RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449276 / FA RK 26-3071
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Beschikking zorgmachtiging aansluitend op een zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
wonend in [plaats] ,
advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven uit Tilburg.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 16 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026 op het thuisadres van betrokkene bij het RIBW aan [adres] te [plaats] . Daarbij zijn aanwezig en gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
psychiater, mevrouw [persoon 1] ,
casemanager, mevrouw [persoon 2] ;
persoonlijk begeleider bij het RIBW, de heer [persoon 3] .
2. Wat vaststaat
Bij beschikking van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend tot en met 1 augustus 2026.
3. Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van vierentwintig maanden met de volgende vormen van verplichte zorg:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
4. De standpunten
Betrokkene brengt, samengevat, naar voren dat hij het liefst op vrijwillige basis zorg zou krijgen. Betrokkene hoopt daarbij dat de huidige afspraken kunnen worden aangepast, in die zin dat hij bijvoorbeeld telefonisch in gesprek kan gaan met het FACT. Volgens betrokkene zal hij zijn medicatie blijven gebruiken, ook zonder zorgmachtiging. Immers, betrokkene weet dat hij zijn medicatie nodig heeft. Betrokkene erkent dat bij hem sprake is van een psychische stoornis. Ook is juist dat betrokkene middelen gebruikt als cannabis en speed. In de visie van betrokkene heeft het gebruik van middelen echter niets te maken met zijn psychische stoornis. Betrokkene is binnen het RIBW verhuisd. Op zijn huidige woonplek kan betrokkene minder rust vinden en kan hij zich niet goed oriënteren. Betrokkene vindt de begeleiding fijn.
De psychiater verklaart, samengevat, als volgt. Het gaat nu relatief goed met betrokkene. Dat hij nu hier aan tafel zit en hij uitlegt hoe het gaat, is een verbetering. De psychiater heeft er geen vertrouwen in dat betrokkene zijn medicatie zal blijven gebruiken zonder zorgmachtiging. Over zijn depotmedicatie is betrokkene zeer wisselend. Ook is uit het verleden gebleken dat betrokkene niet zonder zorgmachtiging kan. Betrokkene krijgt sinds kort eens per drie maanden zijn depotmedicatie. Eerder kreeg hij dit maandelijks toegediend. Betrokkene is beter in contact met zijn begeleiding. Op de huidige woonvorm van betrokkene wordt middelengebruik gedoogd. Betrokkene is hulpverlening aangeboden om van zijn middelengebruik af te komen. Dit blijft onderwerp van gesprek. Wat betreft de verslavingsstoornis geeft de psychiater desgevraagd aan dat betrokkene op zijn middelen leeft en de verslaving hem volledig in beslag neemt. Of voldaan is aan de Hoge Raad criteria is haar niet bekend. Wanneer betrokkene geen zorgmachtiging zou hebben, zou hij stoppen met zijn depotmedicatie en zal hij zichzelf verwaarlozen. Betrokkene wordt dan zorgmijdend. Betrokkene is nu stabiel, omdat hij een zorgmachtiging heeft en die situatie moet behouden blijven. Betrokkene heeft nu langer dan vijf jaar een zorgmachtiging. De verwachting is niet dat het ziektebesef en -inzicht zullen verbeteren. Desgevraagd, op de vraag van de advocaat, antwoordt de psychiater dat bij betrokkene sprake is van drang. Een artikel 8:9-beslissing is voor betrokkene niet ingezet. Hij komt niet zelf op afspraken, men moet naar hem toe. Van levensgevaar is op dit moment geen sprake meer. Ook het vertonen van agressie naar anderen is van langer geleden.
De casemanager vult hierop, samengevat, het volgende aan. De casemanager onderschrijft dat het beter met betrokkene gaat. Hij is nu enigszins stabiel. Betrokkene is verhuisd naar een andere RIBW-locatie waarbij sprake is van een gesloten voordeur. Dit betekent dat derden niet zomaar in en uit kunnen lopen. Voor betrokkene is dit beter. Zijn netwerk heeft geen goede invloed op hem. Betrokkene is verslaafd aan middelen. Het gebruik daarvan neemt toe. Hij veroorzaakt hiermee vooralsnog geen grote problemen voor de maatschappij. Van betrokkene is bekend dat wanneer hij met zijn depotmedicatie stopt, hij snel onderuit zal gaan. Als hij bijvoorbeeld een week te laat is met zijn depot, dan heeft hij hier gelijk last van. Bij betrokkene is geen dwang nodig, maar wel een directieve benadering. Betrokkene neemt zijn medicatie, omdat gezegd wordt dit moet vanwege de zorgmachtiging. Wanneer betrokkene geen zorgmachtiging zou hebben, dan gaat hij zijn depotmedicatie weigeren en zal het ernstig nadeel toenemen. Er treedt dan ook gevaar op voor zijn medebewoners. Bovendien zal de woonplek van betrokkene dan op het spel komen te staan. Wanneer betrokkene ontregelt leeft hij volledig in zijn eigen wereld en alles hangt van wanen aan elkaar. Een zorgmachtiging zal dan pas weer kunnen worden aangevraagd op het moment dat hij ontregelt. Dat is zeker gezien zijn recente progressie niet in zijn belang. Ten slotte geeft de casemanager aan dat er een overdracht gaat plaatsvinden naar een ander FACT-team. Daardoor is het belangrijk dat de huidige stabiliteit voldoende wordt geborgd.
De persoonlijk begeleider van betrokkene verklaart, samengevat, als volgt. Tegenwoordig komt betrokkene regelmatig in gesprek. Zo verschijnt hij op koffiemomentjes en vraagt hij om feedback. Betrokkene is verder veel op pad. Hij komt regelmatig in aanraking met de politie en ontvangt veel boetes. Gezien wordt dat betrokkene bij het RIBW kleine stapjes zet. Het gebruik van betrokkene neemt toe. Zijn leefgeld gaat op aan drugs. De afweging die betrokkene hierin maakt, zijn niet de juiste. Daarom wordt het geld van betrokkene door anderen beheerd.
De advocaat voert, kort samengevat, het volgende aan. Betrokkene bevestigt dat bij hem sprake is van schizofrenie. De psychische stoornis staat dan ook niet ter discussie. Ook is er sprake van dagelijks cannabisgebruik. In de medische verklaring wordt niet onderbouwd dat betrokkene een verslavingsstoornis heeft in de zin van de Wvggz. Ook tijdens de zitting kan dit niet worden onderbouwd. Aan de vereisten die de Hoge Raad aan een verslavingsstoornis stelt, wordt niet voldaan. De middelgerelateerde en verslavingsstoornis dient door de rechtbank dan ook niet te worden meegenomen in de beoordeling. Daarnaast is het de vraag of er sprake is van ernstig nadeel. Van zelfverwaarlozing of verwaarlozing van de woning is op dit moment geen sprake. Ook is uit de stukken niet gebleken dat sprake is van agressie naar anderen of levensgevaar. De onafhankelijk psychiater heeft het ernstig nadeel bovendien niet zelf waargenomen. Dit is haar medegedeeld door de psychiater, zo is vermeld onder vraag 6d van de medische verklaring. Dit is ook in strijd met de eisen die de Hoge Raad stelt aan de medische verklaring. Daarnaast is bij betrokkene geen sprake van verzet. Hij accepteert zijn depotmedicatie. Betrokkene geeft aan dat hij zijn depotmedicatie vrijwillig wenst te gebruiken. Wanneer betrokkene dit toch niet doet, kan er altijd een nieuwe zorgmachtiging worden aangevraagd. Bovendien is gebleken dat betrokkene nu stabiel is, hij goed in contact is met zijn begeleiding bij het RIBW en hij in overleg is met het FACT. Gelet op de vrijwilligheid bij betrokkene, moet terughoudend met een zorgmachtiging, als ultimum remedium, worden omgegaan. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen.
5. De beoordeling
De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Op grond van de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen. Tevens is er sprake van middelengebruik. Dat bij betrokkene sprake is van een verslavingsstoornis in de zin van de Wvggz, is onvoldoende onderbouwd. Volgens vaste rechtspraak moet, in geval van verslaving aan gedrag-beïnvloedende middelen voor toepassing van de Wvggz sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Uit de medische verklaring en de toelichting van de psychiater tijdens de zitting blijkt onvoldoende dat hiervan sprake is.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
maatschappelijke teloorgang;
bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij/zij onder invloed van een ander raakt;
de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Op het standpunt van de advocaat dat de medische verklaring niet voldoet omdat de onafhankelijk psychiater het ernstig nadeel niet zelf heeft waargenomen, oordeelt de rechtbank dat dit geen vereiste is in de zin van de Wvggz. Voldoende is dat het bestaan van het ernstig nadeel door drie personen aan de psychiater is medegedeeld en hij deze informatie heeft kunnen betrekken bij zijn medische beoordeling. Daar komt bij dat het ernstig nadeel of het ernstig risico daarop ook blijkt uit het zorgplan en de toelichting van de psychiater, de casemanager en de persoonlijk begeleider op zitting. Dit (risico op) ernstig nadeel bestaat met name uit zelfverwaarlozing, verwaarlozing van de omgeving en maatschappelijke teloorgang. Indien betrokkene ontregelt wordt betrokkene boos, minder toenaderbaar en is hij onrustig. Hierdoor loopt betrokkene het risico om zijn woning bij het RIBW te verliezen. Daarnaast kan betrokkene dan vanuit zijn overweging God te zijn, mensen op dwingende manier benaderen. Dit kan bij anderen agressie oproepen. Het in het verzoek genoemde levensgevaar betrekt de rechtbank niet in haar oordeel, nu hiervan geen sprake meer is, danwel het risico daarop onvoldoende is onderbouwd. Dat het ernstig nadeel zich op dit moment minder manifesteert, is geen vereiste in de Wvggz. Het gaat om het bestaan van of een aanzienlijk risico op ernstig nadeel. En daarvan is sprake.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Hoewel betrokkene zegt op vrijwillige basis zorg te willen ontvangen, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat met betrokkene (behandel)afspraken zijn te maken in een vrijwillig kader. De rechtbank betrekt daarin dat betrokkene zich ambivalent opstelt ten aanzien van zijn medicatie. Betrokkene heeft al meerdere jaren een zorgmachtiging nodig en daarbij wordt een directieve houding en drang ingezet om het depot te zetten. Betrokkene geeft aan alleen telefonische contacten te wensen met zijn behandelaar. Bovendien is gebleken dat het drugsgebruik van betrokkene en de ernst daarvan toenemen, wat maakt dat het ziektebesef en -inzicht daardoor beïnvloed kunnen worden. Daarom is verplichte zorg nodig.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten.
De rechtbank bepaalt daarbij nog dat onder ‘aanbrengen van beperkingen
in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten’ moet worden verstaan dat betrokkene periodiek contact heeft met zijn ambulant behandelteam (FACT) en medewerkers van het RIBW en hij de door hen gegeven aanwijzingen opvolgt. De rechtbank wijst deze vorm van verplichte zorg op deze wijze toe. Het beperken van het gebruik van communicatiemiddelen is niet nodig gebleken en de rechtbank wijst dit dan ook af.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.
In afwijking van het verzoek zal de rechtbank de zorgmachtiging verlenen voor de duur van twaalf maanden. De verzochte duur van vierentwintig maanden acht de rechtbank voor nu te lang. Immers, gebleken is dat het beter met betrokkene gaat, hij enigszins stabiel functioneert en hij na zijn verhuizing beter is in contact met RIBW-begeleiding. Betrokkene heeft tijdens de zitting aangegeven op vrijwillige basis zorg te willen ontvangen. Hoewel dat voor nu te vroeg komt, kan de komende periode worden onderzocht of en in hoeverre dit in de toekomst wél mogelijk is. Onder andere door de zorg te geven met minder drang en directieve benadering. Indien en voor zover er voor betrokkene een nieuwe zorgmachtiging nodig is, verwacht de rechtbank van de zorgaanbieder een onderbouwing waarom een voortgang van de zorg in het vrijwillig niet is gelukt én in hoeverre dit is geprobeerd.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de volgende maatregelen kunnen worden toegepast;
- het toedienen van medicatie;
het verrichten van medische controles;
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, zoals is weergegeven in rechtsoverweging 5.7.1;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 3 juli 2027;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Gremmen, rechter, in aanwezigheid van mr. Vos, griffier, en op schrift gesteld op 14 juli 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.