[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. I.J. Janssens),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 februari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.986.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door de gemachtigde en namens de inspecteur [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB 2022 te hoog is vastgesteld. Meer specifiek gaat de rechtbank in op de vraag of belanghebbende op grond van artikel 20 van het belastingverdrag tussen Nederland en Italië (het belastingverdrag) recht heeft op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Zij doet de beoordeling aan de hand van de door belanghebbende aangevoerde beroepsgronden.
3. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag IB 2022 niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende is in Nederland geboren en heeft tot 30 december 2019 in Nederland gewoond.
In december 2019 is belanghebbende in het kader van een PhD-traject in dienst getreden bij [universiteit 1] in Italië ( [universiteit 1] ). Het dienstverband heeft betrekking op een internationaal wetenschappelijk onderzoeksproject, gefinancierd door de Europese Unie, waarbij universiteiten uit verschillende Europese landen samenwerken. Het dienstverband is in december 2022 geëindigd.
Belanghebbende heeft zijn werkzaamheden in het kader van zijn PhD-traject van december 2019 tot 20 augustus 2021 uitgevoerd in Italië. In deze periode woonde belanghebbende in Italië en beschikte hij daar over een huurwoning. Bij vertrek uit Italië heeft belanghebbende zijn huurwoning opgezegd.
In de periode 20 augustus 2021 tot en met 10 december 2022 heeft belanghebbende zijn werkzaamheden in het kader van het PhD-traject onder hetzelfde dienstverband voortgezet in Nederland aan de [universiteit 2] ( [universiteit 2] ). Daar beschikte hij per 16 augustus 2021 over een huurwoning.
Op 30 maart 2022 heeft belanghebbende een woning in [woonplaats] gekocht welke hij heeft betrokken op 25 april 2022.
Op 11 december 2022 is belanghebbende bij de [universiteit 2] in dienst getreden.
In het jaar 2022 heeft belanghebbende vanuit [universiteit 1] een loon ontvangen van € 38.556. Over dit loon is in Italië geen belasting betaald. Daarnaast heeft belanghebbende € 2.243 aan loon ontvangen vanuit de [universiteit 2] .
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2022 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.799. Voor het bedrag van € 38.556 dat hij vanuit [universiteit 1] heeft ontvangen, heeft belanghebbende om voorkoming van dubbele belasting verzocht. Verder verzoekt belanghebbende om premievrijstelling voor de Nederlandse volksverzekeringen voor geheel 2022.
Bij de aanslag IB 2022 is aftrek ter voorkoming van dubbele belasting niet verleend.
Motivering
Belanghebbende stelt dat hij op grond van artikel 20 van het belastingverdrag recht heeft op voorkoming van dubbele belasting.
Artikel 20 van het belastingverdrag luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
1. Vergoedingen die een hoogleraar, een ander lid van het onderwijzend personeel of een wetenschappelijk onderzoeker, die inwoner is of onmiddellijk voor zijn bezoek aan een van de Staten inwoner was van de andere Staat en die uitsluitend in de eerstbedoelde Staat verblijft met het doel aldaar onderwijs te geven of zich met wetenschappelijk onderzoek bezig te houden, ter zake van die werkzaamheden ontvangt, mogen in die Staat niet worden belast gedurende een tijdvak van ten hoogste twee jaar.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende kwalificeerde als wetenschappelijk onderzoeker en direct voorafgaand aan zijn komst naar Nederland inwoner van Italië was. In geschil is of belanghebbende in het jaar 2022 uitsluitend in Nederland verbleef met doel zich bezig te houden met wetenschappelijk onderzoek. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend. De bewijslast dat hij recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting rust op belanghebbende.
Ter onderbouwing van zijn standpunt voert belanghebbende het volgende aan. Bij aanvang van het PhD-project was voor hem nog niet duidelijk dat hij na afronding van het project in Nederland zou blijven. De essentie van het PhD-traject was dat hij in twee landen zijn doctoraat zou behalen. Daarvoor moest hij het wetenschappelijk onderzoek in beide landen uitvoeren. Hij is enkel voor het wetenschappelijk onderzoek terug naar Nederland gegaan. Volgens belanghebbende had het in plaats van Nederland ook een ander land in de Europese Unie kunnen zijn waar hij zijn wetenschappelijk onderzoek zou kunnen hebben voortgezet.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2022 uitsluitend in Nederland verbleef om zich bezig te houden met wetenschappelijk onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de tekst van artikel 20 van het belastingverdrag dat vereist is dat een wetenschapper of docent tijdelijk in het andere land verblijft met het uitsluitende doel zijn onderzoek of werk te verrichten, en daar is in het geval van belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van. Belanghebbende is in Nederland geboren en heeft tot zijn vertrek naar Italië in december 2019 altijd in Nederland gewoond. Het contract dat belanghebbende met [universiteit 1] had, was van tijdelijke aard, namelijk voor de duur van 3 jaren, waarbij – blijkens de verklaringen van belanghebbende – van meet af aan al vaststond dat een geruim deel van die tijd bij een tweede universiteit buiten Italië zou worden doorgebracht. Bij vertrek vanuit Italië naar Nederland heeft belanghebbende zijn woonruimte in Italië opgezegd. Toen hij zijn werkzaamheden in het kader van het PhD-traject in Nederland ging voortzetten heeft hij medio augustus 2021 in Nederland een woning gehuurd en vervolgens in maart 2022 gekocht. Ten slotte is hij na afloop van het PhD-traject direct in dienst getreden bij de [universiteit 2] . Het voorgaande in samenhang bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat niet aannemelijk is dat belanghebbende als inwoner van Italië in augustus 2021 slechts naar Nederland vertrok om hier tijdelijk wetenschappelijk onderzoek te verrichten, maar veeleer om het centrum van zijn levensbelangen weer terug naar Nederland te verplaatsen. De vrijstelling in artikel 20 van het belastingverdrag is dan niet toepassing.
Tussen partijen is niet in geschil dat de heffing over de ontvangsten vanuit [universiteit 1] in dat geval aan Nederland is toegewezen. De aanslag IB 2022 is niet te hoog vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB 2022 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.