ECLI:NL:RBZWB:2026:7148

ECLI:NL:RBZWB:2026:7148

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-07-2026
Datum publicatie 03-08-2026
Zaaknummer C/02/449307 / JE RK 26-1047
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging onderteozichtstelling voor de verzochte duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449307 / JE RK 26-1047

Datum uitspraak: 3 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,

locatie Etten-Leur,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .

De kinderrechter merkt als informante aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx uit Breda.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 16 juni 2026;

het bericht van mr. Gulickx van 17 juni 2026;

het bericht van de griffier van de rechtbank aan mr. Gulickx van 18 juni 2026;

het bericht van de GI van 19 juni 2026;

het bericht van de GI van 22 juni 2026.

De behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op de zitting van 3 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door een tolk in de Hongaarse taal;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal;

- een vertegenwoordigster van de GI.

2. De feiten

De ouders waren samen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 maart 2026 is bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de vader alleen toekomt, is een begeleide omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vastgesteld en een informatieregeling tussen de ouders bepaald. De beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

[minderjarige] woont bij de vader.

[minderjarige] is door de kinderrechter van deze rechtbank met ingang van 5 juli 2023 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 27 juni 2025 tot 5 juli 2026.

De vader heeft de Hongaarse nationaliteit en de moeder de Poolse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Hongaarse en Poolse nationaliteit.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI heeft, onder verwijzing naar het verzoekschrift, aangevoerd dat het goed gaat met [minderjarige] bij de vader. Er zijn geen zorgen over het wonen van [minderjarige] bij de vader. Sinds 7 april 2026 is [minderjarige] gestart op school waar zij met plezier naartoe gaat. De moeder is het niet eens met de beschikking van de rechtbank van 18 maart 2026 betreffende het gezag, de omgangsregeling en de informatieregeling. Zij heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Op dit hoger beroep is nog niet beslist. Daarnaast heeft de moeder zich laten onderzoeken in Polen. Volgens de moeder blijkt uit het onderzoek dat er geen sprake is van psychische problematiek bij haar. In de praktijk is gebleken dat de moeder situaties regelmatig anders beleeft of weergeeft dan feitelijk het geval is. Gelet hierop heeft de betrokken jeugdbeschermer meerdere malen aangegeven graag in contact te willen treden met de betreffende psycholoog om tot een vollediger en objectiever beeld van de moeder te komen. De instantie die de moeder heeft onderzocht heeft echter geen contact met de jeugdbeschermer opgenomen om aanvullende informatie te verkrijgen en/of het functioneren van de moeder in de dagelijkse praktijk te bespreken. Het uitgevoerde onderzoek lijkt uitsluitend te zijn gebaseerd op de verklaringen van de moeder zelf.

Van begin februari 2026 tot juni 2026 hebben de moeder en [minderjarige] geen omgang met elkaar gehad. In deze periode heeft [minderjarige] speltherapie gekregen, die inmiddels is afgerond. Per1 juni 2026 is de omgang tussen [minderjarige] en de moeder hervat. De omgang vindt eenmaal per twee weken plaats op het kantoor van de GI gedurende een uur en wordt begeleid door [hulpverlening] . Gezien eerdere incidenten tijdens omgangsmomenten vindt de omgang plaats volgens het vier-ogen-principe. De eerste twee omgangsmomenten op 1 juni 2026 en op15 juni 2026 zijn niet zo goed verlopen. De moeder was heel erg in de weerstand tegen de hulpverlening in het bijzijn van [minderjarige] . De moeder vond het onder andere lastig om zich aan de gemaakte afspraken met betrekking tot het eten van [minderjarige] te houden. Het derde omgangsmoment van 29 juni 2026 is beter verlopen. Een hulpverlener van [begeleid wonen] is betrokken en toegevoegd aan de communicatie in de groepsapp ter ondersteuning van de moeder. Recent heeft de moeder echter haar toestemming voor deze betrokkenheid ingetrokken. Uit ervaringen blijkt dat samenwerking met de moeder mogelijk is zolang er wordt meegegaan in haar standpunten. Indien dit niet gebeurt, beëindigt de moeder de samenwerking. Gezien het ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 18 maart 2026 is het van belang dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Dit zodat de GI kan blijven monitoren en onderbouwen waarom het in het belang van [minderjarige] is dat de vader het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft en dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader heeft. Daarnaast is het noodzakelijk om de komende periode de omgangsregeling te kunnen monitoren en daarbij te onderzoeken in hoeverre een uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige] mogelijk is en welke rol de moeder in het leven van [minderjarige] kan innemen. Hierbij is het van belang dat de moeder emotionele toestemming kan geven voor het opgroeien van [minderjarige] bij de vader. Ondanks dat de moeder geen gezag meer over [minderjarige] heeft, blijft zij zich heel veel bemoeien met de vader en [minderjarige] . Op 29 juni 2026 heeft de GI een melding van Veilig Thuis ontvangen. De moeder zou de vader hebben bezocht en hem vals hebben beschuldigd. Op 6 juli 2026 staat een gesprek gepland met de moeder om de melding van Veilig Thuis te bespreken en wat hierin haar beweegredenen waren. Dit gedrag van de moeder baart de GI zorgen.

Bij een verlenging van de ondertoezichtstelling zal gewerkt worden aan de volgende doelen:

- Het afwachten van de uitspraak in hoger beroep.

- Het vormgeven en uitbreiden van de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , met als doel (indien haalbaar) toe te werken naar onbegeleide omgang.

- Het vastleggen van een passende omgangsregeling voor de beëindiging van de ondertoezichtstelling, waarbij halverwege de periode van de ondertoezichtstelling een wijzigingsverzoek zal worden ingediend.

- Het inzetten van [begeleid wonen] om de moeder te begeleiden bij het accepteren van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader en het geven van emotionele toestemming hiervoor.

Door de vader is naar voren gebracht dat hij kan instemmen met het verzoek van de GI. Er is sprake van langdurige en complexe problemen. De moeder moet laten zien dat zij kan veranderen in haar gedrag. Tot op heden werkt de moeder niet mee. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat alles in goede harmonie verloopt, ook in het contact met de moeder. Met [minderjarige] gaat het goed zowel thuis als op school. Ondanks dat de ondertoezichtstelling al langere tijd loopt, is een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, zoals door de GI verzocht, nog nodig.

De moeder heeft aangevoerd dat de omgang tussen haar en [minderjarige] wordt begeleid door twee professionals van [hulpverlening] . Zij en [minderjarige] voelen zich hier niet comfortabel bij aangezien hun aanwezigheid bij de omgang heel erg opgelegd en gemaakt voelt. De moeder beaamt dat het derde omgangsmoment op 29 juni 2026 beter is verlopen dan de eerste twee omgangsmomenten op 1 juni 2026 en op 15 juni 2026. Dit had te maken met de afwezigheid van een begeleider van [hulpverlening] , bij wie de moeder zich niet fijn en prettig voelt omdat deze begeleider heel erg op haar let en haar, voor haar gevoel, uitdaagt. Doordat deze begeleider niet bij het derde omgangsmoment aanwezig was, gaf dit de moeder verlichting en kon zij zich beter met [minderjarige] bezighouden dan tijdens de eerste twee omgangsmomenten. Het jaar 2025 was voor de moeder een heel moeilijk jaar omdat zij [minderjarige] maar beperkt mocht zien. In 2026 is de moeder in een ware nachtmerrie beland. Zij heeft enkele maanden helemaal geen omgang met [minderjarige] mogen hebben naar aanleiding van een incident dat heeft plaatsgevonden tijdens het omgangsmoment op 9 februari 2026. De moeder heeft een andere kijk op dit incident dan de GI, door wie zij - onterecht - heel negatief wordt weggezet. De moeder vindt het belangrijk dat de rust voor [minderjarige] terugkomt. Zij kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor maximaal drie maanden om de band tussen haar en [minderjarige] te herstellen en toe te werken naar een gelijkwaardige zorgverdeling tussen haar en de vader over [minderjarige] in de vorm van een co-ouderschapsregeling. De zorgen over haar functioneren zijn onterecht. De moeder is niet ziek. Zij is mentaal en fysiek gezond hetgeen is gebleken uit diverse onderzoeken. De moeder is in staat om zorg te dragen voor [minderjarige] . Zij is een liefhebbende en zorgzame moeder. Het is voor de moeder en [minderjarige] heel belastend om van elkaar gescheiden te zijn. De huidige situatie doet de moeder heel veel verdriet.

5. De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

De kinderrechter overweegt dat de vader de Hongaarse nationaliteit heeft, de moeder de Poolse nationaliteit en [minderjarige] de Hongaarse en Poolse nationaliteit. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter dient te beoordelen of zij internationaal bevoegd is om van het verzoek in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijke recht te bepalen.

Op grond van artikel 7 van de Verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid valt onder meer (de verlenging van) de ondertoezichtstelling van minderjarigen. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

Wat zegt de wet?

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter stelt op basis van de stukken en de zitting vast dat [minderjarige] zich positief ontwikkelt. Het gaat goed met [minderjarige] bij de vader thuis en op school. De vader biedt [minderjarige] een stabiele en veilige opvoedsituatie. Desalniettemin is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar sociaal-emotionele ontwikkeling wordt bedreigd, hetgeen is gelegen in de spanningsvolle relatie tussen haar ouders. Met name de moeder belast [minderjarige] met haar eigen zorgen, zij diskwalificeert de vader en geeft vooralsnog geen emotionele toestemming voor het verblijf van [minderjarige] bij de vader. Dit is belastend voor [minderjarige] en heeft als risico dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict kan komen tussen haar ouders. De omgang tussen [minderjarige] en de moeder is na een incident in februari 2026 tijdelijk stopgezet, maar is inmiddels hervat onder begeleiding van [hulpverlening] . Zolang de moeder [minderjarige] blijft belasten, kan er geen onbegeleide omgang plaatsvinden. Daarbij overweegt de kinderrechter dat in onderhavige procedure aan haar (enkel) het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voorligt waarover zij een beslissing kan en dient te nemen. De omgang tussen de moeder en [minderjarige] en de wijze waarop dit ingevuld moet worden, ligt niet aan de kinderrechter ter beoordeling voor. Het is aan de GI, in samenwerking met de betrokken hulpverlening, om aan de omgang uitvoering te geven in goed overleg met beide ouders en op een wijze die aansluit bij hetgeen [minderjarige] in het contact met de moeder aan kan.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan naar het oordeel van de kinderrechter niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening vanwege de moeizame communicatie en samenwerking tussen de ouders en omdat de ouders een andere kijk hebben op wat in het belang van [minderjarige] is. Betrokkenheid van de GI, en daarmee de inzet van hulpverlening in het gedwongen kader, is nodig om het verloop van de omgangsregeling te monitoren en met de betrokken hulpverlening nader te onderzoeken of een uitbreiding in de omgang (in duur, frequentie en naar eventuele onbegeleide omgang) tussen de moeder en [minderjarige] mogelijk is en welke rol de moeder in het leven van [minderjarige] kan innemen. Ook is het van belang dat de GI betrokken blijft bij [minderjarige] en de ouders vanwege het hoger beroep dat de moeder heeft ingesteld tegen de beschikking van deze rechtbank van 18 maart 2026 betreffende het gezag, de omgangsregeling en de informatieregeling.

Op basis van het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Gezien de stappen die nog gezet moeten worden, acht de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur van een jaar passend en aangewezen. De kinderrechter zal het verzoek van de GI aldus toewijzen.

In haar verzoekschrift heeft de GI de doelen vermeld waaraan in het komende jaar tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt zal gaan worden. Deze doelen worden door de kinderrechter onderschreven.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 5 juli 2026 tot 5 juli 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Snatersen als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand