beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers: C/02/429564 / FA RK 24-5750
C/02/429570 / FA RK 24-5756
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Nadere beschikking van de meervoudige kamer over gezag en vaststelling van een omgangsregeling
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer in Waalwijk,
tegen
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna: de GI,
gevestigd te Tilburg ,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige] .
Als belanghebbenden in deze zaak worden gezien:
[de pleegouders] ,
hierna: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.A.J.W. van Pelt in Tilburg.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het nadere procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 17 september 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de Raad van 17 oktober 2025;
- de brieven van mr. Van Reeven-Özer van 17 november 2025, 4 februari 2026,
17 maart 2026, 17 april 2026 en 10 juni 2026;
- de brieven van mr. Van Pelt van 25 november 2025 en 15 juni 2026;
- de brieven met bijlagen van de GI van 29 januari 2026 en 12 juni 2026.
De mondelinge behandeling van de verzoeken is, met gesloten deuren, voortgezet door de meervoudige kamer van de rechtbank op 16 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de moeder met haar advocaat, twee vertegenwoordigers namens de GI en de pleegouders. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
2. Feiten
De moeder is op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] bevallen van een dochtertje: [minderjarige] .
Omdat de moeder tijdens de geboorte minderjarig was, is bij beschikking van 15 juli 2020 Jeugd Bescherming Brabant (nader: de GI) met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast.
[minderjarige] is op 18 september 2020 in een crisis pleeggezin geplaatst. Sinds 28 augustus 2021 verblijft zij in het huidige pleeggezin.
Bij beschikking van 1 oktober 2020 is de GI tot tijdelijke voogd over [minderjarige] benoemd.
Tussen de moeder en [minderjarige] loopt een begeleide omgangsregeling, eenmaal in de zes weken.
Uit het Basisregistratie Personen (hierna: BRP) blijkt dat de moeder de Syrische nationaliteit heeft en dat [minderjarige] staatloos is.
3. De verzoeken
Thans zijn nog aan de orde de volgende verzoeken:
C/02/429564 / FA RK 24-5750
De moeder verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een voorlopige (opbouwende) omgangsregeling vast te stellen, op de volgende wijze:
- gedurende een maand één keer per veertien dagen twee uur onder begeleiding;
- gedurende een maand één keer per veertien dagen vier uur zonder begeleiding;
- gedurende een maand één keer per veertien dagen acht uur zonder begeleiding;
- gedurende een maand twee dagen per veertien dagen met overnachting (zaterdag en zondag);
- één keer per veertien dagen een weekend, namelijk van vrijdag tot zondag;
II. althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank redelijk en juist acht.
C/02/429570 / FA RK 24-5756
De moeder verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de moeder voortaan wordt belast met het eenhoofdige gezag over [minderjarige] ;
II. althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank redelijk en juist acht.
4. De nadere beoordeling
De rechtbank heeft bij beschikking van 17 september 2025 de Raad verzocht uitsluitsel te geven over de vraag of de Raad een beoogd perspectief onderzoek zelf zal gaan verrichten. Indien de Raad het onderzoek niet zal gaan verrichten verzoekt de rechtbank de Raad advies te geven over de persoon of instantie die bereid en in staat zal zijn het onderzoek in opdracht van de rechtbank te verrichten.
De Raad heeft bij brief van 17 oktober 2025 de rechtbank geadviseerd de onderzoeksopdracht te verstrekken aan [jeugdhulp] .
De GI heeft een perspectiefbesluit genomen als beschreven in de brief van 29 januari 2026.
De moeder is het niet eens met de inhoud van het perspectiefbesluit.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling op 16 juni 2026 naar voren gebracht dat het onderzoek dat onder regie van de GI naar het perspectief van [minderjarige] is verricht niet volledig is. Een onderzoek naar de mogelijkheden van de moeder ontbreekt en ook blijft onbelicht hetgeen daaruit zou kunnen volgen met betrekking tot omgang en gezag, gezien ook de verzoeken van de moeder die voor liggen.
De rechtbank heeft de moeder, de GI, de pleegouders en de Raad tijdens de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 voorgehouden dat de zaak zich, gelet op alle ontwikkelingen, in een stadium bevindt dat de vraag beantwoord moet worden of wordt overgegaan tot een door de rechtbank op te dragen contra-expertise als bedoeld in artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dat artikel luidt als volgt:
“In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.”
De advocaat van de moeder kan zich in die lijn vinden mits het onderzoek niet lang op zich laat wachten. De moeder wijst erop dat haar en [minderjarige] groot onrecht is aangedaan: [minderjarige] hoort bij de moeder te wonen.
De GI acht de situatie duidelijk: de aanvaardbare termijn is al lang verstreken, de minderjarige dient bij de pleegouders op te groeien, zij is in dat gezin gehecht. De moeder dient een plek te krijgen in het leven van de minderjarige. Wanneer het perspectief is bepaald kan daaraan gewerkt gaan worden. De voogdij dient bij de GI te blijven. Op termijn kan bekeken worden of de situatie zo verandert dat de moeder voor gezagsuitoefening in aanmerking zou komen.
De pleegouders hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij zelf beschikbaar zullen zijn en blijven voor [minderjarige] . Als de rechtbank een tegenonderzoek gelast zullen zij daaraan hun volledige medewerking geven. Wel willen de pleegouders nadrukkelijk de aandacht vragen voor de vraag of een aanvullend onderzoek en uitstel van de perspectiefbepaling voor [minderjarige] nog wel verantwoord is.
De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat er sprake is van een klemsituatie: voor de Raad is wel duidelijk dat de pleegouders een positie moeten behouden in het leven van [minderjarige] . Onduidelijk is echter nog wat de positie van de moeder zal zijn, zowel qua contact als gezagsuitoefening.
De rechtbank heeft ter zitting daarop medegedeeld dat zij vragen zal gaan formuleren en deskundigen zal benaderen met het oog op een mogelijk onderzoek in de zin van 810a lid 2 Rv. De rechtbank zal zich bij het ontwerp van de vragen laten bijstaan door de Raad. De andere belanghebbenden hebben daarmee ingestemd.
Voortvloeiend uit het voorgaande komen de volgende vragen in beeld bij een contra-expertise als bedoeld in artikel 810 a lid 2 Rv. De wet zegt dat het onderzoek kan worden gelast mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met de GI en de pleegouders acht de rechtbank het van belang om allereerst de vraag te beantwoorden of nader onderzoek naar het perspectief van de minderjarige zich tegen het belang van de minderjarige zou kunnen verzetten. Daartoe zal tijdens een eerste fase van het onderzoek de volgende vraag aan de deskundigen worden gesteld:
1. Zodra u zich aan de hand van de processtukken en een eerste gesprek met de moeder, de GI, pleegouders en zo mogelijk ook de minderjarige een beeld hebt gevormd: kan een onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] , zoals door de rechtbank beoogd plaats vinden of zijn er zwaarwegende bezwaren in de sfeer van [minderjarige] , die mee brengen dat het belang van [minderjarige] zich daartegen verzet? Zo ja, zou u de bezwaren willen toelichten?
De uitkomst van deze vraag ziet de rechtbank graag vóór, dan wel uiterlijk op 1 oktober 2026 tegemoet, onder gelijktijdige verstrekking daarvan aan de moeder, de GI, de pleegouders en de Raad. Na een schriftelijke ronde waarin belanghebbenden en de Raad zich kunnen uitlaten, zal de rechtbank beslissen over het vervolg van het onderzoek.
Indien de uitkomst is dat er vervolgens een perspectief onderzoek zal gaan plaatsvinden, zijn de vervolgvragen in een tweede fase van het onderzoek:
Hoe is de ontwikkeling van [minderjarige] vanaf haar geboorte verlopen?
Hoe is het hechtingsproces van [minderjarige] verlopen, wat betekent dit voor haar mogelijkheden tot het aangaan van (nieuwe) hechtingsrelaties, wie zijn voor haar belangrijke hechtingsfiguren?
Hoe is de situatie rond de moeder van [minderjarige] : beschikt zij over voldoende opvoedingsvaardigheden om een hoofdrol in dit opzicht voor [minderjarige] te kunnen vervullen, zijn er factoren in de persoonlijkheid van moeder die bij het uitoefenen van een rol in de opvoeding een complicerende factor (kunnen) vormen, in hoeverre heeft moeder hiervoor hulp en/of behandeling gehad, of wordt dit (alsnog) nodig geacht?
Indien de situatie van [minderjarige] en/of de moeder onvoldoende basis vormen om de moeder in positie te brengen van hoofdopvoedster van [minderjarige] , zijn pleegouders in dat geval de aangewezen personen om hun rol als verzorgers en opvoeders van [minderjarige] voort te zetten?
Ingeval de pleegouders de hoofdopvoeders blijven van [minderjarige] , welke rol zal dan passend zijn voor de moeder in het leven van [minderjarige] ?
Ingeval de moeder hoofdopvoedster van [minderjarige] zal worden, welke rol van pleegouders zal dan passend zijn in het leven van [minderjarige] ?
Welke mogelijkheden/ belemmeringen ervaren moeder/ pleegouders om op een constructieve manier in het belang van [minderjarige] met elkaar samen te werken?
Welke andere aspecten dient de rechtbank bij het nemen van beslissingen nog mee te wegen?
Indien de uitkomst is dat er geen perspectief onderzoek zal gaan plaatsvinden, is de vervolgvraag in de tweede fase:
9. Nu de pleegouders de hoofdopvoeders blijven van [minderjarige] , welke rol zal dan passend zijn voor de moeder in het leven van [minderjarige] en op welke wijze of met welke hulp valt die rol te realiseren?
De rechtbank heeft deskundige dr. [persoon 1] , gedragswetenschapper, forensisch mediator FM, gezins- en relatietherapeut NVRG, gespecialiseerd in trauma- en systeemgerichte behandeling, bereid gevonden dit onderzoek te verrichten, tezamen met drs. [persoon 2] , klinisch psycholoog, psychotherapeut, medisch psycholoog, kinder- en jeugdpsycholoog NIP en gezins- en relatietherapeut NVRG.
De deskundigen zullen hun onderzoek in voornoemde eerste fase richten op de vraag: kan een onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] plaatsvinden of zijn er zwaarwegende bezwaren in de sfeer van [minderjarige] die maken dat een dergelijk onderzoek zich tegen haar belang verzet?
De deskundigen hebben de volgende werkwijze voor ogen:
• Bestudering van het volledige procesdossier en relevante rapportages.
• Gezamenlijke gesprekken met moeder, pleegouders en de GI.
• Informatie-inwinning bij professionals zoals school, kinderopvang (indien van
toepassing), omgangsbegeleiding en behandelaars.
• Schoolbezoek met een natuurlijke observatie van [minderjarige] binnen haar vertrouwde
omgeving.
• Indien noodzakelijk wordt vooraf toestemming gevraagd aan de rechtbank voor
aanvullende observaties.
• Van alle onderzoeksactiviteiten worden schriftelijke verslagen gemaakt.
• Gezamenlijke analyse van de onderzoeksbevindingen.
• Opstellen van een concept- en definitieve rapportage.
Daarbij hebben zij de volgende tijdsplanning aangegeven: De deskundigen zijn beschikbaar om direct na benoeming met het onderzoek te starten. Het onderzoek zal zoveel mogelijk gedurende augustus 2026 worden uitgevoerd. September wordt benut voor analyse, concept-rapportage, hoor en wederhoor en verwerking van reacties. Om uiterlijk 1 oktober 2026 te kunnen rapporteren zijn de deskundigen afhankelijk van tijdige beschikbaarheid van het volledige dossier, medewerking van de moeder, de GI en de pleegouders en de bereikbaarheid van overige informanten gedurende de vakantieperiode/augustus. De heer [persoon 2] heeft reeds vóór een eventuele benoeming een kortdurende vakantie in september gepland. De concept-rapportage zal daarom zoveel mogelijk vóór deze vakantie aan partijen worden toegezonden.
De rechtbank verzoekt de GI, (de advocaat van) de moeder, (de advocaat van de) pleegouders en de Raad om zich binnen twee weken, aldus voor 17 juli 2026 uit te laten over de benoeming van dr. [persoon 1] en drs. [persoon 2] als deskundigen en over voormelde onderzoeksvragen.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzoeken van de moeder aangehouden moeten worden in afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek.
5. De beslissing
De rechtbank:
houdt de behandeling van de verzoeken aan tot 17 juli 2026 pro forma in afwachting van het bericht van de GI, (de advocaat van) de moeder, (de advocaat van) de pleegouders en de Raad over de te benoemen deskundige en de onderzoeksvragen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, voorzitter, mr. Phillips en mr. Skrotzki, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in aanwezigheid van Van Beijsterveldt, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.