RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11968457 \ AZ VERZ 25-95
Beschikking van 30 juli 2026
in de zaak van
[verzoekende partij]
te [plaats 1]
verzoekende partij
hierna te noemen: [verzoekende partij]
procederend in persoon
tegen
Carrière Personeelsdiensten B.V.
te Rotterdam
verwerende partij
hierna te noemen: Carrière Personeelsdiensten
gemachtigde: mr. R.D. Ouwerling
en
Albert Heijn B.V.
te Zaandam
verwerende partij
hierna te noemen: Albert Heijn
gemachtigde: mr. drs. F.C. Boel
De zaak in het kort
[verzoekende partij] heeft als uitzendkracht in dienst van Carrière Personeelsdiensten gewerkt in een distributiecentrum van Albert Heijn. In de advertentie waarop hij destijds heeft gereageerd werd een arbeidsperiode van zes maanden voorgespiegeld. Feitelijk werden de werkzaamheden na circa twee en een halve maand op initiatief van Carrière Personeelsdiensten en/of Albert Heijn beëindigd. In deze procedure vraagt [verzoekende partij] de kantonrechter om vast te stellen dat sprake was van een arbeidsomvang van 140 uren per maand en een arbeidshorizon van zes maanden. Verder vraagt hij om diverse geldbedragen aan hem toe te kennen en doet hij enkele verzoeken die verband houden met zijn werkzaamheden. [verzoekende partij] is de Nederlandse taal niet machtig en werd niet juridisch bijgestaan. Ter zitting was hij in persoon aanwezig, enkel voorzien van een tolk. Zijn verzoekschrift heeft [verzoekende partij] naar eigen zeggen met behulp van AI opgesteld. Daarin is slechts een summiere weergave van de gronden van het verzoek opgenomen, gevolgd door diverse primair, subsidiair en meer subsidiair ingestelde verzoeken en een groot aantal producties, die hij nadien met nog meer producties heeft aangevuld. De kantonrechter wijst het leeuwendeel van zijn verzoeken af. Tussen partijen is een uitzendovereenkomst voor de duur van telkens een maand overeengekomen. Er was geen sprake van een contract voor de duur van een half jaar. De op dat idee gebaseerde vergoedingen komen [verzoekende partij] dan ook niet toe. Hij maakt nog wel aanspraak op een klein bedrag aan loon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties;
- de aanvullende producties van [verzoekende partij] ;
- het verweerschrift van Carrière Personeelsdiensten met 3 producties;
- de akte van [verzoekende partij] houdende rectificatie van de naam van Carrière Personeelsdiensten;
- het verweerschrift van Albert Heijn;
- de van Albert Heijn separaat ontvangen producties 1 t/m 3;
- de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de ter zitting door iedere partij overgelegde spreekaantekeningen.
[verzoekende partij] heeft zijn verzoek aanvankelijk gericht tegen de vennootschap Carrière Uitzendbureau B.V., naast Albert Heijn B.V. Nadat Carrière Personeelsdiensten in haar verweerschrift concludeerde tot niet ontvankelijkheid van [verzoekende partij] om de reden dat hij met haar een uitzendovereenkomst heeft gesloten in plaats van met de genoemde vennootschap heeft [verzoekende partij] zijn verzoekschrift gerectificeerd, aldus dat het is gericht tegen Carrière Personeelsdiensten B.V. en Albert Heijn B.V. Carrière Personeelsdiensten heeft zich tegen die rectificatie niet verzet.
2. De feiten
[verzoekende partij] heeft in juli 2025 een arbeidsovereenkomst gesloten met Carrière Personeelsdiensten. Het betrof een zogeheten uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW.
Op basis van die overeenkomst was [verzoekende partij] vanaf 14 juli 2025 voor Carrière Personeelsdiensten werkzaam als orderpicker in het distributiecentrum van Albert Heijn te [plaats 2] .
Carrière Personeelsdiensten heeft deze werkzaamheden met ingang van 25 september 2025 beëindigd.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter om vast te stellen dat sprake was van een feitelijke arbeidsomvang van 140 uur per maand en een arbeidshorizon van 6 maanden. Tevens vordert hij betaling van gederfd loon inclusief vakantie-uren, primair over de periode van 26 september 2025 tot 13 januari 2026 tot het bedrag van € 11.265,19, subsidiair en meer subsidiair over de periode van 26 september 2025 tot 13 oktober 2025 tot het bedrag van € 1.840,95. Daarnaast vordert hij een billijke vergoeding van € 12.931,13, subsidiair te vermeerderen met € 11.265,19, of meer subsidiair met € 3.565,28. Ook vordert hij € 532,90 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente en veroordeling van Carrière Personeelsdiensten en Albert Heijn in de proceskosten.
[verzoekende partij] verzoekt voorts om te beslissen op de stukken maar in het geval dat niet gebeurt een deskundigenbericht te bevelen, een schadestaat op te maken, smartengeld toe te wijzen, de Arbeidsinspectie te informeren, Carrière Personeelsdiensten en Albert Heijn te bevelen om in het verzoekschrift nader genoemde documenten af te geven en om artikel 9 van de arbeidsovereenkomst nietig te verklaren, althans te vernietigen.
Carrière Personeelsdiensten en Albert Heijn voeren verweer. Beiden concluderen tot afwijzing van de [verzoekende partij] verzoeken en tot diens veroordeling in de kosten van de procedure. Carrière Personeelsdiensten bepleit dat het daarbij primair moet gaan om de werkelijke proceskosten die door haar zijn gemaakt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover dit voor de beoordeling van belang is, ingegaan.
4. De beoordeling
Verklaring van recht
[verzoekende partij] vraagt allereerst dat wordt vastgesteld dat sprake was van een feitelijke arbeidsomvang van 140 uur per maand en een arbeidshorizon van 6 maanden. Indien [verzoekende partij] hiermee bedoelt dat partijen een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan op grond waarvan hij gedurende zes maanden ten minste 140 uren per maand werkzaam zou zijn, wordt hij daarin niet gevolgd.
Ter onderbouwing van dit verzoek verwijst [verzoekende partij] naar een in het Pools gestelde
e-mail die hij van Carrière Personeelsdiensten ontving en waarin zij werk aanbood. In de Nederlandse vertaling van die e-mail die [verzoekende partij] in het geding brengt staat onder andere: “Arbeidsperiode: 6 maanden met mogelijkheid tot verlenging (…)”. Door Carrière Personeelsdiensten en Albert Heijn is niet weersproken dat dit een correcte vertaling van de oorspronkelijke tekst is. De e-mail is onderdeel van wat [verzoekende partij] een wervingsprocedure noemt. Gelet hierop en op de overige (vertaalde) tekst in die e-mail betreft het niet een concreet aanbod dat door aanvaarding direct tot een arbeidsovereenkomst leidt maar veeleer een aanbod om in onderhandeling te treden. Niettemin wekt de geciteerde tekst de suggestie dat wanneer een arbeidsovereenkomst wordt gesloten, dit voor tenminste zes maanden is. In zoverre heeft [verzoekende partij] een punt wanneer hij stelt dat in de wervingscampagne hem voor de duur van zes maanden werk in het vooruitzicht werd gesteld. Echter, voordat hij uiteindelijk zijn werkzaamheden begon heeft [verzoekende partij] met Carrière Personeelsdiensten een arbeidsovereenkomst gesloten waarin volgens de Nederlandse versie daarvan onder meer het volgende is opgenomen:
“Artikel 1. Aard & duur
De onderhavige overeenkomst is een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW. Werkgever zal Werknemer ter beschikking stellen aan één of meerdere opdrachtgevers van Werkgever om onder toezicht en leiding van deze opdrachtgever(s) arbeid te verrichten. Deze arbeidsovereenkomst kwalificeert zich als een oproepovereenkomst in de zin van art. 7:628a BW.
Op deze arbeidsovereenkomst is de meest recente Cao voor Uitzendkrachten van de Algemene Bond van uitzendondernemingen (hierna te noemen: ABU-Cao of Cao) integraal van toepassing. (…)
Werknemer is werkzaam in fase A conform de Cao. De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van één kalendermaand , ingaande op 14-07-2025 .
Als na het verstrijken van de tijd waarvoor deze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, de arbeid zonder tegenspraak binnen zes maanden wordt voortgezet, komt tussen Partijen opnieuw een arbeidsovereenkomst tot stand voor dezelfde (tijdelijke) duur en onder dezelfde voorwaarden als deze arbeidsovereenkomst.
(…)
Artikel 3. Loonbetaling
De vaste arbeidsduur bedraagt 8,00 uur per 4 weken .
(…)”
[verzoekende partij] heeft dan ook een arbeidsovereenkomst voor de duur van één maand gesloten, met daarin opgenomen de mogelijkheid - niet de zekerheid - dat die termijn telkens met een maand wordt voorgezet. Ter zitting verklaarde hij dat hij over dit contract vragen heeft gesteld op het moment dat dit aan hem werd voorgelegd en dat hij zich om financiële redenen gedwongen voelde om het te ondertekenen. Wat daarvan zij, een arbeidsovereen-komst voor de duur van ten minste zes maanden werd niet gesloten en [verzoekende partij] was zich daarvan vóór de ondertekening bewust. Evenmin werd in de arbeidsovereenkomst een uitzendbeding opgenomen, zoals [verzoekende partij] lijkt te menen waar hij in zijn verzoekschrift stelt dat de overeenkomst geen geldig uitzendbeding bevatte.
Bovendien blijkt uit de arbeidsovereenkomst niet dat partijen een arbeidsomvang van ten minste 140 uren per maand zijn overeengekomen. En voor zover [verzoekende partij] door middel van het overleggen van de salarisspecificaties met betrekking tot de weken 30 t/m 39 heeft willen aantonen dat hij in die periode gemiddeld genomen en omgerekend naar een maand 140 uren werkzaam was, lijkt een belang om dit in rechte vast te stellen te ontbreken. [verzoekende partij] licht althans niet toe waarom hij met betrekking tot de feitelijke omvang van de gewerkte uren een rechterlijke vaststelling daarvan verlangt.
De door [verzoekende partij] gevraagde vaststelling wordt dan ook niet gedaan. Of beter verwoord: de gevraagde verklaring van recht wordt niet gegeven.
Gefixeerde schadevergoeding
Aansluitend op zijn verzoek om vast te stellen dat partijen een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden zijn overeengekomen vordert [verzoekende partij] een zogenoemde gefixeerde schadevergoeding van primair € 11.265,19, althans subsidiair en ook meer subsidiair, van € 1.840,95. Deze vordering wordt niet toegewezen.
Een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst kan worden toegewezen wanneer een werkgever of een werknemer de arbeidsovereenkomst opzegt tegen een eerdere dag dan werd overeengekomen en is kort gezegd gelijk aan het loon tot aan het afgesproken einde van het dienstverband. Anders dan uit het betoog van [verzoekende partij] lijkt te volgen is tussen partijen geen ‘gewone’ arbeidsovereenkomst met een looptijd tot 13 januari 2026 gesloten, maar was sprake van een uitzendovereenkomst voor de duur van een maand met een vaste arbeidsduur van 8 uren per 4 weken die tot vijf keer met een volgende maand kon worden verlengd. Nadat inlener Albert Heijn op 25 september 2025 kenbaar had gemaakt dat zij van de diensten van [verzoekende partij] geen gebruik meer wilde maken en [verzoekende partij] nadien niet voor andere werkzaamheden werd ingezet, eindigde de arbeidsovereenkomst van rechtswege per 13 oktober 2025.
Wat de beweegredenen van Albert Heijn waren om [verzoekende partij] niet meer te willen inzetten is voor de beoordeling van deze vordering niet relevant. Van een onregelmatige opzegging in de hierboven beschreven zin is geen sprake geweest. Voor een door [verzoekende partij] voorgestane beoordeling van (de beëindiging van) de arbeidsovereenkomst aan het bepaalde in artikel 6:248 BW en het criterium dat de Hoge Raad in zijn Haviltex-arrest heeft ontwikkeld is daarom in dit verband geen plaats.
Billijke vergoeding
[verzoekende partij] verzoekt om ten gunste van hem een billijke vergoeding toe te wijzen, primair wegens “grove schendingen van de werkgeversplichten (PSA/Arbo, wijze van beëindiging, gebrek aan transparantie van de 100%-norm, WW-risico), ongeacht de uitkomsten van eventuele medische onderzoeken.”, subsidiair en meer subsidiair, zo begrijpt de kantonrechter, ter vergoeding van inkomensschade doordat de tewerkstelling voortijdig is beëindigd.
De kantonrechter kan aan een werknemer een billijke vergoeding toekennen indien, kort gezegd, de arbeidsovereenkomst door de werkgever onrechtmatig is opgezegd of wanneer binnen 26 weken nadat de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden werd opgezegd, dezelfde werkzaamheden aan een ander worden aangeboden. Dat is hier niet aan de orde. De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd. De overige door [verzoekende partij] aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot toekenning van een billijke vergoeding.
Loon
Zijn vordering tot betaling van € 532,90 bruto aan achterstallig loon onderbouwt [verzoekende partij] met een uitgebreide cijfermatige analyse waarin hij tot dit bedrag komt. Carrière Personeelsdiensten betwist dat zij nog loon verschuldigd is. Zij legt een salarisspecificatie d.d. 5 december 2025 over waaruit volgt dat [verzoekende partij] nog € 699,90 bruto toekwam. In dat bedrag is een transitievergoeding van € 232,51 bruto begrepen. Het netto equivalent van dat loon en die vergoeding, minus een tweetal verplichte inhoudingen van in totaal € 2,74 bruto, heeft zij aan [verzoekende partij] uitbetaald, aldus Carrière Personeelsdiensten. In zijn spreekaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling van de zaak erkent [verzoekende partij] enkel dat hij de transitievergoeding heeft ontvangen.
[verzoekende partij] laat in het midden welk bedrag hij ontving. Aannemelijk is echter dat hij niet alleen de in salarisspecificatie van december 2025 opgenomen transitievergoeding, maar ook het daarin vermelde loon ontving. Daarvan uitgaande resteert een verschil van
€ 532,90 -/- (€ 699,90 -/- € 232,51) = € 65,51 bruto dat volgens [verzoekende partij] nog zou moeten worden betaald. Nu Carrière Personeelsdiensten de berekening in de analyse van [verzoekende partij] niet gemotiveerd weerspreekt zal zij worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan [verzoekende partij] .
De door [verzoekende partij] gevorderde wettelijke verhoging wordt toegewezen tot het bedrag van € 50,00. De wettelijke verhoging geldt als prikkel tot nakoming van de verplichting om het loon tijdig te voldoen. Op 25 september 2025 is het werk van [verzoekende partij] geëindigd. Op
14 november 2025 heeft hij zijn verzoekschrift ingediend. Eerst in december 2025 heeft Carrière Personeelsdiensten het volgens haar administratie achterstallige loon uitbetaald. Een wettelijke verhoging is dan ook op zijn plaats, te meer nu Carrière Personeelsdiensten niet het volledig verschuldigde loon heeft uitbetaald.
Over het nog te betalen loon is Carrière Personeelsdiensten de wettelijke rente verschuldigd vanaf 30 september 2025; over het bedrag aan wettelijke verhoging vanaf
14 november 2025, de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend.
Beschikking op basis van stukken / meer subsidiaire vorderingen
Als laatste vordering voorafgaande aan de vordering ter zake de proceskosten, waarover hierna wordt geoordeeld, vraagt [verzoekende partij] primair en subsidiair om een beschikking te geven “op basis van het dossier en de overgelegde documenten, zonder benoeming van deskundigen (…), aangezien de verzoeken volledig bepaalbaar zijn (GSV, BV, loon, transitievergoeding) en er sprake is van misbruik van bevoegdheid door verweerders.”.
Overwogen wordt dat de overige verzoeken van [verzoekende partij] waarover hierboven is geoordeeld niet nopen tot het benoemen van deskundigen, zodat in zoverre aan het verzoek van [verzoekende partij] wordt voldaan. Met het door hem gestelde, maar niet onderbouwde misbruik van bevoegdheid door verweerders, heeft dit overigens niets van doen.
Zijn opsomming van als meer subsidiair ingestelde vorderingen begint [verzoekende partij] met de volgende zin: “Inleidende clausule: meer subsidiair, bij afwijzing van beslissing op de stukken – toepassing van het navolgende (deskundigen, 195 Rv, schadestaat).”. Aangezien zoals verzocht wél op de stukken wordt beslist betekent dit in feite dat op alle (overige) meer subsidiair ingestelde vorderingen niet meer behoeft te worden beslist. Dat zal echter niet de bedoeling van [verzoekende partij] zijn. Daarom wordt hierna kort op die vorderingen ingegaan.
Met verwijzing naar artikel 194 Rv (oud) verzoekt [verzoekende partij] om op kosten van Carrière Personeelsdiensten en Albert Heijn deskundigen te benoemen ter vaststelling van “lichamelijke verwondingen, somatische symptomen en psychische stoornissen in verband met PSA/ ernstig verwijtbaar handelen of nalaten”, de “causaliteit met het werk en de ervaren gebeurtenissen” en ter vaststelling van een “prognose en invloed op arbeidsgeschiktheid en sociaal functioneren, en de omvang van redelijke kosten van behandeling/revalidatie/psychotherapie (ook toekomstig)” en van het “gezondheidsrisico waaraan verzoeker door handelen van de werkgever was blootgesteld.”. Ook moeten aanvullende onderzoeken worden toegestaan.
Daarnaast wil hij dat Carrière Personeelsdiensten en Albert Heijn worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, op te maken bij staat, in het bijzonder betrekkelijk op “gederfde inkomsten in een redelijke horizon (contrafeitelijk) met WW-risico en arbeidsongeschiktheid” en op “kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (…), incl. redelijke kosten van medische consulten/diagnostiek/rapportages” en “overige redelijke kosten (behandeling, revalidatie, medicatie, vervoer, scholing, sollicitatie)”.
Verder wil [verzoekende partij] voorwaardelijk, “bij bevestiging door deskundigen van gezondheidsschade of ernstige aantasting in de persoon op andere wijze” dat aan hem “smartengeld” wordt toegekend en verlangt hij dat de griffier wordt opgedragen om een afschrift van zijn verzoekschrift en van de beschikking toe te sturen aan de Arbeidsinspectie en die te verzoeken “toezicht te houden op het PSA- en arbobeleid” bij Carrière Personeelsdiensten en Albert Heijn, dan wel hen te verplichten de Arbeidsinspectie “onverwijld te informeren over de in deze zaak gebleken PSA- en arbokwesties”, en aan hem “een kopie van de melding te verstrekken, inclusief een plan van aanpak en implementatietermijnen, zo nodig op straffe van verbeurte van een dwangsom.”.
Tevens verzoekt [verzoekende partij] met verwijzing naar artikel 195 Rv om Carrière Personeelsdiensten en Albert Heijn te bevelen tot “afgifte van de actuele RI&E en plan van aanpak, PSA-beleid en klachtenprocedure, gegevens vertrouwenspersoon, volledige regels/algoritmiek van de “100%-norm” en bonus met logbestanden van verzoekers resultaten, protocollen van arbo/ergonomiescholingen” en om zo nodig veiligstelling daarvan te bevelen.
Tot slot verzoekt [verzoekende partij] om het geheimhoudingsbeding in artikel 9 van de arbeidsovereen-komst nietig te verklaren dan wel te vernietigen.
Uit deze vorderingen ontstaat het beeld dat [verzoekende partij] in de circa twee en een halve maand dat hij als orderpicker in het distributiecentrum van Albert Heijn werkzaam was (ernstige) gezondheidsschade heeft opgelopen. Carrière Personeelsdiensten en Albert Heijn weerspreken dat dat is gebeurd.
Overwogen wordt dat wanneer een werknemer stelt dat hij door het werk schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, in beginsel moet worden aangenomen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het werk en die schade tenzij de werkgever maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer tijdens het werk die schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die door deze omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt.
Dat [verzoekende partij] werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die zijn gezondheid hebben kunnen schaden en zijn veronderstelde gezondheidsklachten door die omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, is door hem niet met zoveel woorden gesteld. Hij heeft althans geen concrete situatie benoemd op grond waarvan een oorzakelijk verband tussen zijn werkzaamheden en de – overigens niet benoemde – schade kan worden aangenomen. [verzoekende partij] heeft derhalve niet voldaan aan zijn stelplicht. [verzoekende partij] wordt dan ook niet gevolgd in de door hem de verlangde benoeming van deskundigen en/of een verwijzing naar de schadestaat en overige verzoeken.
Bij deze stand van zaken kan in het midden worden gelaten of Carrière Personeelsdiensten en/of Albert Heijn hebben voldaan aan hun zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW.
Conclusie
Gezien het bovenstaande is de conclusie dat met uitzondering van een gering bedrag aan achterstallig loon en wettelijke verhoging, de verzoeken worden afgewezen.
De proceskosten
De kosten van deze procedure komen deels voor rekening van Carrière Personeelsdiensten en deels voor rekening van [verzoekende partij] .
Vastgesteld is de Carrière Personeelsdiensten nog een bedrag aan loon moet voldoen. Op dit punt wordt zij in het ongelijk gesteld, zodat zij de door [verzoekende partij] gemaakte proceskosten moet voldoen. Op basis van de som van zijn vorderingen heeft [verzoekende partij]
€ 257,00 aan griffierecht betaald. Gezien echter de omvang van zijn loonvordering en waar hij bovendien kennelijk in het bezit was van een besluit tot toevoeging waarmee het griffierecht kon worden beperkt tot € 90,00 zal Carrière Personeelsdiensten niet meer dan het laatstgenoemde bedrag behoeven te voldoen. Andere kosten heeft [verzoekende partij] niet gemaakt, behoudens de kosten voor een tolk die voor zijn eigen rekening blijven.
Met betrekking tot zijn tegen Albert Heijn ingestelde vorderingen is [verzoekende partij] volledig in het ongelijk gesteld. Hij zal dan ook de proceskosten van Albert Heijn moeten voldoen. Die worden bepaald op € 865,00. De over deze kosten gevorderde rente zal eveneens worden toegewezen.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt Carrière Personeelsdiensten om aan [verzoekende partij] te betalen:
€ 65,51 bruto wegens achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te berekenen vanaf 30 september 2025 tot aan de dag van de volledige betaling;
€ 50,00 als wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te berekenen vanaf 14 november 2025 tot aan de dag van de volledige betaling;
veroordeelt Carrière Personeelsdiensten tot betaling aan [verzoekende partij] van € 90,00 wegens proceskosten;
veroordeelt [verzoekende partij] tot betaling aan Albert Heijn van de proceskosten tot het bedrag van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien [verzoekende partij] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.