ECLI:NL:RBZWB:2026:7179

ECLI:NL:RBZWB:2026:7179

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 04-08-2026
Datum publicatie 03-08-2026
Zaaknummer BRE 23/12488 en 23/12489
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Inkomstenbelasting

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 16 november 2023.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 118.087 (de aanslag IB/PVV). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 1.873 (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.

Voorts heeft de inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 10.927 (de aanslag Zvw). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende belastingrente vergoed tot een bedrag van € 122 (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende was niet aanwezig. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende de rechtbank gevraagd of de zitting mogelijk verplaatst kon worden (welk verzoek is afgewezen). Hieruit leidt de rechtbank af dat belanghebbende tijdig en op de juiste wijze is uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Van hetgeen op de zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Ook beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op vergoeding van schade. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, maar alleen voor zover het de aanslag IB/PVV en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking betreft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is advocaat en is werkzaam als bedrijfsjurist. In de jaren 2012 tot en met 2015 was belanghebbende in dienst van [werkgever] B.V. ( [werkgever] ). Sinds 14 juni 2017 exploiteert belanghebbende een eenmanszaak, [eenmanszaak] geheten. Verder was zij tot 3 december 2019 directeur en enig aandeelhouder van [B.V. 1] ( [B.V. 1] ). [B.V. 1] hield tot 19 november 2019 95% van de aandelen van [B.V. 2] ( [B.V. 2] ). [B.V. 1] was tevens directeur van [B.V. 2] . De overige 5% van de aandelen van [B.V. 2] was in handen van [werkgever] . Tot 19 november 2019 hield [B.V. 2] 5% van de aandelen in [B.V. 3] ( [B.V. 3] ). [B.V. 2] was ook directeur van [B.V. 3] . De overige 95% van de aandelen van [B.V. 3] was in handen van [werkgever] .

Gedurende het jaar 2019 stond belanghebbende in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres [adres 1] . Sinds 8 februari 2008 is belanghebbende voor 100% eigenaar van deze woning. Sinds 1 maart 2012 is belanghebbende tevens voor 100% eigenaar van de woning aan de [adres 2] . Sinds 2012 heeft belanghebbende de hypotheekrente van beide woningen in haar aangiften IB/PVV in aftrek gebracht. In 2019 betaalde belanghebbende € 4.221 hypotheekrente voor de woning te [plaats 2] en € 5.054 hypotheekrente voor de woning te [plaats 3] . Door een dispuut met de aannemer en problemen met de financiering is de verbouwing van de woning te [plaats 3] wel aangevangen, maar niet voltooid.

In het onderhavige jaar heeft [B.V. 2] een auto, een Audi A5, aan belanghebbende ter beschikking gesteld. Belanghebbende gebruikte deze auto ook privé.

Belanghebbende heeft over 2019 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.033. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur rekening gehouden met een gebruikelijk loon van in totaal € 45.000 (waarin begrepen een correctie van € 9.275 voor de bijtelling voor het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto) en heeft hij de hypotheekrenteaftrek voor de woning te [plaats 3] van € 5.054 geweigerd.

Beoordeling

Vooraf

4. De inspecteur stelt dat de aanslag IB/PVV te hoog is omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met ingehouden loonheffing tot een bedrag van € 985. De rechtbank zal de aanslag overeenkomstig dit standpunt verminderen. De bij de aanslag gegeven belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd.

Is de aanslag IB/PVV (voor het overige) terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld?

Omkering en verzwaring van de bewijslast

De inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende in de aangifte IB/PVV geen bijtelling in aanmerking heeft genomen voor het privégebruik van de aan haar ter beschikking gestelde auto en geen fictief loon in aanmerking heeft genomen betreffende de werkzaamheden die zij voor de in rechtsoverweging 3 bedoelde vennootschappen heeft verricht.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, waardoor de bewijslast hiervoor rust op de inspecteur.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in het onderhavige jaar een fors bedrag aan niet-aangegeven inkomen heeft genoten. Belanghebbende heeft namelijk geen aangifte gedaan van het genoten privé-voordeel in verband met de aan haar ter beschikking gestelde auto. Het gaat daarbij om een niet-aangegeven bedrag dat tot een relatief en absoluut substantieel bedrag aan niet-geheven belasting leidt, ook als rekening wordt gehouden met de vermelde voorheffing op de jaaropgaaf. De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende zich bewust was van het feit dat zij deze inkomsten in haar aangifte inkomstenbelasting moest aangeven. Zij had namelijk een jaaropgaaf ontvangen met daarop (alleen) deze inkomsten vermeld. Desondanks heeft zij deze inkomsten niet in de aangifte vermeld. Voor zover belanghebbende met haar stellingen betoogt dat zij in de veronderstelling was dat met het ontvangen van een jaaropgaaf de volledige fiscale verantwoording van deze inkomsten al had plaatsgevonden, verwerpt de rechtbank dat betoog. Dat is namelijk niet de functie van een jaaropgaaf. De rechtbank acht het algemeen bekend dat juist gegevens uit een jaaropgaaf worden verstrekt ten behoeve van een juiste fiscale verantwoording in de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank is dus aannemelijk dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende in het onderhavige jaar (indirect) in drie vennootschappen een aanmerkelijk belang had (zie rechtsoverweging 3) en dat zij niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat zij in het onderhavige jaar werkzaamheden voor deze vennootschappen heeft verricht. Op grond van artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt belanghebbende geacht een loon van elk van deze vennootschappen te hebben genoten van ten minste € 45.000 (gebruikelijk loon). Nu belanghebbende geen loon heeft aangegeven, is aannemelijk dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV en Zvw zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV en Zvw.

De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende – als bedrijfsjurist – zich er, ten tijde van het indienen van de aangifte, van bewust was dat aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting en premies niet zouden worden geheven door het niet vermelden van het door haar genoten gebruikelijk loon in de aangifte.

Aangezien belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit geldt voor zowel de aanslag IB/PVV als de aanslag Zvw.

Redelijke schatting

Aangezien sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

De inspecteur heeft een gebruikelijk loon in aanmerking genomen van in totaal € 45.000. Naar het oordeel van de rechtbank is wat betreft het gebruikelijk loon geen sprake van een redelijke schatting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat het bij [B.V. 1] en [B.V. 2] in dienst zijnde personeel in 2019 is overgedragen aan [eenmanszaak] , belanghebbendes eenmanszaak, dat [B.V. 1] en [B.V. 2] in 2019 zijn geliquideerd en dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard wel in te zien dat € 45.000 een ruime schatting is. Alles afwegende acht de rechtbank het in aanmerking nemen van een gebruikelijk loon van in totaal € 22.500 redelijk (waarin begrepen de correctie voor de bijtelling van de auto).

Naar het oordeel van de rechtbank is voor het overige wel sprake van een redelijke schatting. Het gecorrigeerde bedrag aan hypotheekrente betreft het bedrag van € 5.054 dat belanghebbende voor de woning te [plaats 3] heeft afgetrokken.

Belanghebbende heeft vervolgens niet doen blijken dat het belastbaar inkomen uit werk en woning, behalve wat betreft hetgeen is overwogen in 4.8, te hoog is vastgesteld.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het belastbaar inkomen uit werk en woning worden verminderd van € 118.087 tot € 95.587, waarbij voor de hoogte van de aanslag aanvullend rekening wordt gehouden met ingehouden loonheffing van € 985.

Is de aanslag Zvw terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld?

De aanslag Zvw is vastgesteld op basis van een bijdrage-inkomen om te komen naar een maximum premie-inkomen van € 55.927.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbare winst uit onderneming van € 80.670. De rechtbank overweegt dat hiervoor bedoeld bedrag, waarover premies inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zijn verschuldigd, hoger is dan het in 4.12 bedoelde maximum premie-inkomen. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de door haar aangegeven belastbare winst uit onderneming naar beneden moet worden bijgesteld. De aanslag Zvw is dan ook terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.

Is de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld?

Aan belanghebbende is een verzuimboete opgelegd vanwege het niet tijdig doen van aangifte IB/PVV.

Belanghebbende heeft niet bestreden dat zij de aangifte IB/PVV niet tijdig heeft gedaan. De rechtbank overweegt dat de mate van verwijtbaarheid voor de verzuimboete geen rol speelt, maar dat de boete achterwege moet blijven als sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Voor een geslaagd beroep op avas moet belanghebbende aannemelijk maken dat zij in de gegeven omstandigheden alle in redelijkheid van haar te vergen zorg heeft betracht om ervoor te zorgen dat het verzuim niet zou worden begaan.

Belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat sprake is van avas. Naar het oordeel van de rechtbank is de boete dan ook terecht opgelegd.

Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd op basis waarvan de boete zou moeten worden verminderd. De rechtbank constateert ambtshalve dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie. Het aanvangsmoment van de redelijke termijn is 23 juni 2023, omdat de boete op dat moment bekend is geworden. De rechtbank doet uitspraak op 4 augustus 2026. De redelijke termijn is met afgerond één jaar en twee maanden overschreden. De boete is minder dan € 1.000 waardoor de verdragsschending met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden naar het oordeel van de rechtbank voldoende is gecompenseerd.

Zijn de beschikkingen belastingrente terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?

Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank wijst belanghebbende erop dat de bedragen van de belastingrente de bedragen van de aanslagen volgen. De belastingrentebeschikking bij de aanslag IB/PVV moet worden verminderd aangezien het beroep gegrond is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het overige af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.

Heeft belanghebbende recht op schadevergoeding?

Belanghebbende verzoekt om vergoeding van alle geleden schade.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende niet heeft gespecificeerd welke schade zij heeft geleden, waar de schade door is veroorzaakt en tot welk bedrag zij schade heeft geleden. Om die reden zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar over de aanslag IB/PVV en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking is gegrond. Dat betekent dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Belanghebbende heeft niet gesteld dat zij voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep betreffende de aanslag IB/PVV en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking;

- vermindert de aanslag IB/PVV tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.587, waarbij voor de hoogte van de aanslag aanvullend rekening wordt gehouden met ingehouden loonheffing van € 985 aan voorheffing, en vermindert de bij de aanslag IB/PVV gegeven belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en prof. dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. T.S.K.L. Tjon.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026081002 V-N Vandaag 2026/1658 NLF 2026/1631 FutD 2026-1444
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand