ECLI:NL:RBZWB:2026:7231

ECLI:NL:RBZWB:2026:7231

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 05-08-2026
Zaaknummer C/02/448974/ KG ZA 26- 301 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. Vorderingen tot schorsing tenuitvoerlegging dan wel zekerheidstelling afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/448974 / KG ZA 26-301

Vonnis in kort geding van 22 juli 2026

in de zaak van

[eisende partij] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaat: mr. L. van der Steen,

tegen

[gedaagde partij] in zijn hoedanigheid van executeur afwikkelingsbewindvoerder en erfgenaam in de nalatenschap van [erflater] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge.

1. De zaak in het kort

Partijen procederen over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen erflater en [eisende partij] . Bij vonnis in eerste aanleg is [eisende partij] veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van het momenteel door haar bewoonde appartement, afgifte van een aantal inboedelzaken en verdeling van de saldi op diverse bankrekeningen. Het vonnis is gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eisende partij] wil schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis, dan wel zekerheidstelling, omdat [gedaagde partij] heeft aangegeven in appèl te gaan. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [eisende partij] afgewezen.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

− de dagvaarding van 30 juni 2026 met productie, − de conclusie van antwoord,− de mondelinge behandeling van 8 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen

zijn gemaakt.

3. De feiten

[eisende partij] was in gemeenschap van goederen gehuwd met de vader van [gedaagde partij] (erflater). [gedaagde partij] is geboren uit het eerste huwelijk van erflater. Erflater is op [datum] 2023 overleden. Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. [gedaagde partij] is erfgenaam en heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Daarnaast is hij benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder.

Op 6 mei 2026 heeft de rechtbank Oost-Brabant in een bodemprocedure tussen partijen vonnis gewezen onder kenmerk C/01/413566 HA ZA 25-184. De beslissing van de rechtbank houdt, kort samengevat in;

− dat [eisende partij] haar medewerking moet verlenen aan de verkoop en levering van het appartement aan de [adres] volgens een in het vonnis opgenomen stappenplan, met verdeling van de verkoopopbrengst (na voldoening van de aan de verkoop verbonden kosten) bij helfte,

− dat de inboedel zoals aanwezig in het appartement toekomt aan [eisende partij] , met uitzondering van enkele schilderijen, die zij binnen zeven dagen na het vonnis moet afgeven aan [gedaagde partij] ,

− toedeling van de saldi op de bankrekeningen op naam van [eisende partij] aan haar, onder de verplichting de helft van die saldi uit te keren aan [gedaagde partij] en toedeling van de saldi op de bankrekeningen op naam van erflater aan [gedaagde partij] , onder de verplichting de helft van die saldi uit te keren aan [eisende partij] .

De rechtbank heeft het verweer van [eisende partij] tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring na afweging van de belangen van partijen afgewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

[gedaagde partij] heeft [eisende partij] gesommeerd om mee te werken aan de volledige tenuitvoerlegging van het vonnis. [gedaagde partij] heeft aan [eisende partij] te kennen gegeven dat hij voornemens is van voormeld vonnis in appèl te gaan.

4. Het geschil

[eisende partij] vordert als voorlopige voorziening:

I. primair de uitvoerbaarheid van het vonnis van 6 mei 2026 te schorsen totdat in hoger beroep eindarrest is gewezen dan wel het vonnis van 6 mei 2026 in kracht van gewijsde is gegaan,

II. subsidiair [gedaagde partij] te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van € 39.517,44 door het verstrekken van een bankgarantie dan wel door storting van voornoemd bedrag op de derdengeldenrekening van een notaris of van de advocaat van [eisende partij] ,

III. meer subsidiair een voorlopige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht,

IV. onder compensatie van de proceskosten.

5. De beoordeling

[eisende partij] wil schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 6 mei 2026 vanwege het voornemen van [gedaagde partij] om van dit vonnis in appèl te gaan. [gedaagde partij] overweegt dit, omdat hij zich niet kan verenigen met de uitkomst van het vonnis. Volgens [gedaagde partij] moet uit de verkoopopbrengst van het appartement eerst de vorderingen van de zonen van erflater worden voldaan, voordat de opbrengst wordt verdeeld. De rechtbank heeft zijn daartoe strekkende vordering echter afgewezen. [eisende partij] kan zich wel verenigen met de uitkomst van het vonnis als geheel, omdat er na verdeling van de verkoopopbrengst van het appartement voor haar nog enig vermogen overblijft om passende, vervangende, woonruimte te zoeken. Mocht [gedaagde partij] echter in appèl gaan, dan overweegt [eisende partij] om incidenteel appèl in te stellen tegen diverse onderdelen van het vonnis. [eisende partij] wil dat er ten behoeve van haar een recht van vruchtgebruik op het appartement wordt gevestigd, dan wel de verdeling van het appartement voor de duur van vijf jaar wordt uitgesteld, en dat het sado op een van de bankrekeningen op haar naam niet in de verdeling wordt betrokken, omdat dit privévermogen is. Haar daartoe strekkende vorderingen in reconventie zijn door de rechtbank afgewezen. [gedaagde partij] wil in de tussentijd echter dat [eisende partij] meewerkt aan de verkoop van het appartement en de verdeling van de saldi op de bankrekeningen. Mocht [eisende partij] in appèl in het gelijk worden gesteld, dan is er geen verkoopopbrengst van het appartement, waaruit [gedaagde partij] het mogelijk onverschuldigd betaalde saldo kan terugbetalen. Er is dus sprake van een restitutierisico. [eisende partij] stelt dat tenuitvoerlegging van het vonnis voor haar onaanvaardbare gevolgen heeft, mede gelet op haar hoge leeftijd en slechte gezondheidstoestand.

[gedaagde partij] weerspreekt de vordering. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij bevestigd dat hij tegen het vonnis appèl zal instellen.

Bij de beoordeling van de vraag of de tenuitvoerlegging van het vonnis van 6 mei 2026 geschorst kan worden op de voet van artikel 438 Rechtsvordering, is van belang dat er tegen dit vonnis nog een rechtsmiddel openstaat. Daardoor geldt er een soepelere maatstaf voor ingrijpen door de rechter in de tenuitvoerlegging. Deze maatstaf is door de Hoge Raad geformuleerd in het arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2029:2026 (De Zeester). Uitgangpunt daarbij is dat hangende hoger beroep het vonnis uitvoerbaar is zonder voorwaarde van zekerheidstelling. Afwijking van dit uitgangspunt vergt een belangenafweging die uitvalt in het voordeel van de geëxecuteerde ( [eisende partij] ). Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en blijft de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing. Is er echter in het vonnis een gemotiveerde beslissing gegeven over de uitvoerbaar bij voorraad, dan moet eiser aan zijn vordering tot schorsing of zekerheidsstelling feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken, tenzij de beslissing berust op een kennelijke misslag.

In het vonnis van 6 mei 2026 heeft de rechtbank een gemotiveerde beslissing gegeven op de door [gedaagde partij] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. [eisende partij] heeft niet gesteld dat het vonnis op een kennelijke misslag berust. Als nieuw feit heeft zij aangevoerd dat [gedaagde partij] in appèl gaat. Daarnaast heeft zij een beroep gedaan op haar hoge leeftijd en haar fysieke gesteldheid. Laatstgenoemde omstandigheden zijn, naar beide partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben bevestigd, ook in de bodemprocedure door [eisende partij] aangevoerd. Nu daarop al door de rechtbank is beslist zal de voorzieningenrechter deze buiten beschouwing laten omdat deze niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden.

Ook het argument dat door [gedaagde partij] appèl wordt ingesteld tegen het vonnis kan niet leiden tot schorsing van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis. De mogelijkheid van het instellen van appèl is nu eenmaal inherent aan procederen en de reden dat partijen vragen om een vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het feit dat er na de betrokken beslissing door [gedaagde partij] appèl wordt ingesteld kan dan ook niet worden beschouwd als een feit dat kan rechtvaardigen dat van de eerder genomen beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, kan worden afgeweken. Dit betekent dat de primaire vordering wordt afgewezen.

De subsidiaire vordering tot zekerheidstelling wordt ook afgewezen. [eisende partij] heeft niet, althans niet gemotiveerd, onderbouwd dat er sprake is van een restitutierisico bij [gedaagde partij] . De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden voor zekerheidstelling.

Voor toewijzing van de meer subsidiaire vordering ziet de voorzieningenrechter geen enkele aanleiding.

Proceskosten

[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om [eisende partij] te veroordelen in de werkelijke proceskosten zoals [gedaagde partij] heeft verzocht, omdat er geen sprake is van onrechtmatig procederen/misbruik van procesrecht.

De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:

- griffierecht € 341,00

- salaris advocaat € 1.177,00

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 1.707,00

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.707,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand