beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/449467 / FA RK 26-3182
Uitwerking verkorte beschikking d.d. 3 juli 2026 over vervangende toestemming vakantie en vervangende toestemming aanvraag Nederlands reisdocument
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats] ,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige] .
Als informant in deze zaak wordt gezien:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna: de GI,
gevestigd in Middelburg,
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 17 juni 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
de brief van de man met bijlage, ontvangen op 30 juni 2026;
de verkorte beschikking van deze rechtbank van 3 juli 2026.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 3 juli 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig van de Raad, alsmede een vertegenwoordigster van de GI.
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 3 juli 2026 een verkorte beschikking gegeven. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is de thans nog [minderjarige] geboren.
[minderjarige] is bij vonnis in kort geding van 19 april 2024 voorlopig toevertrouwd aan de man. Ook is de Raad verzocht om met spoed ten behoeve van de nog door partijen aanhangig te maken bodemprocedure onderzoek te doen.
De man heeft [minderjarige] erkend.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 september 2024 is bepaald dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar twee keer per week gedurende twee uur alsmede dat deze regeling kan worden uitgebreid indien dit door de zorgaanbieder in het belang van [minderjarige] wordt geacht. De overige beslissingen zijn bij deze beschikking aangehouden in afwachting van het onderzoeksrapport en bijbehorend advies van de Raad.
Bij beschikking van 30 oktober 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI
voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 30 oktober 2024 en tot 30 oktober 2025. Deze maatregel is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk tot 30 oktober 2026.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 november 2024 is bepaald dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar twee keer per week gedurende twee uur, waarbij de GI de regie voert over de (uitbreiding van de) zorgregeling wat betreft opbouw, frequentie, duur en al dan niet begeleid zijn van de omgang.
Bij beschikking van de kinderrechter van 26 februari 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 26 februari 2025 en tot 12 maart 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Deze machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk tot 30 januari 2026.
Bij beschikking van de kinderrechter van 22 januari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag verleend, te weten bij de moeder, met ingang van 22 januari 2026 en tot 30 oktober 2026.
Op grond van voornoemde beschikking verblijft [minderjarige] feitelijk bij de vrouw.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat aan de vrouw – ter vervanging van de toestemming van de man – vervangende toestemming wordt verleend:
- om met de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020, naar België en/of Frankrijk en/of Spanje te reizen in de periode van 13 juli 2026 tot en met 9 augustus 2026; alsmede
- voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart en/of Nederlands paspoort voor [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020.
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
Vervangende toestemming vakantie
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een buitenlandse vakantie, op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). De beproeving van een vergelijk tussen partijen is niet mogelijk gebleken, nu de man niet ter zitting is verschenen.
Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de [minderjarige] . Dit betekent dat de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om met de minderjarige naar het buitenland te reizen en daar te verblijven. Het is de rechtbank gebleken dat de man zijn toestemming, ondanks herhaaldelijke inspanningen van de vrouw, niet heeft verleend. Het is ook de GI en de bezoekbegeleiding niet gelukt om met de man in contact te komen.
De rechtbank stelt voorop dat het in het algemeen in het belang van een kind is dat een kind op vakantie kan met zijn of haar ouders. Uitzonderingen kunnen bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor het kind te zorgen, wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor ontvoering van het kind door de ouder dan wel wanneer een vakantie in strijd is met tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling. De man schrijft in zijn brief aan de rechtbank van 30 juni 2026 dat zijn allergrootste zorg is dat er een serieuze verdenking is (geweest) dat de vrouw [minderjarige] zou ontvoeren naar het buitenland, gelet op de meldingen bij de politie, school, gemeente, huisarts, Jeugdstem en de advocaat van de man van destijds. Ook is de man zijn vertrouwen verloren in de betrokken instanties, zoals de GI, en de rechtbank te Middelburg, en maakt hij zich zorgen om de veiligheid van [minderjarige] bij de vrouw. Hij wil daarom geen toestemming geven voor een vakantie of medische zaken betreffende [minderjarige] . Het is de rechtbank op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet gebleken dat een dergelijke situatie aan de orde is. De vrouw heeft immers alle noodzakelijke gegevens met betrekking tot de reis tijdig aan de man verstrekt en er zijn geen signalen om aan te nemen dat de vrouw na de vakantie niet terug zal keren met [minderjarige] . Tevens is onvoldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van onveiligheid van [minderjarige] bij de vrouw en bestaan er geen veiligheidsrisico’s ten aanzien van de landen van bestemming. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij met de vrouw op vakantie kan. Gelet hierop zal de rechtbank de vrouw vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige] in de periode van 13 juli 2026 en tot en met 9 augustus 2026 te reizen naar België, Frankrijk en Spanje.
Vervangende toestemming Nederlands reisdocument
Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag voor een reisdocument door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. Ingevolge het vijfde lid van artikel 34 van de Paspoortwet geeft de rechtbank onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet regelt dat hetgeen bij of krachtens die wet is bepaald ten aanzien van reisdocumenten van overeenkomstige toepassing is op de Nederlandse identiteitskaart en de vervangende Nederlandse identiteitskaart, tenzij anders is bepaald.
De rechtbank zal, nu de beproeving van een vergelijk tussen partijen niet mogelijk is gebleken, de door de vrouw verzochte vervangende toestemming op grond van artikel 34, tweede lid, Paspoortwet beoordelen. Het is de rechtbank gebleken dat de man zijn toestemming, ondanks herhaaldelijke inspanningen van de vrouw, niet heeft verleend. Het is ook de GI en de bezoekbegeleiding niet gelukt om met de man in contact te komen. Door de vrouw is daarnaast aangevoerd dat [minderjarige] op dit moment niet beschikt over een (geldig) reisdocument, wat maakt dat hij – onder andere – niet naar het buitenland op vakantie kan. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij beschikt over een identiteitsbewijs. Het is bovendien niet gebleken dat er een risico bestaat dat de vrouw na de vakantie met [minderjarige] niet terug zal keren naar Nederland, zodat ook geen bezwaar bestaat tegen de aanvraag van een paspoort. Gelet hierop zal de rechtbank de vrouw vervangende toestemming verlenen voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart en/of een Nederlands paspoort.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, aangezien het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissingen, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen uitgevoerd kunnen worden.
5. De beslissing
De rechtbank:
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man
– toestemming om met de [minderjarige] , geboren op [geboortedag]
2020 te [geboorteplaats] , in de periode van 13 juli 2026 tot en met 9 augustus 2026 te reizen naar België
en/of Frankrijk en/of Spanje;
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man
– toestemming voor het aanvragen van een Nederlands reisdocument (paspoort en/of
identiteitskaart) ten behoeve van de [minderjarige] , geboren op [geboortedag]
2020 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. SDe Beer, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. Boomaars, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 en nader schriftelijk uitwerkt op 21 juli 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.