2. De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van [datum 1] 2025 van deze rechtbank, voor wat betreft de huwelijksdatum van partijen hersteld bij beschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2026, is in hun huwelijk de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op [datum 3] 2026 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ingevolge welke de man een onderhoudsbijdrage aan de vrouw moet voldoen.
De man heeft de Duitse nationaliteit, de vrouw de Nederlandse.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man als voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is verschuldigd met ingang van de datum van indiening van haar verzoekschrift ter hoogte van € 1.040,= bruto per maand dan wel een in goede justitie te bepalen bijdrage dient te betalen, welke hij steeds bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te voldoen.
4. De beoordeling
Vanwege de nationaliteit van de man heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld en is daarbij van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.
Mr. Planthof heeft bij genoemd F9-formulier d.d. 12 mei 2026 laten weten dat de man inhoudelijk geen verweer voert en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Vervolgens heeft mr. Kok bij genoemd F9-formulier d.d. 21 mei 2026 aangegeven kennis te hebben genomen van het bericht van de man en zij verzoekt vanwege het feit dat de man geen verweer wenst te voeren, beschikking te wijzen. Daarop heeft mr. Planthof bij genoemd F9-formulier d.d. 26 mei 2026 aangegeven dat de man kan instemmen met de verzoeken van de vrouw en akkoord gaat met een schriftelijke afdoening van de zaak.
Naar aanleiding van bovengenoemde correspondentie heeft de rechtbank de zaak van de zitting van 11 juni 2026 gehaald en voor beschikking gezet.
Op 9 juni 2026, nadat de zaak reeds voor beschikking was gezet, is door mr. Planthof nog een referteverklaring overgelegd. Hieruit volgt dat de man zich niet verzet tegen het verzoek van de vrouw om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is verschuldigd met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ter hoogte van
€ 1.040,= bruto per maand dan wel een in goede justitie te bepalen bijdrage dient te betalen, welke hij steeds bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te voldoen.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op voornoemde door mr. Planthof ingediende referteverklaring, gaat de man uit van een door hem met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen partneralimentatie, terwijl de vrouw verzoekt de bijdrage met ingang van de datum van indiening van haar verzoekschrift vast te stellen. Nu de echtscheidingsbeschikking op
[datum 3] 2026 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en derhalve vóór de indiening van onderhavig verzoekschrift van de vrouw, te weten op 12 maart 2026, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw, gelet op de instemming van de man toewijzen.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, de door de man met ingang van 12 maart 2026 aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op € 1.040,= bruto per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.