mondelinge uitspraak op 3 juni 2026:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] , [minderjarige 3] en [minderjarige 5] tot 6 juni 2027;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 juni 2026 tot 6 juli 2026;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 5] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 6 juni 2026 tot 6 juli 2026;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

uitspraak op 3 juli 2026:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 juli 2026 tot 6 juni 2027;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 5] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 6 juli 2026 tot 6 juni 2027;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een (reguliere) accommodatie van een jeugdhulpaanbieder af.

Deze beschikking is deels mondeling gegeven op 3 juni 2026 en schriftelijk vastgesteld op 3 juli 2026 en voor het overige gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. De Graaf, voorzitter, mr. Pellikaan en mr. Jurkovich, allen kinderrechters, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. De Graaf

Griffier

  • mr. Wallerbos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand