RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/448773 / KG ZA 26-282
Vonnis in kort geding van 30 juli 2026
in de zaak van
[V.v.E.] ,
te [plaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen de VvE,
advocaten: mr. P.E.A.M. Gerritse, en mr R. van Gerven,
tegen
[bestuurder] ,
te [plaats 2] ,
verweerster,hierna te noemen [bestuurder] ,
verschenen in persoon.
1. De zaak in het kort
In de Algemene Ledenvergadering van de VvE is het besluit genomen om [bestuurder] te ontslaan als bestuurder en is het besluit genomen om nieuwe bestuurders te benoemen. [bestuurder] weigert haar medewerking te verlenen aan de bestuurswisseling, omdat volgens haar de besluiten niet rechtsgeldig zijn genomen. De vorderingen die ertoe strekken dat [bestuurder] alsnog dient mee te werken aan de bestuurswisseling worden toegewezen. De overige vorderingen worden afgewezen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de als conclusie van eis overgelegde concept-dagvaarding met producties 1 t/m 24,- de vrijwillige verschijning van [bestuurder] , - het verweerschrift van [bestuurder] , met producties 1 t/m 10, - de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3. De feiten
De VvE is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid.. Zij heeft als doelstelling het behartigen van de belangen van de eigenaren van de [woningen] met betrekking tot het beheer en onderhoud van het [gebouw] .
Het administratief beheer van de VvE werd gevoerd door VvE Maas AB ( [persoon 1] ). Bij brief van 29 december 2025 heeft [persoon 1] aan de leden van de VvE bericht dat zij de overeenkomst met de VvE heeft beëindigd wegens het ontstaan van een onwerkbare situatie.
Op 11 november 2025 heeft [persoon 2] , lid van de VvE, samen met 16 andere leden, het bestuur van de VvE -op dat moment bestaande uit alleen [bestuurder] - verzocht om een extra ledenvergadering (ALV) uit te schrijven met als agendapunten onder andere “ontslaan huidig bestuur” en “nieuw bestuur kiezen”. Bij e-mail van 18 november 2025 aan [bestuurder] heeft [persoon 2] het verzoek om een extra ALV uit te schrijven herhaald. [bestuurder] heeft op 30 november 2025 aan [persoon 2] bericht niet aan het verzoek te zullen voldoen omdat het verzoek niet voldoet aan de formele vereisten. [persoon 2] heeft bij e-mail van 2 december 2025 nogmaals aan [bestuurder] verzocht een extra ALV uit te schrijven. [bestuurder] heeft niet aan dat verzoek voldaan.
Op 12 januari 2026 heeft [bestuurder] aan de leden van de VvE een vooraankondiging voor een ALV op 2 februari 2026 verstuurd. Naar aanleiding van deze vooraankondiging hebben drie leden van de VvE (te weten [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] ) het bestuur verzocht om op de agenda van de ALV te plaatsen: i de benoeming van een vergadervoorzitter en een notulist,ii het ontslag van het zittende bestuur iii het benoemen van een nieuw bestuur,iv het behoud van Maas AB als beheerder van de VvE. [bestuurder] heeft deze onderwerpen niet op de agenda van de ALV geplaatst.
Op 2 februari 2026 heeft de ALV van de VvE plaatsgevonden. Blijkens de notulen van deze vergadering waren daarbij 80 van de 114 stemmen vertegenwoordigd. Nadat de vergadering door [bestuurder] is geopend en zij voorstelt de vergadering voor te zitten heeft [persoon 5] zich opgeworpen als vergadervoorzitter, waarna [persoon 5] na stemming als voorzitter is gekozen. Met meerderheid van stemmen heeft de ALV besloten voormelde onderwerpen ii t/m iv alsnog aan de agenda toe te voegen Vervolgens zijn bij meerderheid van stemmen onder meer de volgende besluiten genomen: - het ontslag per onmiddellijke ingang van [bestuurder] als bestuurster, - de benoeming per onmiddellijke ingang van een nieuw bestuur, bestaande uit [persoon 4] en [persoon 2] , eveneens met onmiddellijke ingang - het behoud van Maas AB als (voorlopig) beheerder van de VvE.
[bestuurder] heeft op 24 februari 2026 een nieuwsbrief (nummer 5) gestuurd aan de leden van de VvE waarin zij haar standpunt uiteenzet over de tijdens de ALV genomen besluiten. Zij heeft hierin medegedeeld dat de besluiten met betrekking tot “ontslag bestuurder” en “benoeming nieuw bestuur”, worden aangevochten, dat een beroep wordt gedaan op nietigverklaring van die besluiten en dat totdat de rechter uitspraak heeft gedaan zij het bestuur van de VvE zal blijven voeren.
[bestuurder] heeft een verzoekschriftprocedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter over de rechtsgeldigheid van de besluitvorming van de ALV op 2 februari 2026.
Op 20 maart 2026 hebben [persoon 2] en [persoon 4] namens het nieuwe bestuur van de VvE met [persoon 1] een nieuwe beheerovereenkomst gesloten.
[persoon 1] heeft op 3 april 2026 aan [persoon 2] en [persoon 4] een email gestuurd waarin zij heeft geschreven dat [bestuurder] haar toegang tot de bankrekeningen van de VvE heeft geblokkeerd.
Bij brief van 24 april 2026 heeft mr. Gerritse namens de VvE [bestuurder] bericht dat zij onbevoegd handelingen namens de VvE heeft verricht. [bestuurder] is gesommeerd om:
- direct alle eenzijdige (uitvoerings-)handelingen die de bedrijfsvoering van de VvE betreffen en/of die ingrijpen in de bevoegdheden van het bestuur en de beheerder van de VvE te beëindigen
- binnen 5 dagen na dagtekening van deze brief de blokkades op /van de bankrekeningen van de VvE op te heffen zodanig dat beheerder [persoon 1] gemachtigd wordt om betalingen te verrichten en toegang krijgt tot alle bankrekeningen van de VvE alsmede dat het bestuur - naast de beheerder - als enige inzage in de mutaties van de bankrekeningen krijgt en bevoegd is daarover exclusief te beschikken;
- binnen 5 werkdagen na dagtekening van deze brief haar uitschrijving als (voormalig) bestuurder van de VvE uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te realiseren en/of haar medewerking daaraan te verlenen
- per direct geen enkele maatregelen met betrekking tot de financiën, administratie en /of vertegenwoordiging van de VvE te verrichten, tenzij in voorafgaand overleg met en met schriftelijke instemming van het (nieuwe) huidige bestuur
en hem schriftelijk te bevestigen dat zij aan deze sommaties zal voldoen. Daarbij is aan [bestuurder] medegedeeld dat bij niet (volledige) voldoening een kortgedingprocedure tegen haar aanhangig wordt gemaakt.
[bestuurder] heeft hier niet aan voldaan.
Tijdens de ALV van de VvE van 25 juni 2026 zijn de notulen van de ALV van 2 februari 2026 vastgesteld. Tijdens deze ALV is [persoon 6] benoemd als derde bestuurslid van de VvE.
4. Het geschil
De VvE vordert als voorlopige voorziening om [bestuurder] te veroordelen:
I. om 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis alle (beheers)taken die aan een bestuurder van de VvE toekomen te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom;
II om binnen drie dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de bankinstellingen waar VvE bankiert te berichten dat uitsluitend het bestuur van de VvE bestaande uit [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 6] en de beheerder toegang tot de bankrekeningen van de VvE hebben zodanig dat deze gemachtigd worden om betalingen namens de VvE te verrichten en ook om haar medewerking aan een volledige overdracht van de administratie te verlenen met betrekking tot vijf in het petitum van de dagvaarding genoemde bankrekeningen, op straffe van een dwangsom;
III om binnen vijf dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis medewerking te verlenen aan de inschrijving van het nieuwe bestuur van de VvE in het handelsregister van de Kamer van Koophandel alsmede om vervolgens voor zover vereist haar medewerking te verlenen aan de uitschrijving van haarzelf als bestuurder en/of als beheerder, op straffe van een dwangsom;
IV om binnen dertig dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis rekening en
verantwoording af te leggen over de wijze waarop zij het beheer over de VvE heeft gevoerd, op straffe van een dwangsom;
V om binnen zeven dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis over te gaan tot rectificatie van nieuwsbrief nr. 5 van 24 februari 2026 door middel van publicatie van een nieuwsbrief aan alle leden van de VvE met de in het petitum van de dagvaarding omschreven tekst, op straffe van een dwangsom;
VI in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
[bestuurder] heeft verweer gevoerd. Op dat verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Ontvankelijkheid/procesbevoegdheid
[bestuurder] betwist dat het bestuur van de VvE bevoegd was om de onderhavige procedure aanhangig te maken. Zij heeft een beroep gedaan op artikel 40 lid 4 van het op de splitsing toepasselijke splitsingsreglement, zoals dat ingevolge de akte van splitsing luidt en waarin is bepaald dat het bestuur voor het instellen van rechtsvorderingen de machtiging van de vergadering van eigenaars behoeft.
De VvE stelt wel bevoegd te zijn voor het voeren van deze procedure. Zij verwijst naar de notulen van 25 juni 2026 waarin onder punt 7 staat vermeld dat de ALV unaniem akkoord gaat met het aanspannen van de juridische procedure tegen [bestuurder] .
[bestuurder] heeft daartegen aangevoerd dat een groot deel van de stemmen tijdens de ALV van 25 juni 2026 zijn uitgebracht door middel van een volmacht en dat die volmachten niet bij de notulen waren gevoegd. Daardoor kan niet worden gecontroleerd waarvoor een volmacht was gegeven.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de verleende volmachten niet zijn toegevoegd aan de notulen van 25 juni 2026. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de volmachten door de VvE zijn gebruikt voor een ander/ruimer doel dan waarvoor deze zijn gegeven. Daarvoor bestaat op dit moment geen enkele aanwijzing. Door [bestuurder] zijn in dit verband geen verklaringen overgelegd van leden van de VvE die een volmacht hebben verleend en daaraan beperkingen of voorwaarden hebben gesteld.
[bestuurder] heeft ten slotte nog een beroep gedaan op de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR) waarin is bepaald dat het voor bestuurders van
stichtingen en verenigingen niet is toegestaan om meervoudig stemrecht toe te passen.
De voorzieningenrechter overweegt dat deze wet niet van toepassing is op de VvE. Daarvoor is beslissend wat in boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. Daarin ontbreekt een dergelijke bepaling. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de bepaling uit de WBTR wel mee te laten wegen in haar beoordeling van de procesbevoegdheid van de VvE, zoals [bestuurder] heeft verzocht.
Dit alles leidt ertoe dat het bestuur van de VvE ontvankelijk is.
algemeen kader
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de VvE daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
spoedeisend belang
[bestuurder] heeft het spoedeisend belang bij de vorderingen betwist. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat het geschil tussen partijen zijn oorsprong vindt in de AVL van 2 februari 2026, dus ruim 5 maanden geleden. Bovendien vindt op 27 augustus 2026 de mondelinge behandeling plaats van de verzoekschriftprocedures. [bestuurder] is van mening dat door de VvE niet inzichtelijk is gemaakt dat de uitkomst daarvan niet kan worden afgewacht. Er is volgens haar geen sprake van een financiële ontwrichting en facturen kunnen door haar worden betaald.
De VvE heeft gesteld dat het bestuur niet in staat is om zijn wettelijke taken naar behoren uit te voeren zolang [bestuurder] geen medewerking verleent aan een juiste en volledige overdracht van de bestuurstaken aan het huidige bestuur, het verkrijgen van toegang tot de bankrekeningen, het verstrekken van de administratie en de inschrijving van het bestuur in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Het bestuur heeft daardoor geen enkel inzicht in de financiële situatie en de administratie van de VvE. De uitkomst van de verzoekschriftenprocedures kan niet worden afgewacht omdat deze mogelijk pas maanden na de mondelinge behandeling bekend is.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de VvE hiermee het spoedeisend belang bij haar vorderingen I t/m III voldoende heeft onderbouwd. Het spoedeisend belang vloeit ook voort uit de aard van de vorderingen. De enkele omstandigheid dat de VvE een aantal maanden heeft laten verlopen voordat in kort geding een verbod wordt gevorderd staat aan de spoedeisendheid niet in de weg.
Ten aanzien van de vorderingen IV en V heeft de VvE geen spoedeisend belang gesteld en dat vloeit ook niet voort uit de aard van de vorderingen. Bovendien is onduidelijk of de aan het bestuur verleende procesmachtiging hierop betrekking heeft. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen en hoeven dus hieronder niet meer te worden besproken.
Besluiten tot ontslag en benoeming bestuur
Voor toewijzing van de vorderingen is van belang in hoeverre het aannemelijk is dat de besluiten tot ontslag van [bestuurder] als bestuurder en de benoeming van het nieuwe bestuur (hierna: de besluiten) door de kantonrechter als rechtsgeldig worden beoordeeld in de verzoekschriftenprocedures.
[bestuurder] stelt dat de genomen besluiten niet rechtsgeldig zijn omdat deze niet op de juiste wijze volgens artikel 32 lid 3 van het op de splitsing toepasselijke splitsingsreglement, zoals dat ingevolge de akte van splitsing luidt zijn geagendeerd. Er is volgens haar namelijk geen sprake van een “nauwkeurige schriftelijke opgave”, wat betekent dat het agendapunt moet zijn voorzien van een behoorlijke toelichting. De agendapunten ‘ontslag zittend bestuur’ en ‘benoeming nieuw bestuur’ zijn ingediend zonder enige nadere toelichting. Bovendien heeft er geen hoor en wederhoor plaatsgevonden, wat in strijd is met artikel 2:8 BW. De rechtsgeldigheid van de aan de bestuurswisseling ten grondslag liggende besluiten moeten eerst door de kantonrechter worden beoordeeld alvorens daaraan feitelijk uitvoering wordt gegeven. Als de besluiten nietig zijn dan hebben deze immers nooit bestaan.
De VvE stelt zich op het standpunt dat de besluiten conform het op de splitsing toepasselijke splitsingsreglement en dus rechtsgeldig zijn genomen en dat [bestuurder] haar medewerking moet verlenen aan de bestuurswisseling.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Vast staat dat de besluiten in de ALV van 2 februari 2026 zijn genomen door een meerderheid van stemmen, dat door [bestuurder] geen schorsing van die besluiten is gevraagd en dat de verzoekschriftenprocedure geen schorsende werking heeft.
Uit de notulen van de ALV blijkt voorts dat [bestuurder] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de agendering van het besluit tot haar ontslag als bestuurder van de VvE. Bovendien staat in artikel 40 lid 2 van het op de splitsing toepasselijke splitsingsreglement en artikel 5:131 lid 2 BW dat het bestuur te allen tijde ontslagen mag worden. Dat betekent dat het ontslag zelfs zonder agendering kan plaatsvinden. Overigens kan de agendering van de besluiten geen verrassing voor [bestuurder] zijn geweest, want vóór de ALV was al door [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] (herhaaldelijk) verzocht om het ontslag en de benoeming van bestuurders te agenderen. Uit een aantal van die verzoeken (producties 8 en 9 van de VvE) blijkt ook de reden voor de agendering van het ontslagbesluit, zodat het argument van [bestuurder] dat zij niet wist waartegen zij zich moest verweren niet opgaat. Verder blijkt uit een emailbericht van 14 januari 2026, verzonden door [persoon 2] aan alle leden van de VvE (productie 11 van de VvE), dat alle leden van de VvE voorafgaand in kennis zijn gesteld van het voornemen van [persoon 2] om de agendapunten ‘ontslag bestuur’ en ‘benoeming nieuw bestuur’ op de agenda van de ALV van 2 februari 2026 te zetten. De leden van de VvE zijn dus niet tijdens de ALV overvallen met de nieuwe agendapunten. Uit de notulen van de ALV is verder niet af te leiden dat er met betrekking tot dit besluit geen hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden. Bovendien heef de notulist verklaard dat [bestuurder] tijdens de ALV genoeg tijd en ruimte heeft gehad om over het agendapunt ‘ontslag huidige bestuur’ uitleg te vragen. Dit alles in aanmerking nemende acht de voorzieningenrechter het onvoldoende aannemelijk dat in de verzoekschriftenprocedures het ontslagbesluit nietig verklaard of vernietigd zal worden. Dat betekent dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter [bestuurder] sinds 2 februari 2026 geen bevoegdheid meer heeft om bestuurstaken uit te oefenen.
[persoon 2] en [persoon 4] zijn bij meerderheid van stemmen tijdens de ALV van 2 februari 2026 tot bestuurder van de VvE benoemd en [persoon 6] tijdens de ALV van 25 juni 2026. Volgens artikel 36 lid 4 van het op de splitsing toepasselijke splitsingsreglement zoals dat ingevolge de akte van splitsing luidt kunnen over onderwerpen welke niet op de oproeping zijn vermeld rechtsgeldige besluiten genomen worden, mits in de vergadering meer dan de helft van 114 stemmen kan worden uitgebracht. Dat het agendapunt ‘benoeming nieuw bestuur’ niet op de oproeping was vermeld hoeft dus naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in de weg te staan aan de benoeming van [persoon 2] , [persoon 4] en [persoon 6] tijdens de ALV van 2 februari 2026 en 25 juni 2026. Het agendapunt ‘benoeming nieuw bestuur’ is bovendien aangekondigd door [persoon 2] in zijn hierboven genoemde emailbericht van 14 januari 2026 aan alle leden van de VvE. Mogelijk valt er iets af te dingen op het feit dat pas tijdens de vergadering de kandidaten voor het bestuur bekend werden, maar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het onvoldoende aannemelijk dat de kantonrechter de besluiten tot benoeming van genoemde bestuurders om die reden nietig verklaart of vernietigt. Zolang door de kantonrechter geen vernietigbaarheid of nietigheid van deze besluiten is vastgesteld moet er vooralsnog van worden uitgegaan dat deze rechtsgeldig zijn en dat [persoon 2] , [persoon 4] en [persoon 6] het bestuur van de VvE vormen
afgifte administratie
Uit rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2027:3019)) volgt dat het bestuur op grond van artikel 2:10 BW verplicht is de administratie van de rechtspersoon te voeren en dat de gevoerde administratie toebehoort aan die rechtspersoon. Dit betekent dat als het bestuur wisselt, de administratie en alle bijbehorende documenten en gegevens aan het nieuwe bestuur moeten worden overgedragen. Dit leidt tot de conclusie dat een voormalig bestuurder in beginsel niet meer kan beschikken of zelfs toegang kan verkrijgen tot de administratie van een rechtspersoon. Ook uit artikel 2:8 lid 1 BW volgt dat nieuw gekozen bestuursleden door het oude bestuur in staat gesteld moeten worden hun taken naar behoren uit te oefenen. Dit impliceert dat er tussen [bestuurder] en de nieuwe bestuursleden een overdracht van alle informatie en stukken moet plaatsvinden, die het naar behoren uitoefenen van de bestuurstaken mogelijk maken.
Door de VvE is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het huidige bestuur geen toegang heeft tot de bankrekeningen van de VvE. Voor zover [bestuurder] heeft gesteld dat eerst duidelijk moet zijn of de bestuurswisseling rechtsgeldig tot stand is gekomen wordt verwezen naar wat daarover hiervoor onder 5.15 en 5.16 is overwogen. De omstandigheid dat [bestuurder] geen vertrouwen heeft in Maas AB als beheerder van de VvE en evenmin in het huidige bestuur ontslaat haar niet van de verplichting om de administratie over te dragen aan het bestuur.
De praktische bezwaren die [bestuurder] heeft aangevoerd tegen de afgifte van de administratie (dat een wijziging van de tekeningsbevoegdheid bij een bank niet zonder meer leidt tot een onmiddellijke overdracht van de feitelijke beschikkingsmacht over de bankrekeningen, omdat doorgaans eerst een onderzoek wordt verricht naar de nieuwe bestuurders) wegen niet op tegen het belang van de VvE om te kunnen beschikken over haar eigen administratie en bankrekeningen.
inschrijving kamer van koophandel
Wat hiervoor is overwogen leidt ertoe dat [bestuurder] haar medewerking moet verlenen aan de inschrijving van het nieuwe bestuur van de VvE in het handelsregister van de kamer van Koophandel en in de uitschrijving van haarzelf als bestuurder.
conclusie
De vorderingen I t/m III worden toegewezen met inachtneming van het volgende. Met betrekking tot vordering II wordt overwogen dat het bestuur zelf ook de betreffende bankinstellingen kan informeren dat uitsluitend het bestuur en de beheerder toegang tot de bankrekeningen van de VvE hebben, met overlegging van een kopie van de inschrijving van het bestuur in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Bij dit onderdeel van de vordering heeft de VvE dus geen belang en dit zal daarom worden afgewezen. Verder zal [bestuurder] worden veroordeeld tot overdracht van de volledige administratie met betrekking tot de in de dagvaarding genoemde vijf bankrekeningen aan het bestuur, waaronder eventuele aanwezige bankpassen. In de praktijk betekent dit dat [bestuurder] de blokkade op de digitale betalingsomgeving voor de door de ALV op 2 februari 2026 benoemde beheerder dient op te heffen. De dwangsommen zullen worden gematigd tot een bedrag van € 500,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 10.000,00.
belangenafweging
Een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een ander oordeel. Het vonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
proceskosten
[bestuurder] is hoofdzakelijk in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VvE worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [bestuurder] om vanaf 24 uur na betekening van dit vonnis alle (beheers)taken die aan een bestuurder van de VvE toekomen te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van 500,00 per dag of dagdeel dat zij hier niet aan voldoet, met een maximum van € 10.000,00,
veroordeelt [bestuurder] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan een volledige overdracht van de administratie aan de VvE met betrekking tot de bankrekeningen:
- [nummer 1]
- [nummer 2]
- [nummer 3]
- [nummer 4]
- [nummer 5]
op straffe van een dwangsom van 500,00 per dag of dagdeel dat zij hier niet aan voldoet,
met een maximum van € 10.000,00,
veroordeelt [bestuurder] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de inschrijving van het nieuwe bestuur van de VvE, bestaande uit [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 6] , in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en, indien vereist, om haar medewerking te verlenen aan de uitschrijving van haarzelf als bestuurder en/of als beheerder van de VvE, op straffe van een dwangsom van 500,00 per dag of dagdeel dat zij hier niet aan voldoet, met een maximum van € 10.000,00,
veroordeelt [bestuurder] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [bestuurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.