[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.D. Kamp),
en
de inspecteur van de Belastingdienst.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 juni 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2020 een aanslag schenkbelasting opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Partijen hebben nadere stukken ingediend, die telkens aan de wederpartij zijn verstrekt.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met de zaken met zaaknummers 24/5750, 24/5752 en 24/5755, op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [betrokkene] en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , drs. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] MSc. Van hetgeen op de zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van haar werkelijke proceskosten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar vernietigen, de aanslag verminderen en een proceskostenvergoeding volgens het forfait toekennen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Feiten
3. [betrokkene] was lid van vereniging [beleggingsclub] ( [beleggingsclub] ). Die beleggingsclub beheert een fonds voor gemene rekening waarin de leden deelgerechtigd zijn. [betrokkene] was voor 1,88% deelgerechtigd in de totale beleggingsportefeuille van [beleggingsclub] . Per 1 februari 2013 had [beleggingsclub] in portefeuille:
Ook had [betrokkene] op 1 februari 2013 rechtstreeks voor € 83.000 nominaal aan achtergestelde obligaties [bank 2] N.V. 2007.
Op 1 februari 2013 heeft de Minister van Financiën (de Minister) de in 3 en 3.1 bedoelde obligaties onteigend in het kader van het faillissement van de [bank 1] . De Minister heeft toen in rechte een aanbod tot schadeloosstelling voor de onteigende obligaties gedaan van nihil. Een aantal partijen heeft hierop een procedure aangespannen bij de Ondernemingskamer van Gerechtshof Amsterdam. Die Ondernemingskamer heeft bij beschikking van 11 februari 2021 de aan de rechthebbenden toekomende schadeloosstelling ter zake van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van [bank 1] en [bank 2] vastgesteld. Die beschikking is op 21 april 2023 bekrachtigd door de Hoge Raad.
Bij notariële akte van 27 maart 2020 heeft [betrokkene] aan belanghebbende en drie anderen elk voor een gelijk deel geschonken zijn vordering op [beleggingsclub] en de economische eigendom van zijn vordering op de Staat vanwege de opbrengst van hetgeen als schadeloosstelling ter zake van de in 3.2 bedoelde onteigening zal worden uitgekeerd.
Ter zake van de in 3.3 bedoelde schenking heeft belanghebbende aangifte schenkingsrecht gedaan naar een waarde van nihil.
De inspecteur heeft op 21 maart 2023 een aanslag schenkbelasting opgelegd naar een schenking van € 84.435. Dit betreft de nominale waarde van de in 3 en 3.1 bedoelde obligaties.
Naar aanleiding van de in 3.2 bedoelde bekrachtiging door de Hoge Raad heeft [betrokkene] op 30 oktober 2023 een bedrag ontvangen waarvan hij vrijwel direct eenvierde gedeelte heeft doorgestort naar belanghebbende. Belanghebbende heeft een bedrag van € 76.912 ontvangen, bestaande uit € 59.766 schadeloosstelling en € 17.146 rente.
Beoordeling
Vooraf
4. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat het bedrag van de schenking moet worden verminderd van € 84.435 tot € 76.912 (het bedrag dat belanghebbende uiteindelijk, inclusief rente, heeft ontvangen) en dat dit bedrag nog verder moet worden verminderd met het gedeelte van de rente dat is toe te rekenen aan de periode van de datum van schenking, zijnde 27 maart 2020, tot de datum van uitbetaling aan belanghebbende, waarbij kan worden uitgegaan van 30 oktober 2023. Dit komt neer op een verlaging van het bedrag van de schenking naar (afgerond) € 70.069. Rekening houdend met de vrijstelling van € 2.208 resulteert dit in een belaste schenking van € 67.861. Daarover is belanghebbende € 20.358 schenkingsrecht verschuldigd. De rechtbank zal de aanslag in ieder geval naar dit bedrag verlagen.
Overig ten aanzien van de aanslag
Primair stelt de inspecteur dat heffing dient plaats te vinden in 2020 en dat belast is het bedrag dat belanghebbende uiteindelijk heeft ontvangen (rekening houdend met hetgeen in 4 is opgemerkt). Belanghebbende vindt dat de schenking op een lager bedrag moet worden vastgesteld vanwege de omstandigheden op het moment van schenking en de destijds bestaande onzekerheden over de hoogte van het uiteindelijk te ontvangen bedrag. Subsidiair betoogt belanghebbende dat de schenking moet worden berekend op het ontvangen bedrag exclusief rente.
De rechtbank overweegt dat de schenking heeft plaatsgevonden bij de notariële akte van 27 maart 2020 zodat de schenking in 2020 belast is. Er is niet onder opschortende voorwaarde geschonken. Slechts de waarde van hetgeen werd geschonken was op dat moment onzeker.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad leidt de rechtbank af dat voor de waardering van een schenking met een op dat moment onzekere waarde moet worden aangesloten bij de waarde van de schenking die uiteindelijk wordt vastgesteld. De schenking wordt dus niet schattenderwijs vastgesteld naar de omstandigheden en onzekerheden op dat moment, maar naar hetgeen (achteraf bezien) de waarde van de schenking blijkt te zijn op het moment van schenking. Daaraan doet niet af dat de arresten van de Hoge Raad betrekking hebben op de heffing van erfbelasting omdat het systeem van de heffing van schenkbelasting gelijk is aan het systeem van de heffing van erfbelasting en omdat de schenkbelasting net als de erfbelasting een tijdstipbelasting is. Dit betekent dat belast is hetgeen belanghebbende uiteindelijk heeft verkregen. Daar maakt ook de rente die is ontvangen over de periode tot 27 maart 2020 onderdeel van uit. De schenking is dan € 70.069.
Het door belanghebbende in haar pleitnota genoemde arrest maakt dit niet anders omdat in die zaak – anders dan in het onderhavige geval waarin belanghebbende in het jaar van schenking ook reeds begiftigde was – de erflater in 2008 was overleden maar de belanghebbende pas in 2014 – voor toepassing van de Successiewet – erfgenaam werd, waardoor het tijdstip van de verkrijging niet samenviel met het tijdstip van overlijden. In onderhavig geval is geen sprake van een dergelijke discrepantie.
Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel en het discriminatieverbod zijn geschonden. Belanghebbende wijst erop dat de Minister in de in 3.2 bedoelde procedure het standpunt heeft ingenomen dat de waarde van de onteigende obligaties nihil was. Verder beroept belanghebbende zich op publicaties van de Kennisgroep IB-niet winst waarin staat dat voor de inkomstenbelasting, bij de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen, mag worden uitgegaan van een waarde van de onteigende obligaties/de vordering in verband met de onteigening van de obligaties van nihil.
De rechtbank overweegt dat het de Minister vrijstaat om in een procedure als bedoeld in 3.2 een voor de Staat gunstig standpunt in te nemen. De inspecteur is hieraan vervolgens niet gebonden in een zaak als de onderhavige. Van opgewekt vertrouwen dat de inspecteur conform dat standpunt zou handelen is geen sprake. Verder komt aan belanghebbende geen in rechte te beschermen vertrouwen toe op grond van het kennisgroepstandpunt, voor zover dat standpunt de inspecteur schenkingsrecht al zou binden. Het karakter van de inkomstenbelasting, als jaarlijks terugkerende heffing, verschilt teveel van het karakter van de schenkbelasting, als eenmalige heffing. Mede gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt dat het discriminatieverbod is geschonden.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij door de handelswijze van de inspecteur in beroep is gedrongen en dat zij daarom recht heeft op vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten.
In artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) is opgenomen dat in bijzondere omstandigheden afgeweken kan worden van de forfaitaire normen die voor de berekening van een (proces)kostenvergoeding in het Besluit zijn opgenomen. Uit de jurisprudentie volgt dat aanspraak gemaakt kan worden op een hogere (proces)kostenvergoeding indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft, doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Dit betreft situaties waarin het bestuursorgaan tegen beter weten in handelt. Verder volgt uit de jurisprudentie dat hier aanspraak op gemaakt kan worden indien het opleggen dan wel handhaven van een correctie gepaard is gegaan met een vergaande mate van onzorgvuldigheid aan de zijde van de inspecteur. De bewijslast dat voldaan is aan de voorwaarden waaronder aanspraak gemaakt kan worden op een hogere dan forfaitaire vergoeding rust op belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet zodanig onzorgvuldig of tegen beter weten in heeft gehandeld, dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Ook anderszins is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit geen sprake.
De vergoeding is dan ook met toepassing van het Besluit als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de in 1.5 genoemde zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbenden konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. Nu sprake is van vier samenhangende zaken, waarin het beroep gegrond is, zal een factor van 1,5 worden toegepast. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt), heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en heeft de zitting bijgewoond (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.801. Per zaak komt dat neer op € 950,25.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag schenkbelasting tot € 20.358;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 950,25 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. J.A. den Braber-Riemens en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. J.A. den Braber-Riemens.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.