3. De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat de kinderen bij de man verblijven éénmaal per twee weken van vrijdag 14.00 uur (na school) tot zondag 20.00 uur, waarbij de man de kinderen zal ophalen en naar de vrouw zal terugbrengen, alsmede in de week dat er geen weekendomgang is een tussen partijen in onderling overleg af te spreken extra dag, alsmede gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen, althans een door de rechtbank vast te stellen regeling;
te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw bij vooruitbetaling dient te voldoen een bedrag van € 219,= per maand per kind, te vermeerderen met de jaarlijkse indexering, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
een beslissing te nemen over de proceskosten.
4. De beoordeling
Wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e BW van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Voordat een beslissing wordt genomen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, na te gaan of de ouders in onderling overleg een regeling kunnen treffen.
Standpunten
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Sinds partijen in 2022 voor hun kinderen een co-ouderschapsregeling hebben afgesproken, zijn de omstandigheden gewijzigd. Volgens de vrouw geeft de man volstrekt onvoldoende kwalitatieve invulling aan de zorgregeling. Dit door tijdgebrek in verband met zijn drukke baan. De vrouw heeft veel zorgen over de kinderen. Zo gaan de kinderen bij de man te laat naar bed, mogen zij in de avond nog lang op hun telefoon appen en eten zij te weinig gezond. Het ontbijt schiet er doordeweeks vaak bij in. Ook heeft de man weinig bijzondere aandacht voor de kinderen. De kinderen zitten bij hem te lang op hun kamer en spelen dan op hun Playstation of kijken daar TV. Als de man iets bijzonders of leuks onderneemt met zijn nieuwe echtgenote, mogen de kinderen niet mee. De vrouw stelt dat de huidige zorgregeling niet meer functioneert en dat de kinderen de co-ouderschapsregeling niet meer willen. Als de regeling wordt ingeperkt tot een ruim weekend per veertien dagen is de man beter in staat om zijn contact met de kinderen kwalitatief goed in te vullen. Dat komt de kinderen ten goede. Aanvullend heeft de vrouw op de zitting naar voren gebracht dat zij ten tijde van het maken van afspraken over de echtscheiding onder grote druk van de man stond en tegen haar wens in heeft ingestemd met de co-ouderschapsregeling. Partijen maken veel ruzie en de onderlinge communicatie is slecht. De kinderen hebben hier last van en zitten klem tussen hun ouders. Ook daarom is een co-ouderschapsregeling niet in het belang van de kinderen. Het lukt partijen niet om samen te overleggen over de wijze waarop de huidige zorgregeling verloopt. De vrouw is wel bereid om daar onder begeleiding van hulpverlening gesprekken over te voeren, omdat de kinderen last hebben van hoe het nu gaat. Tot slot betwist de vrouw dat zij plannen heeft om met de kinderen te verhuizen naar [plaats] , zoals de man stelt.
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en voert verweer. De man betwist dat de omstandigheden zijn gewijzigd en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen. De vrouw neemt diverse stellingen in en uit beschuldigingen, maar die zijn niet onderbouwd. De beschuldigingen zijn feitelijk onjuist en ongegrond. De door de vrouw gewenste aanpassing van de zorgregeling zal tot gevolg hebben dat de kinderen de man veel minder zien en dat is ongewenst. Hij vindt het belangrijk dat de kinderen hun ouders evenveel zien. De man betwist ook dat de kinderen de huidige regeling niet meer willen. Volgens hem verloopt het co-ouderschap goed. Partijen kunnen met elkaar overleggen, gaan bijvoorbeeld samen naar de oudergesprekken op de school van de kinderen en naar de stottertherapeut voor [minderjarige 2] . Wel ziet de man dat partijen een verschillende manier van opvoeden hebben, maar dat is geen reden om de huidige regeling aan te passen. De man vermoedt dat de vrouw met haar verzoek om wijziging van de zorgregeling voorsorteert op haar wens om met de kinderen te verhuizen naar [plaats] . De huidige partner van de vrouw woont daar. Tot slot is van de zijde van de man aan de orde gesteld dat partijen inmiddels overleg hebben gehad en dat daarbij ook is gesproken over het inschakelen van hulpverlening ter verbetering van de communicatie van partijen als ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De man staat daar voor open.
De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om partijen in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) voor hulpverlening door te verwijzen. De Raad vindt het zorgelijk dat partijen ruzie maken in het bijzijn van de kinderen. De kinderen hebben daar last van en dit moet stoppen. Wel is het positief dat partijen openstaan voor hulpverlening. De Raad dacht in eerste instantie aan een module Ouderschap Blijft bij de gemeente. Omdat tijdens de zitting wordt bemerkt dat er bij de vrouw veel weerstand is, acht de Raad het bij nader inzien beter als partijen hulpverlening aanvaarden in het kader van een UHA traject. Verder adviseert de Raad dat de co-ouderschapsregeling in stand blijft. Ingeschat wordt dat het voor de kinderen te ingrijpend zal zijn als het verzoek van de vrouw nu wordt toegewezen. De Raad verwacht dat als partijen met elkaar in gesprek gaan in het kader van een hulpverleningstraject, de co-ouderschapsregeling soepel zal gaan verlopen.
[minderjarige 1] heeft de kinderrechter tijdens het kindgesprek verteld dat haar ouders veel ruzie maken over onzin, zoals kleding en het wisselmoment tijdens de zomervakantie. [minderjarige 1] zou het fijn vinden als haar ouders minder ruzie maken waar zij bij zijn. Zij heeft ook verteld dat zij het fijner vindt bij haar moeder, want die onderneemt meer activiteiten met haar en haar broertje. [minderjarige 1] geeft haar leven nu als cijfer een 7 of 8. Zij zou haar leven een 10 geven als zij meer bij haar moeder is en wanneer zij niet wordt gepest. Van dat laatste heeft ze erg veel last. Ook zou ze het fijn vinden als zij en haar broer bij haar vader minder hoeven te haasten en als ze bij haar vader voor het naar school gaan kan ontbijten.
Beoordeling
Op grond van de stukken en wat is besproken op de zitting stelt de rechtbank vast dat partijen een verschillende visie hebben over de wijze van opvoeding en verzorging van de kinderen, dat partijen daar ruzie over maken – ook in het bijzijn van de kinderen – en dat de onderlinge communicatie niet goed is. De kinderen hebben hier last van. Daarnaast heeft de vrouw de wens om te komen tot een andere zorgregeling, waarbij de kinderen meer bij haar verblijven dan bij de man. De vrouw vindt dat de huidige co-ouderschapsregeling niet goed verloopt. De man daarentegen vindt dat het prima gaat.
Het lukt partijen niet zelf om als ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen (hierna ook te noemen: ouders) hebben dat tijdens de zitting ook ingezien en benoemd en hebben er mede daarom mee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Zij realiseren zich dat er iets moet veranderen in de onderlinge verhouding. De verwijzing heeft op 18 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);
het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de kinderen.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
Past een wijziging van de co-ouderschapsregeling bij de belangen van de kinderen?
Zo ja, welke zorgregeling door de ouders komt dan het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
Welke andere feiten/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Omdat ouders en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Kinderalimentatie
Zoals op de zitting met partijen is besproken, zal de rechtbank ook de beoordeling van en beslissing over het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie aanhouden in afwachting van de uitkomst van het UHA traject. In het ouderschapsplan hebben partijen in artikel 7.3 afgesproken dat ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen draagt wanneer zij bij hen zijn en daarnaast dat ieder de helft van de verblijfsoverstijgende lasten betaalt. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie hangt direct samen met haar verzoek tot wijziging van de zorgregeling. Omdat partijen op de zitting hebben afgesproken dat zij in het kader van het UHA onder begeleiding van hulpverlening in gesprek te gaan over het co-ouderschap en de huidige regeling over de wijze van betaling van de kosten van de kinderen direct samenhangt met deze co-ouderschapsregeling, hebben partijen er op de zitting mee ingestemd dat ook de beslissing op het verzoek tot kinderalimentatie zal worden aangehouden.
Voorlopige regeling
Het bovenstaande heeft tot gevolg dat de huidige regeling met betrekking tot de kinderen zoals die is opgenomen in het ouderschapsplan van partijen vooralsnog ongewijzigd doorloopt, zowel wat betreft de co-ouderschapsregeling als de wijze van betaling van de kosten van de kinderen.
5. De beslissing
De rechtbank:
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de kinderen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op 2 april 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.16 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt de behandeling van de verzoeken over de zorgregeling en de kinderalimentatie en iedere verdere beslissing daarop, aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in aanwezigheid van mr. De Wit, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.