RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445212 / JE RK 26-290
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P. Doorakkers uit Oosterhout,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.C.M. Smeulders-Martens uit Raamsdonksveer.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 26 maart 2026 en alle daartoe behorende stukken;
de brief van de GI van 8 juni 2026;
de brief van de GI van 18 juni 2026;
het bericht van 19 juni 2026 van mr. D.C.M. Smeulders-Martens;
het bericht van 22 juni 2026 van mr. P. Doorakkers.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Bij beschikking van 4 oktober 2022 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Sindsdien is die maatregel steeds verlengd. Bij beschikking van 26 maart 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 4 april 2026 tot 4 oktober 2026.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 10 september 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 4 oktober 2025 tot 4 april 2026. Vervolgens is bij beschikking van 26 maart 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengd met ingang van 4 april 2026 tot 4 juli 2026. Het overige deel van het verzoek van de GI tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader is aangehouden.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen op basis van de voorgenoemde machtiging bij hun vader.
3. Het verzoek
Aan de orde is het resterende deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de overige duur van drie maanden, te weten met ingang van 4 juli 2026 tot 4 oktober 2026.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Uit de brief van de GI blijkt dat de kinderen recentelijk langer dan een week bij de moeder hebben verbleven en dat dit positief is verlopen. Inmiddels heeft de moeder meer vertrouwen ontwikkeld in haar eigen kunnen. De GI is daarom tot het standpunt gekomen dat een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader niet langer noodzakelijk en passend is. De moeder heeft inzicht in de behoeften van de kinderen en kan daar adequaat op aansluiten. Ook heeft de moeder aantoonbaar gewerkt aan haar persoonlijke ontwikkeling. De moeder heeft nog opvoedondersteuning vanuit [hulpverlening] . [hulpverlening] ziet ook positieve ontwikkelingen en vooruitgang bij de moeder. De communicatie tussen de ouders en afstemming van afspraken rondom het ouderschap is nog wel onvoldoende, maar daarvoor is een traject bij [jeugdorganisatie] gestart voor ouders. De GI wil, parallel aan dit traject, toewerken naar een vorm van co-ouderschap. De kinderen willen dit zelf ook en hopen dat dit snel ingezet kan worden.
De advocaat van de vader heeft per brief van 19 juni 2026 namens de vader laten weten akkoord te gaan met een schriftelijke afdoening, nu de GI geen verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing doet.
De advocaat van de moeder heeft per brief van 22 juni 2026 laten weten dat de moeder zich kan vinden in het standpunt van de GI en dat de moeder akkoord is met een schriftelijke afdoening.
5. De nadere beoordeling
Wettelijk kader
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) zijn voldaan.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
In haar brief heeft de GI aangegeven dat een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader niet langer noodzakelijk en passend is, nu er zal worden toegewerkt naar een vorm van co-ouderschap. De afgelopen periode is de moeder de hulpverlening aangegaan, waardoor zij meer vertrouwen heeft ontwikkeld in haar eigen kunnen, zij inzicht heeft in de behoeften van de kinderen en daar adequaat op kan aansluiten. De kinderrechter complimenteert beide ouders met het zetten van deze positieve stappen in het belang van de kinderen. Zij geven hiermee een hoopvol signaal af aan de kinderen voor de toekomst. Hoewel de communicatie tussen de ouders en het maken van afspraken rondom de kinderen nog niet voldoende is, is daarvoor een traject gestart bij [jeugdorganisatie] . De kinderen willen zelf graag dat er uiteindelijk een vorm van co-ouderschap is tussen de ouders. De komende periode zal daar binnen de ondertoezichtstelling naartoe worden gewerkt.
Nu een machtiging tot uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk wordt geacht, zal de kinderrechter het verzoek van de GI afwijzen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.