ECLI:NL:RBZWB:2026:7129

ECLI:NL:RBZWB:2026:7129

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-07-2026
Datum publicatie 03-08-2026
Zaaknummer C/02/408986 / FA RK 23-2008
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Verzoek vaststellen omgangsregeling afgewezen

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknumer: C/02/408986 / FA RK 23-2008

Datum uitspraak: 3 juli 2026

(Nadere) beschikking betreffende omgangsregeling

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. C.G. Huijsmans te Goes,

tegen

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg,

betreffende de minderjarigen:

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, Landelijk Hoog Risico & Expertise Team, gevestigd te Den Haag, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1. Het nadere procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 30 juni 2025, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;

- het F9-formulier van mr. Huijsmans van 23 januari 2026, met bijlagen;

- het F9-formulier van mr. Wouters van 4 februari 2026, met bijlagen;

- het bericht van de Raad van 7 april 2026, ontvangen op 10 april 2026;

- het proces-verbaal van de zitting op 8 mei 2026;

- de briefrapportage van de GI van 11 mei 2026, ontvangen op 21 mei 2026.

Het verzoek is nader mondeling behandeld op de zitting van 29 mei 2026. Bij die zitting zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, via een online verbinding, bijgestaan door haar advocaat in de zittingszaal. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de GI. Namens de Raad is, met bericht van verhindering, geen vertegenwoordiger verschenen tijdens de zitting.

2. De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar de eerder in deze procedure gegeven tussenbeschikking van 15 augustus 2023 waarin naar voren komt dat er mogelijk sprake is geweest van huiselijk geweld van de vader jegens de moeder, en waarin de rechtbank heeft vastgesteld dat de verhouding tussen partijen behoorlijk onder druk stond en dat contact tussen beiden op dat moment niet mogelijk was, mede door het in kort geding opgelegde contactverbod als gevolg van de dreigende houding van de man naar de vrouw. De rechtbank heeft daarbij het Landelijk Hoog Risico Expertise Team van de Raad gevraagd om het destijds al lopende kinderbeschermingsonderzoek uit te breiden naar een onderzoek ten aanzien van de in het kader van de in deze procedure destijds voorliggende vragen ten aanzien van het gezag, de omgang en door de man verzochte terugverhuizing van de vrouw en de minderjarigen.

De rechtbank verwijst naar de eerder in deze procedure gegeven tussenbeschikking van 16 januari 2024. Bij deze beschikking is het verzoek van de man ten aanzien van de terugverhuizing van de vrouw en de minderjarigen afgewezen. De behandeling van de zaak ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot het gezag en de zorg-/omgangsregeling is aangehouden in afwachting van de ontwikkelingen en het nader onderzoek en advies van de Raad.

Vervolgens heeft de rechtbank in de tussenbeschikking van 5 november 2024 bepaald dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over de minderjarige [minderjarige 1] . Het verzoek van de man om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het gezag over de minderjarige [minderjarige 2] is daarbij afgewezen. Ook is in deze beschikking bepaald dat de minderjarigen onder begeleiding van de GI statusvoorlichting moeten krijgen en dat de man en de minderjarigen recht hebben op begeleid beeldbelcontact met elkaar waarbij het eerste contactmoment, de duur en de frequentie en de vervolgcontacten in handen liggen van de GI en het tempo en belang van de minderjarigen leidend is. De behandeling van de zaak ten aanzien van de definitieve omgangsregeling is daarbij aangehouden.

Bij tussenbeschikking van 30 juni 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de man om een definitieve omgangsregeling vast te leggen aangehouden in afwachting van naderbericht van de (nieuwe) GI over het verloop van de ondertoezichtstelling en de (on)mogelijkheden tot uitbreiding van de omgangsregeling en/of vaststelling van een definitieve omgangsregeling. Ter gelegenheid van de zitting hadden er nog maar enkele beeldbelmomenten tussen de man en de minderjarigen plaatsgevonden en had het laatste beeldbelmoment geen doorgang gevonden door de verhuizing van de vrouw en de minderjarigen. Naar het oordeel van de rechtbank diende het beeldbellen direct weer opgepakt te worden en op een structurele wijze te worden voortgezet, zodat er een half jaar later gerapporteerd zou kunnen worden over het verloop van deze beeldbelmomenten en de mogelijkheden tot uitbreiding hiervan.

Bij bericht van 23 januari 2026 is namens de man aangegeven dat hij nagenoeg geen contact heeft met de minderjarigen nu het beeldbellen is stopgezet. Volgens de man zou de GI daarbij hebben aangegeven dat het beeldbellen goed moet verlopen en dat de man eerst een cursus moet volgen, terwijl de man analfabeet is en de minderjarigen volgens de man weten dat hij zich op een bepaalde wijze uitdrukt. De man is van mening dat deze werkwijze van de GI haaks staat op de beslissing van de rechtbank dat het beeldbellen direct moet worden opgepakt en op een structurele wijze moet plaatsvinden.

Bij bericht van 2 februari 2026 is namens de vrouw aangegeven dat het laatste beeldbelmoment tussen de man en de minderjarigen op 18 september 2025 niet goed is verlopen en voortijdig is afgebroken, doordat de man een gespannen en bozige indruk maakte en zich niet door de begeleiding liet sturen. De minderjarigen zijn hier erg van geschrokken en hebben daardoor een forse terugval in hun gedrag gehad. Zo zijn de gedragsproblemen van [minderjarige 1] in de maanden na het laatste contactmoment met de man fors toegenomen. Er was sprake van onder meer conflicten op school, verbaal en fysiek agressief gedrag, slaapproblemen, nachtmerries en sterk teruggetrokken gedrag. [minderjarige 2] vertoonde deze periode eveneens duidelijke gedrags- en spanningssignalen, bestaande uit vechtincidenten op school, problemen met zindelijkheid, moeite met inslapen en meer frustraties en boosheid. Na enkele maanden zonder contact zijn de problemen in het gedrag van de minderjarigen nu verminderd. De vrouw is bang dat het weer opstarten van het beeldbellen met de man opnieuw een negatieve weerslag op de minderjarigen zal hebben. Dit vindt de vrouw niet in het belang van de minderjarigen, die al zoveel hebben meegemaakt. Daarbij benoemt de vrouw dat de kinderrechter in de beschikking van 2 december 2025, waarbij de ondertoezichtstelling van de minderjarigen is verlengd, heeft aangegeven dat er pas weer een beeldbelmoment tussen de man en de minderjarigen kan plaatsvinden als de man aan zichzelf gaat werken, zijn houding verandert en zich goed laat begeleiden. Hiervan is geen sprake. Namens de vrouw wordt daarom verzocht om een eindbeslissing te nemen, waarin het verzoek tot het vaststellen van een definitieve omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen wordt afgewezen, en waarin eventueel kan worden overwogen dat het de man wel vrijstaat om brieven en kaartjes naar de minderjarigen te sturen, in samenspraak met de GI.

In de briefrapportage van 11 mei 2026 benoemt de GI dat de beeldbelcontacten tussen de man en de minderjarigen in augustus en september 2025 door de GI zijn begeleid aangezien de begeleiding vanuit het [woongroep] vanwege een wachtlijst niet direct kon starten. In augustus is het beeldbellen redelijk verlopen, maar in september is het beeldbellen helemaal niet goed verlopen. Tijdens het laatste beeldbelcontact op 18 september 2025 liet de man zich niet sturen door de GI, werd hij boos en is hij gaan schreeuwen. Het beeldbelmoment is daarop voortijdig beëindigd in het belang van de minderjarigen. De minderjarigen zijn hier erg van geschrokken en hebben nadien een forse terugval in hun gedrag gehad. Vooral [minderjarige 1] heeft hier nog maanden last van gehad. In verband daarmee is [minderjarige 1] aangemeld voor traumatherapie en [minderjarige 2] voor speltherapie.

Nu er bij de man geen inzicht lijkt te zijn in zijn eigen gedrag en het effect daarvan op de minderjarigen, vindt de GI het nodig dat de man eerst een ouder-coachingstraject volgt bij het [woongroep] . Vanuit het [woongroep] wordt daarbij aangegeven dat zij, met verschillende randvoorwaarden, de begeleiding van de beeldbelmomenten kunnen realiseren. Een bodemeis is echter dat de man hulpverlening heeft en aanvaardt, zodat ook aan zijn zijde iemand de videobelmomenten kan begeleiden. Nu dat op dit moment niet het geval is, kunnen de beeldbelmomenten niet op een veilige manier plaatsvinden.

Thans ligt nog ter beoordeling aan de rechtbank voor het verzoek van de man om een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en de minderjarigen gedurende één weekend per veertien dagen vanaf vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en de helft van de feestdagen in nader overleg tussen partijen te bepalen, waarbij de man zal zorgdragen voor het halen van de minderjarigen aan het begin van het omgangsmoment en de vrouw zal zorgdragen voor het halen van de minderjarigen aan het einde van het omgangsmoment, dan wel een beslissing te geven op zodanige wijze als de rechtbank in goede justitie juist acht.

De man heeft ter gelegenheid van de zitting zijn verzoek gehandhaafd. De man kan zich niet vinden in de briefrapportage van de GI, die ook nog eens veel te laat is opgesteld. Volgens de man was er in september afgesproken dat zijn cadeautjes voor de minderjarigen aanwezig zouden zijn bij het beeldbellen. Toen hij tijdens het beeldbelmoment aan de GI vroeg waar de cadeautjes waren, gaf de GI aan dat de cadeautjes niet aanwezig waren en hij zich er niet mee moest bemoeien, waarna de GI het gesprek vrij snel overnam en stopzette. De GI was volgens de man geschrokken van zijn houding, terwijl de minderjarigen daar volgens de man mee bekend zijn. Vervolgens heeft er maanden lang geen enkel contact tussen de man en de minderjarigen plaatsgevonden. Pas in de briefrapportage van 11 mei 2026 geeft de GI aan dat de man eerst hulpverlening nodig heeft. De man geeft aan open te staan voor hulpverlening en daar altijd aan mee te werken. Hij is dan ook gelijk in actie gekomen om deze hulpverlening aan te vragen, maar de gemeente heeft zijn hulpvraag verkeerd begrepen en er is nu nog geen zicht op of en wanneer er hulpverlening aan de zijde van de man zou kunnen starten. Het verzoek dient daarom te worden aangehouden in afwachting van de ontwikkelingen. Dit is bovendien nodig om ervoor te zorgen dat de GI proactief aan de slag gaat en om te voorkomen dat er opnieuw een lange periode niets gebeurt. Tot slot benoemt de man dat hij graag wil dat er duidelijkheid komt en dat hij klaar is met Nederland, zich gediscrimineerd voelt en wil terugverhuizen naar Curaçao.

Door en namens de vrouw wordt ter gelegenheid van de zitting afwijzing van het verzoek bepleit. Het laatste beeldbelcontact tussen de man en de minderjarigen is heel ingrijpend geweest voor de minderjarigen. De man is er nadien herhaaldelijk op gewezen dat hij hulpverlening dient aan te vragen en aan te gaan om ervoor te zorgen dat het contact met de minderjarigen voortaan op een passende, veilige en op de minderjarigen afgestemde manier kan plaatsvinden. De man heeft echter aangegeven daar geen behoefte aan te hebben, ondanks de bij hem bekende consequentie daarvan, te weten het uitblijven van het contact met de minderjarigen. De man heeft dan ook genoeg kansen gehad om hulpverlening in te schakelen en aan te gaan. Het contact tussen de man en de minderjarigen kan nu niet op een veilige en passende manier plaatsvinden. Mocht de man toch besluiten om hulpverlening aan te gaan, dan kan het contact tussen de man en de minderjarigen wat de vrouw betreft weer worden opgestart. Daarbij merkt de vrouw wel op dat zij het van groot belang vindt om de minderjarigen te beschermen tegen een nieuwe verlieservaring, als het contact nu weer wordt opgebouwd en de man vervolgens besluit om terug naar Curaçao te verhuizen. Het verzoek dient gelet op het voorgaande te worden afgewezen en de procedure dient nu definitief worden afgedaan. De GI kan dit de situatie de komende tijd blijven monitoren en gaan borgen.

In aanvulling op de briefrapportage geeft de GI ter gelegenheid van de zitting aan dat het in beginsel belangrijk is voor minderjarigen om met beide ouders contact te kunnen onderhouden. Dat moet echter wel op een veilige manier kunnen gebeuren en dat lukt in dit geval tot op heden niet. Zolang er geen professionele hulpverlening bij de man is betrokken om hem in ieder geval ook aan zijn zijde te begeleiden tijdens de beeldbelmomenten met de minderjarigen, kan er daarom geen contact tussen de man en de minderjarigen plaatsvinden. Dit is door het gedrag van de man namelijk te belastend voor de minderjarigen. De GI heeft dit meermaals aan de man medegedeeld, waarop hij heeft aangegeven niet open te staan voor hulpverlening. Verder benoemt de GI dat het op dit moment redelijk goed gaat met de minderjarigen. Zij staan beiden op de wachtlijst voor trauma- c.q. speltherapie. De minderjarigen blijven echter heel erg kwetsbaar en zij kunnen de onzekerheid rondom het contact met hun vader niet nog langer dragen. Tot slot benoemt de GI dat de mogelijkheid van kaartjes sturen vanuit de man naar de minderjarigen via de GI zeker mogelijk is.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:

omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;

de ouder is kennelijk ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;

het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;

er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Dit recht op omgang wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat en het kind zelf, daarnaast gewaarborgd door Europese en internationale verdragen, zoals artikel 8 EVRM, artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. Op de ouder die met het gezag is belast, rust op grond van artikel 1:247 lid 3 BW voorts de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. De rechter dient bij het oordeel over een omgangsregeling in situaties waarin (een verdenking van) huiselijk geweld aan de orde is er op grond van artikel 31 Verdrag van Istanbul en artikel 19 IVRK voorts rekening mee te houden dat de omgangsregeling niet ten koste gaat van de rechten en de fysieke en geestelijke veiligheid van het slachtoffer of een kind. De rechter dient dan ook bij de behandeling van de zaak bijzondere zorgvuldigheid in acht te nemen, de risico’s op verder geweld goed in te schatten en adequate en proportionele maatregelen te nemen in het licht van die inschatting.

De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel van belang is dat minderjarigen omgang hebben met hun beide ouders. De omstandigheden van het geval kunnen echter aanleiding geven om op voornoemd uitgangspunt een uitzondering te maken. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval van een dergelijke uitzonderingssituatie sprake is. Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter gelegenheid van de zitting is de rechtbank van oordeel dat voortzetting of verdere opbouw van de omgang tussen de man en de minderjarigen onder de huidige omstandigheden in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen. Tussen partijen is in het verleden mogelijk sprake geweest van huiselijk geweld. Vast staat dat de man zich dreigend heeft opgesteld naar de vrouw en de minderjarigen, dat daarvoor een contactverbod is opgelegd en dat de vrouw en de minderjarigen na een periode in de veilige opvang al drie jaar op verschillende, voor de man onbekende adressen verblijven, omdat zij bang zijn voor de man. De onderhavige procedure loopt al bijna drie jaar en de afgelopen periode is ondanks al het vorenstaande op diverse manieren geprobeerd om onder regie van de GI op een bij het tempo en belang van de minderjarigen aansluitende wijze tot statusvoorlichting en een opbouw van contact tussen de man en de minderjarigen te komen. De vrouw heeft, ondanks haar eigen angst voor de man, hier aan meegewerkt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen daarover tijdens de zitting is gezegd volgt dat, na statusvoorlichting en een moeizame totstandkoming van de beeldbelcontacten, de laatste beeldbelcontacten tussen de minderjarigen en de man op een voor de minderjarigen zeer belastende en onplezierige wijze zijn verlopen, omdat de man zijn emoties niet kon beheersen en zich tijdens die momenten, in aanwezigheid van de minderjarigen, verbaal agressief heeft geuit. De rechtbank begrijpt dat de man hier herhaaldelijk op is gewezen en dat hem meermaals is verzocht om eerst hulpverlening in te schakelen om te werken aan zichzelf en om hem tijdens de beeldbelcontacten met de minderjarigen aan zijn zijde te begeleiden, zodat deze contacten weer op een veilige, passende en op de minderjarige afgestemde wijze zouden kunnen plaatsvinden. Hoewel de man stelt dat dit wel zo is, is niet gebleken dat de man vervolgens hulpverlening heeft ingeschakeld of aanvaard om hem te begeleiden tijdens de beeldbelmomenten. Sterker nog, de eerder bij de man betrokken hulpverlening is enige tijd geleden beëindigd en de man heeft de afgelopen maanden geen nieuwe hulpverlening aangevraagd, maar juist aan de GI ook steeds aangegeven hier niet toe bereid te zijn. De man en zijn advocaat hebben ter gelegenheid van de zitting weliswaar aangegeven dat de man kort voor de zitting alsnog hulpverlening heeft aangevraagd bij de gemeente, maar zij konden niet vertellen welke hulpverlening was aangevraagd, noch aangeven of deze aanvraag tot de inzet van hulpverlening zal leiden die de videobelcontacten aan de zijde van de man kan gaan begeleiden en zo ja, vanaf wanneer deze hulpverlening kan worden ingezet.

Daarbij overweegt de rechtbank dat de minderjarigen, gelet op de grote spanningen tussen partijen, hun zeer belaste verleden en de incidenten tijdens de laatste videobelmomenten, waar zij zeer val last van hebben gehad, niet nog langer in onzekerheid kunnen verkeren over het contact(herstel) met hun vader. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de beeldbelcontacten in september de minderjarigen zodanig veel schade hebben opgeleverd dat de GI aangeeft dat zij nu traumatherapie en speltherapie behoeven als gevolg van die contacten. De rechtbank neemt hierbij ook in overweging dat de man ter gelegenheid van de zitting heeft laten zien dat hij zijn emoties niet altijd onder controle kan houden en op welke wijze hij dan ‘ontploft’. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor jonge kinderen intimiderend is en volgt de man dan ook niet in zijn stelling dat de minderjarigen maar moeten accepteren dat hij ‘nu eenmaal zo is’. Tot slot overweegt de rechtbank dat de onderhavige procedure al een zeer lange looptijd kent en dat beide ouders ter gelegenheid van de zitting hebben aangegeven dat zij en niet in de laatste plaats ook de minderjarigen hierdoor onrust ervaren en dat zij veel behoefte hebben aan rust en duidelijkheid.

Gezien al het voorgaande is de rechtbank gebleken dat het, hoewel hier in het kader van deze procedure en de ondertoezichtstelling geruime tijd wel op is ingezet, tot op heden niet is gelukt om het beeldbellen tussen de man en de minderjarigen op een veilige, passende en op de minderjarigen afgestemde wijze te laten plaatsvinden en dat er evenmin zicht is op een verbetering van deze situatie op korte termijn. De rechtbank acht het daarom niet in het belang van de minderjarigen om thans een (opbouwende) omgangsregeling vast te stellen of het daartoe strekkende verzoek wederom aan te houden. Nog daargelaten dat het verzoek van de man dat thans voorligt zich richt op een nog veel uitgebreidere vorm van omgang, die thans in het geheel nog niet haalbaar lijkt. Gelet daarop en op al het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen. Daarbij merkt de rechtbank op dat, zoals ter zitting is besproken, het sturen van brieven en kaartjes door de man aan de minderjarigen via de GI wel tot de mogelijkheden behoort. De rechtbank geeft de GI in overweging mee te onderzoeken of dit in overleg met partijen kan worden opgepakt.2.16. Voorts geldt dat de afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tijdelijk van aard is, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden om een omgangsregeling te laten vaststellen.

3. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in aanwezigheid van mr. De Haas, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Hendriks

Griffier

  • mr. De Haas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand