RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/449564 / JE RK 26-1087
C/02/449810 / JE RK 26-1147
Datum uitspraak: 3 juli 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de omgangsregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.E.M.C. Schrijvenaars te Vlissingen,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. B. Vermeirssen te Goes.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer C/02/449564 / JE RK 26-1087
- De beschikking van 24 juni 2026 en alle daarin vermelde stukken.
In zaaknummer C/02/449810 / JE RK 26-1147
- Het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ingekomen op 30 juni 2026.
De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting met gesloten deuren op 3 juli 2026. Verschenen zijn:
de moeder, bijgestaan door mr. S.X. Scholten (kantoorgenoot van haar advocaat);
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
een vertegenwoordiger van de GI.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
Bij beschikking van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank bepaald bepaald – onder wijziging van het vonnis van 29 januari 2024 - dat de vader en [minderjarige] voorlopig, tot dat nader is beslist in de bodemprocedure, gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar één keer per week op zaterdag voor de duur van 2,5 uur en uit te breiden tot een dagdeel indien dit in het belang van [minderjarige] wordt geacht.
Bij beschikking van 2 april 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 april 2025 tot 2 april 2026. Deze ondertoezichtstelling is daarna verlengd bij beschikking van 19 maart 2026, met ingang van 2 april 2026 en tot 2 oktober 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 25 juni 2026 heeft de kinderrechter zonder horen van de belanghebbenden de vader de omgang met [minderjarige] ontzegd voor de duur van twee weken onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
3. Het verzoek
De GI verzoekt op grond van artikel 1: 265g lid 1 BW de verdeling van de zorg- en opvoedtaken [naar de rechtbank begrijpt de omgangsregeling] te wijzigen in die zin dat de huidige omgangsregeling, zoals deze voorlopig is bepaald bij beschikking d.d. 18 oktober 2024 tijdelijk wordt geschorst. En dit verzoek te behandelen zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, onder analoge toepassing van art. 800 lid 3 en/of jo artikel 809 lid 3 Rechtsvordering en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter beoordeling ligt voor de vraag of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven om de afgegeven spoedbeslissing met ingang van heden te herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek betreffende de verdere schorsing van de omgangsregeling van de vader met [minderjarige] .
4. De standpunten
De GI handhaaft de verzoeken. Er zijn de afgelopen twee weken geen veranderingen geweest.
Namens en door de vader is aangegeven dat hij het niet eens is met de verzoeken van de GI. De zorgen zijn door de GI aangedikt.
Namens en door de moeder is aangegeven dat zij zich zorgen maakt over de omgang tussen [minderjarige] en de vader.
5. De (verdere) beoordeling
In zaaknummer C/02/449564 / JE RK 26-1087
De kinderrechter verwijst naar de spoedbeslissing van 24 juni 2026. De kinderrechter heeft bij die beslissing zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden de vader het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd met ingang van 24 juni 2026 en tot 8 juli 2026, onder schorsing van de geldende omgangsregeling en onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De GI en de belanghebbenden zijn tijdens de zitting op 3 juli 2026 gehoord. Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht stelt de kinderrechter vast dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping. Ook is de kinderrechter van oordeel dat op dit moment nog geen sprake kan zijn van hervatting van de omgangsregeling. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Op 19 maart 2026 heeft de kinderrechter de ouders en de GI gesproken in het kader van de behandeling van verzoeken met betrekking tot de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de gezag- en omgangsprocedure tussen de ouders. Op die zitting is onder meer besproken dat de jeugdbeschermer de vader zal moeten opvolgen wat betreft zijn drugsgebruik omdat er serieuze zorgen over bestaan en inzichtelijk moet worden dat de vader inderdaad clean is (vader heeft toen benoemd: al twee maanden). De vader heeft toen toegezegd mee te werken aan UC’s en dat de GI daarvan kennis mag nemen. Tevens heeft de vader toegezegd dat de jeugdbeschermer de informatie van [stichting] , waar vader een verplichte behandeling volgt, zal verkrijgen.
Tijdens de zitting van heden is duidelijk geworden dat de GI niet beschikt over de uitkomsten van de UC’s in verband met drugsgebruik die de man tweewekelijks bij Reclassering Nederland zou moeten laten afnemen. De GI heeft wel een positieve UC ontvangen. Evenmin is de GI door de man op de hoogte gehouden van zijn traject bij [stichting] . De kinderrechter baart dit ernstige zorgen omdat de man tijdens de zitting heeft verklaard al weer één maand clean te zijn. Dat betekent derhalve dat de man tussen maart 2026 en juni 2026 een terugval in drugsgebruik moet hebben gehad.
Onder deze omstandigheden acht de kinderrechter het van belang dat de GI eerst goed zicht heeft op het drugsgebruik van de man, alvorens de omgang weer kan worden opgestart. Zoals ook al eerder is besproken gaan drugs en kinderen niet samen.
Omdat de man heeft verklaard thans al weer één maand clean te zijn, is de kinderrechter van oordeel dat de GI de komende periode moet onderzoeken of contactherstel tot de mogelijkheden behoort. Daarvoor is het noodzakelijk dat de GI van de man de uitslagen van de UC’s krijgt die door Reclassering Nederland worden afgenomen. Als de GI twee in tijd aansluitende negatieve UC’s heeft, kan de GI beoordelen of tot contactherstel kan worden overgegaan. Zoals afgesproken zal de jeugdbeschermer in de tussentijd een plan opstellen om weer tot opbouw van het contact te komen. Eveneens is afgesproken dat de jeugdbeschermer uitzoekt of het nieuwe beleid van [hulpverlening] dat omgang voortaan door twee personen van deze instelling zal worden begeleid, in de situatie van [minderjarige] en vader onverkort moet gelden. Als dat het geval is zal de vader moeten accepteren dat er twee omgangsbegeleiders bij de omgang aanwezig zijn.
Voorts is besproken dat de GI contact zal leggen met de partner van vader om te kunnen beoordelen of zij kan worden geïntroduceerd bij [minderjarige] . De kinderrechter acht dit van belang omdat de vader en de nieuwe partner samen een kind verwachten en de begeleide omgang met [minderjarige] bij de vader thuis plaatsvindt.
Ten slotte is besproken dat de GI, naar aanleiding van de uitspraak van de vader dat hij gestopt is met cocaïnegebruik, maar niet met het gebruik van marihuana (wat hij al jarenlang doet), zal uitzoeken van welk gebruik sprake is en of dit zodanig is dat bij niet stoppen/aanpassen van dit gebruik, omgang verantwoord is tussen de vader en [minderjarige] . De vader moet in staat zijn om op een juiste wijze te reageren op de behoeften van [minderjarige] .
Alles bij elkaar afwegende betekent dit dat de kinderrechter de schorsing van de omgang in stand houdt, totdat de vader twee negatieve UC’s aan de GI heeft laten zien, waaruit geen gebruik van drugs naar voren komt. Ten aanzien van het cannabisgebruik van de vader zal de GI een afweging moeten maken wat wel en wat niet toelaatbaar is. Op het moment dat [minderjarige] bij de vader is, is het van belang dat hij niet onder invloed is.
De kinderrechter zal het verzoek voor het overige aanhouden tot de zitting van [datum] 2026. Op deze zitting worden ook de verzoeken in de zaaknummers 425346 FA RK 24-3618 (gezag en omgang) en 444614 JE RK 26-192 (verlenging ondertoezichtstelling) behandeld. Het resterende deel van dit verzoek zal dan ook behandeld worden. De kinderrechter doet dit ook, zodat de vader de kans krijgt om in de tussenliggende periode te laten zien dat het hem lukt om veel langer dan één maand clean te zijn.
De kinderrechter verwacht van de GI een week voor aanvang van de zitting van [datum] 2026 in deze zaak een briefrapportage, waarin in ieder geval de UC’s, de visie van de GI op het marihuanagebruik, het nieuwe beleid van [hulpverlening] , de stand van zaken met betrekking tot de nieuwe partner van de vader aan de orde komen, alsmede het standpunt van de GI over het al dan niet handhaven van het verzoek.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
In zaaknummer C/02/449810 / JE RK 26-1147
De kinderrechter zal het verzoek dat gedaan is in dit zaaknummer afwijzen nu dit verzoek hetzelfde is als het resterende deel van het spoedverzoek.
6. De beslissing
De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/449564 / JE RK 26-1087
schorst, uitvoerbaar bij voorraad, met ingang van 8 juli 2026 de omgang tussen de vader en [minderjarige] , totdat, ter beoordeling van de GI, de vader twee in tijd aansluitende negatieve urinecontroles, afgenomen door Reclassering Nederland, heeft laten zien, waarna bij positieve beoordeling door de GI, het door de jeugdbeschermer in de tussenliggende periode opgestelde plan tot opbouw van het contact tussen de vader en [minderjarige] in werking zal worden gesteld, een en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.4;
houdt de verdere beoordeling van het verzoek aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het gerechtsgebouw aan de Kousteensedijk 2 (4331 JE) te Middelburg in afwachting van een briefrapportage van de GI;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor de GI, de (advocaat van de) moeder en de (advocaat van de) vader voor de zitting van [datum] 2026 om [uur] (alwaar gelijktijdig de verzoeken in de zaaknummers 425346 FA RK 24-3618 en 444614 JE RK 26-192 zullen worden behandeld);
In zaaknummer C/02/449810 / JE RK 26-1147
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026, in aanwezigheid van mr. Willemsen, griffier en op schrift gezet op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.