ECLI:NL:RBZWB:2026:7150

ECLI:NL:RBZWB:2026:7150

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-07-2026
Datum publicatie 03-08-2026
Zaaknummer C/02/448859 / JE RK 26-965
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling conform het verzoek van de GI.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448859 / JE RK 26-965

Datum uitspraak: 3 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,

locatie Tilburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2014,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. J.M.G. Cox uit Tilburg,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 28 mei 2026, ontvangen op 28 mei 2026.

De behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op de zitting van 3 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader;

- een vertegenwoordigster van de GI.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

De minderjarigen wonen bij de moeder.

Bij (eind)beschikking van deze rechtbank van 3 april 2026 is een zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen vastgesteld, die inhoudt dat de vader en de minderjarigen recht hebben op begeleid contact met elkaar gedurende éénmaal één uur per maand, onder regie van de GI gedurende de ondertoezichtstelling van de minderjarigen.

De minderjarigen zijn door de kinderrechter van deze rechtbank met ingang van 15 juli 2022 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling van de minderjarigen is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 14 juli 2025, tot 15 juli 2026.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI heeft, onder verwijzing naar het verzoekschrift, aangevoerd dat de minderjarigen in het afgelopen jaar een positieve ontwikkeling hebben laten zien. [minderjarige 1] ontwikkelt zich zowel cognitief als sociaal zeer goed en zit goed in haar vel. Op dit moment is het niet nodig om hulpverlening voor haar in te zetten. [minderjarige 2] ontwikkelt zich cognitief eveneens zeer goed en ook sociaal maakt hij mooie stappen binnen zijn mogelijkheden. In mei 2026 is hulpverlening vanuit [jeugdzorginstelling] ingezet voor de moeder en [minderjarige 2] . Daardoor kan nog meer ingestoken worden op wat helpend is voor [minderjarige 2] om zo voorspelbaar mogelijk voor hem te kunnen zijn. Ook [minderjarige 1] wordt door [jeugdzorginstelling] gezien en gehoord waarbij [jeugdzorginstelling] een signalerende rol heeft met betrekking tot het inzetten van hulpverlening indien blijkt dat dit voor [minderjarige 1] toch helpend zou zijn. De moeder profiteert al enkele jaren van de geboden hulpverlening. Zij biedt liefde, geborgenheid, veiligheid en stabiliteit aan de minderjarigen. Hoewel de GI geen zorgen (meer) heeft over de (ontwikkeling van de) minderjarigen en hun opvoedsituatie bij de moeder, acht de GI desondanks een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. Dit is gelegen in het gedrag van de vader. Het lukt de vader niet, zonder complexiteit in communicatie of zonder te zorgen voor vertragingen, om in het belang van de minderjarigen mee te werken dan wel te handelen. Er is in de afgelopen jaren door verschillende zorgaanbieders hulpverlening geboden. Desondanks is de vader niet gegroeid in zijn rol van ouder na een scheiding. Dit heeft te maken met de persoonlijke complexiteit van de vader, waarin hij geen adviezen aanneemt die hem kunnen helpen in het contact met de minderjarigen. Tot op heden is het niet gelukt om uitvoering te geven aan de zorgregeling zoals bepaald bij beschikking van3 april 2026. [zorgaanbieder] is bereid gevonden om de maandelijkse contactmomenten tussen de vader en de minderjarigen te begeleiden. Er heeft echter nog geen intakegesprek tussen de vader en [zorgaanbieder] plaatsgevonden, ondanks de schriftelijke aanwijzing die de vader in dit kader is gegeven. Sinds oktober 2025 hebben de minderjarigen geen contact meer met de vader gehad. De GI gunt het de minderjarigen dat de vader een persoonlijkheidsonderzoek laat verrichten en daarnaast persoonlijke hulpverlening aangaat om de mogelijkheden tot contact te vergroten. Een ondertoezichtstelling is nog nodig om er zorg voor te dragen dat de moeder zaken op een goede manier voor de minderjarigen kan regelen. De opstelling van de vader zorgt bij de moeder, maar ook indirect bij de minderjarigen, al jarenlang voor onrust en onnodige stress. Dit staat gezamenlijke gezagsuitoefening in de weg en daarvoor dient een oplossing te komen. Daarnaast moet in het komende jaar, in het belang van de minderjarigen, duidelijkheid gaan komen over de haalbaarheid van de zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van 3 april 2026.

Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij kan instemmen met het verzoek van de GI. Hoewel het goed gaat met de minderjarigen, ziet de moeder de noodzaak voor een ondertoezichtstelling. Door de wijze waarop de vader zich opstelt kunnen gezagsbeslissingen over de minderjarigen heel moeilijk genomen worden. Betrokkenheid van de GI is, zolang beide ouders het gezag over de minderjarigen hebben, nodig om zaken voor de minderjarigen geregeld te kunnen krijgen. Er dient duidelijkheid te komen of gezamenlijke gezagsuitoefening nog langer in het belang van de minderjarigen is. Daarnaast dient nader onderzocht te worden in hoeverre uitvoering kan worden gegeven aan de zorgregeling zoals bepaald bij de beschikking van 3 april 2026. Tot op heden werkt de vader hieraan niet mee. Hij geeft geen gehoor aan de oproepen van de GI en [zorgaanbieder] . Dit is niet in het belang van de minderjarigen.

De vader heeft naar voren gebracht dat de ondertoezichtstelling van de minderjarigen tot op heden alleen maar meer schade heeft aangericht dan dat het zaken heeft opgelost. Door de GI worden heel veel leugens verteld, waarbij de vader meermaals heeft ervaren dat de GI hem enkel wil dwarsbomen in plaats van met hem samen te werken. Een datum voor overleg dient minimaal twee weken van tevoren aan de vader te worden voorgelegd. De vader is namelijk afhankelijk van zijn vertrouwenspersoon, die hem ondersteunt in de gesprekken met de GI. Zijn vertrouwenspersoon heeft een drukke agenda en moet uit Zeeland komen. De GI weigert zich aan de termijn van twee weken te houden, waardoor het voor de vader en zijn vertrouwenspersoon veelal niet mogelijk is om bij de overleggen aan te sluiten. Op berichten van de vader, waarin hij andere data voorstelt voor overleg, wordt door de GI niet gereageerd. Dit alles frustreert de vader enorm. Er is sprake van ouderverstoting, maar dit wordt volledig genegeerd door de GI.

5. De beoordeling

Wat zegt de wet?

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter stelt op basis van de stukken en de zitting vast dat beide minderjarigen zich positief ontwikkelen. Het gaat goed met de minderjarigen op school en in de thuissituatie bij de moeder. De minderjarigen hebben in het afgelopen jaar mooie stappen vooruit gezet en laten groei in hun ontwikkeling zien. De minderjarigen verdienen hiervoor beiden een compliment. Desondanks is de kinderrechter van oordeel dat de minderjarigen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Dit is gelegen in de verstoorde verstandverhouding tussen de ouders waar de minderjarigen feitelijk tussen zitten, alsook de omstandigheid dat het tot op heden nog niet is gelukt om uitvoering te geven aan de zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van 3 april 2026 en omdat het heel lastig is om zaken voor de minderjarigen geregeld te krijgen. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening vanwege de moeizame communicatie en samenwerking tussen de ouders en omdat de ouders een andere kijk hebben op wat nodig is voor de minderjarigen. Een gedwongen kader is daarom nog nodig.

In de komende periode moet duidelijk worden of de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 3 april 2026, en waaraan beide ouders gehouden zijn, haalbaar is en of gezamenlijke gezagsuitoefening nog in het belang van de minderjarigen is. Belangrijk is dat de positieve lijn in de ontwikkeling van de minderjarigen wordt voortgezet, en dat zij zich kunnen richten op hun eigen ontwikkeling in plaats van hun omgeving. Het is aan beide ouders om hierin hun verantwoordelijk te (blijven) nemen. De kinderrechter begrijpt dat het voor de vader lastig is om aanwezig te zijn op afspraken met de GI en/of de hulpverlening die niet ruim van tevoren worden ingepland. Anderzijds dient de vader zich ook te realiseren dat niet alleen hij en zijn vertrouwenspersoon, maar ook de GI en de hulpverlening een drukke agenda hebben, en dat van de vader enige flexibiliteit mag worden verwacht. Daarbij spreekt de kinderrechter de hoop uit dat de vader, net als de moeder, de hem geboden hulpverlening aangaat en daarvan gaat profiteren. De kinderrechter gunt het de minderjarigen dat zij met hun beide ouders een onbelast contact kunnen hebben.

Ten aanzien van het gezag dient er de komende periode duidelijkheid te komen. Het kan immers niet zo zijn dat de ondertoezichtstelling verlengd moet blijven worden totdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meerderjarig zijn.

Op basis van het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Gezien de stappen die nog gezet moeten worden, acht de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur van een jaar passend en aangewezen. De kinderrechter zal het verzoek van de GI aldus toewijzen.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van15 juli 2026 tot 15 juli 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Snatersen als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand