RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449921 / FA RK 26-3410
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Beschikking voortzetting inbewaringstelling
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1940 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: betrokkene,
wonend [plaats],
advocaat mr. Ph. van Kampen uit Goes.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 2 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
dhr. [persoon 1], arts;
[persoon 2], kleindochter van betrokkene.
2. Wat vaststaat
Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in [accommodatie]. De burgemeester van Borsele heeft de inbewaringstelling op 1 juli 2026 afgegeven.
3. Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.
4. De standpunten
Betrokkene heeft toegelicht dat het goed met hem gaat. Hij begrijpt dat hij in een verpleeginstelling verblijft en accepteert dit als het niet anders kan. Het liefst zou hij wel weer terug willen naar zijn eigen omgeving. Hij vindt het verdrietig dat hij niet met zijn echtgenote kan zijn, omdat hij graag voor haar wil zorgen.
De advocaat geeft aan dat er bij betrokkene geen sprake is van verzet tegen het verblijf in een verpleeginstelling.
De arts heeft aangegeven dat betrokkene rustig en sociaal aanwezig is op de afdeling. Als familie na bezoek terugkeert naar huis heeft betrokkene het lastig, maar hij is hierin goed bij te sturen door het zorgpersoneel. Betrokkene heeft het idee dat hij hier op vakantie is en accepteert de situatie. Desgevraagd geeft de arts aan dat er aldus geen sprake is van verzet. Betrokkene heeft geen drang om weg te gaan.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de kleindochter van betrokkene aangegeven dat het thuis niet meer ging. In de afgelopen periode is het sterk achteruit gegaan. De kleindochter, haar vader en de echtgenote van betrokkene hebben altijd de zorg op zich genomen, echter is dat nu niet langer haalbaar.
5. De beoordeling
De rechtbank wijst de gevraagde machtiging af. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening volledig afhankelijk is van de zorg van zijn echtgenote, kleindochter en zoon. Hij heeft sturing nodig bij ADL-taken, valt frequent en is niet in staat om zelf overeind te komen en raakt in paniek als hij een kort moment alleen thuis is. De echtgenote heeft kortgeleden een zware operatie ondergaan en is verminderd of eigenlijk niet meer in staat om voor betrokkene te zorgen en ze mag en kan betrokkene vanwege haar fysieke gesteldheid niet meer overeind helpen wanneer hij ten val komt.
Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychogeriatrische aandoening. Betrokkene is in 2021 gediagnosticeerd met de ziekte van Alzheimer.
De rechtbank constateert - gelet op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht – dat betrokkene bereid is om vrijwillig bij de verpleeginstelling te verblijven. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene sinds de opname geen boosheid, agressie of verzet heeft getoond. Betrokkene heeft de verzorging toegelaten en hij is rustig aanwezig op de afdeling. Daarnaast is betrokkene op moeilijke momenten goed bij te sturen door het zorgpersoneel. De rechtbank stelt daarmee vast dat betrokkene zich niet verzet tegen de opname en het verblijf in de verpleeginstelling.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke, griffier en op schrift gesteld op 17 juli 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.