ECLI:NL:RBZWB:2026:7251

ECLI:NL:RBZWB:2026:7251

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 06-07-2026
Datum publicatie 06-08-2026
Zaaknummer C/02/445751 / JE RK 26-384
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Verzoek is onvoldoende onderbouwd, uit eerdere beschikking blijkt meer info nodig, deze is er niet en ook andere wijzigingen, opnieuw meer info nodig

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/445751 / JE RK 26-384

Datum uitspraak: 6 juli 2026

(nadere) beschikking betreffende vaststelling omgangsregeling

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

in de hoedanigheid van voogdes over de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. R. Shabazi te Den Haag.

De rechtbank merkt als informant aan:

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, Zuid-West-Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1. Het (verdere) procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- de beschikking van 8 mei 2026 en alle daarin vermelde stukken;

- de briefrapportage van de GI met bijlagen, ontvangen op 11 juni 2026.

Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 17 juni 2026. Bij die zitting

zijn verschenen een tweetal vertegenwoordigsters van de GI en mr. E.H. van de Gein, kantoorgenoot van de advocaat van de moeder. Ook is verschenen de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.

De gezinshuisouders van [minderjarige 2] zijn, alhoewel correct opgeroepen, niet verschenen. Ook is de moeder behoorlijk opgeroepen, maar niet in persoon verschenen.

2. De feiten

De ouders hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende, thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] .

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.

Bij beschikking van [geboortedag 3] 2020 is – de toen nog ongeboren – [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van [geboortedag 3] 2020 en tot [geboortedag 3] 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.

Bij beschikking van [geboortedag 4] 2022 is – de toen nog ongeboren – [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van [geboortedag 4] 2022 en tot [geboortedag 3] 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.

Bij beschikking van 3 januari 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 3 januari 2024 en tot 17 januari 2024. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.

Bij separate beschikkingen van 14 augustus 2024 zijn de verzoeken van de vader om mede met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te worden belast afgewezen en is bepaald dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot omgang, inhoudende dat er twee uur per week contact tussen hen plaatsvindt onder begeleiding en op het kantoor van [hulpverlening] in [plaats] (of onder begeleiding van een soortgelijke organisatie op neutraal terrein in de buurt van de minderjarigen), waarbij de regie over een eventuele wijziging in handen van de GI ligt, een en ander zoals overwogen in de beschikkingen.

Bij beschikking van 21 februari 2025 is de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen, zoals is vastgelegd bij beschikkingen van deze rechtbank van 14 augustus 2024, gewijzigd en is bepaald dat er geen contact plaatsvindt tussen de minderjarigen en de vader totdat de overplaatsing naar een vervolgplek is gerealiseerd en dat er na de overplaatsing zo snel als mogelijk en op geleide van hetgeen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dat moment aan kunnen wordt onderzocht of en zo ja op welke manier het contact tussen de vader en de minderjarigen kan worden hervat, waarbij de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsregeling in handen van de GI ligt.

Bij beschikking van 18 april 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) verleend met ingang van 18 april 2025 en tot 4 november 2025.

Bij beschikking van 21 oktober 2025 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 4 november 2025 en tot 4 januari 2026.

Bij beschikking van 4 november 2025 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg benoemd tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 november 2025 is de beschikking van 21 februari 2025 voor zover deze ziet op de omgang tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader tot 20 november 2025 bekrachtigd en voor zover deze ziet op de omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader vanaf 20 november 2025 vernietigd, waarbij de bij beschikking van 14 augustus 2024 vastgestelde omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader is gewijzigd en de volgende omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is vastgesteld:

- de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben recht op begeleide omgang met elkaar eenmaal per zes weken onder begeleiding van een professionele instantie;

- waarbij de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsmomenten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader in handen van de GI ligt.

Bij beschikking van 24 februari 2026 is de bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 november 2025 vastgestelde omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader gewijzigd en is met ingang van de datum van deze beschikking de volgende omgangsregeling vastgesteld tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader, waarbij:

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader recht hebben op begeleide omgang met elkaar eenmaal per acht weken onder begeleiding van een professionele instantie;

- de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsmomenten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader in handen van de GI ligt.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een gezinshuis. Sinds mei 2026 verblijft [minderjarige 1] in een ander gezinshuis.

3. Het verzoek

De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:377a lid 2 BW een omgangsregeling vast te stellen, in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens in de acht weken begeleide omgang hebben met hun moeder en hun oudere zus [minderjarige 3] , dan wel een regeling zoals in goede justitie vast te stellen.

4. De (verdere) beoordeling

De rechtbank verwijst naar de beschikking van 8 mei 2026. Daarbij is bepaald dat de moeder en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar éénmaal per acht weken onder begeleiding van een professionele instantie.

De rechtbank heeft de definitieve beslissing op het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling aangehouden, in afwachting van een door de GI in te dienen korte briefrapportage met daarbij gevoegd informatie van zowel de bij [minderjarige 1] betrokken instantie [zorgaanbieder] als het bij [minderjarige 2] betrokken medisch kinderdagverblijf. In deze briefrapportages dient in ieder geval antwoord te worden gegeven op de volgende vragen:

- Wat is de visie van [zorgaanbieder] en het medisch kinderdagverblijf op de verzochte

omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen, op basis waarvan zij eens

per acht weken contact hebben met elkaar? Wordt deze omgangsfrequentie het meest

in het belang van de minderjarigen geacht?

- Wat zien zij als voornaamste reden van de ontregeling?

- Wordt het in het belang van de minderjarigen geacht dat het contact met hun beide

ouders op dezelfde dag plaatsvindt?

- Kunnen de minderjarigen het aan dat hun oudere zus [minderjarige 3] bij de

contactmomenten met de moeder aansluit? Hoe wordt dit onderzocht en wordt dit

geëvalueerd?

- Vindt er afstemming plaats over de minderjarigen tussen [zorgaanbieder] en het medisch

kinderdagverblijf (en de GI)?

Indien mogelijk dienen deze vragen (mede) te worden beantwoord aan de hand van het

verrichten van observaties van de minderjarigen tijdens de contactmomenten en nadien in het gezinshuis. De GI dient de briefrapportages uiterlijk één week voor de hierna te noemen

nadere zitting in te dienen bij de rechtbank, onder gelijktijdige verstrekking van een

afschrift daarvan aan de (advocaat van de) moeder.

Bij bericht van 11 juni 2026 heeft de GI laten weten dat het voor de GI niet mogelijk is een inhoudelijke visie te vormen op de omgangsmomenten tussen de moeder en de kinderen. In de afgelopen periode is de moeder namelijk driemaal niet verschenen bij de geplande bezoeken. Het laatste contactmoment heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026.

Omdat de omgangsmomenten niet structureel hebben plaatsgevonden en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hierdoor herhaaldelijk zijn teleurgesteld, verzoekt de GI de regie over de omgang tussen de moeder en de kinderen bij haar te beleggen. De GI acht het van groot belang dat de moeder eerst werkt aan haar persoonlijke problematiek en voldoende stabiliteit laat zien voordat de begeleide bezoeken kunnen worden hervat. Hiervan is op dit moment geen sprake. De moeder verblijft momenteel in het buitenland.

[zorgaanbieder] heeft aangegeven dat er een langduriger traject nodig is om een visie te kunnen vormen op de omgang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met hun biologische ouders. In zijn algemeenheid geeft [zorgaanbieder] aan dat regelmaat en voorspelbaarheid bij de bezoeken heel belangrijk zijn. Daarnaast is het advies om de bezoeken met de vader en met de moeder op verschillende dagen te laten plaatsvinden in een kindvriendelijke omgeving.

De verdere standpunten

dDe GI verzoekt niet langer om een regeling vast te stellen waarbij de moeder eenmaal per 8 weken begeleid contact heeft met de minderjarigen, maar om de regie over de omgang bij de GI te beleggen, zodat zij kan beoordelen of en in hoeverre erin het belang van [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] omgang kan plaatshebben met de moeders.

De GI is daarbij voornemens om voorlopig geen contacten te laten plaatshebben. Pas als de moeder stabiel en betrouwbaar is kan beoordeeld worden of de bezoeken opnieuw opgestart kunnen worden. Nu is er geen stabiliteit in de bezoeken en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben te veel meegemaakt. De situatie is nu onduidelijker dan het op de vorige zitting was, omdat de moeder steeds niet op komt dagen, ook niet bij geplande overleggen

In verband met het gedrag van [minderjarige 1] is zij recent verplaatst naar een andere woonlocatie. Omdat deze woonlocatie verder weg gelegen is, lukt het niet om de hulpverlening van [zorgaanbieder] voort te zetten. Er wordt nu gekeken naar een aanbieder in de buurt van de nieuwe woonlocatie. Daarbij blijft het ook de vraag of de situatie van [minderjarige 1] stabiel genoeg is voor een behandeling. Zij zal sowieso eerst even tijd nodig hebben om te wennen aan de nieuwe woonsetting voordat überhaupt een behandeling gestart kan worden.

De GI ontzegt de moeder het contact niet, maar de behandeling van de kinderen staat op de voorgrond. Het is belangrijk dat de kinderen stabiliseren en de contacten ontregelen de kinderen juist gedurende een lange periode.

Namens de moeder is aangegeven dat de moeder voor haar rust in Zuid Amerika is. Volgende week gaat ze naar Zuid Afrika om een behandeling aan te gaan. Daar zal ze zes weken verblijven en daarna volgt er een ambulant behandelingtraject. De moeder vindt het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belangrijk. Zij wil graag zo veel mogelijk begeleid contact.

Het verzoek van de GI is niet goed onderbouwd. De door de rechtbank gestelde vragen zijn niet beantwoord en daardoor is het de vraag of de GI doet wat daadwerkelijk goed is voor de kinderen of wat zij denken dat goed is, zonder dat dat is onderbouwd. Uit de informatie van [zorgaanbieder] blijkt wel duidelijk dat de omgang met de moeder op een andere dag moet plaatshebben dan de omgang met de vader. De moeder verzoekt het verzoek van de GI af te wijzen. Het is in het belangrijk dat een vaste omgangsregeling wordt bepaald met een frequentie die in het belang van de kinderen is. De kinderen missen de moeder en hun zus.

Door en namens de vader wordt aangegeven dat hetgeen de moeder nu via de kantoorgenoot van haar advocaat aangeeft haaks staat op wat ze bij de vorige zitting zei. Toen wilde ze afstand nemen van de kinderen, omdat de kinderen een papa en een mama in het gezinshuis hebben en wilde de moeder een nieuw gezin starten. Voor de kinderen is het belangrijk dat de moeder de contacten waar kan maken en dat deze voor de kinderen voorspelbaar zijn. Nu de door de rechtbank naar aanleiding van de vorige zitting gestelde vragen niet zijn beantwoord, is onduidelijk of het steeds afschalen van het contact voor de kinderen beter is. Duidelijk is wel dat het contact wat de vader en de moeder los van elkaar met de kinderen hebben niet op dezelfde dag moet plaatsvinden, aldus de door [zorgaanbieder] gegeven informatie.

De overplaatsing van [minderjarige 1] was de vorige zitting al bekend bij de GI. Dat is wezenlijke informatie die door de GI aan de rechtbank onthouden is. Er wordt met de kinderen gesjouwd en behandelingen worden daardoor afgebroken. [minderjarige 1] zit nu ver weg. Doordat de afstand tussen de kinderen te groot is, was het niet mogelijk dat [minderjarige 1] aanwezig was bij het contactmoment van de vader met [minderjarige 2] in verband met haar verjaardag .

[zorgaanbieder] geeft verder aan dat de bezoeken op een kindvriendelijke plek moeten plaatsvinden. De vader heeft [minderjarige 1] op een kindvriendelijke plek gezien, maar [minderjarige 2] ziet hij op een locatie van de GI, welke locatie niet een kindvreindelijke plek is.

De vader verzoekt de rechtbank om het eerdere verzoek om informatie niet los te laten. Duidelijk moet worden waar het gedrag van de kinderen vandaan komt en of het al dan niet in het belang van de kinderen is om al ruim van tevoren te weten dat er een contact gepland staat.

Het advies van de Raad

De Raad maakt zich grote zorgen over de kinderen. Met name over [minderjarige 1] , aangezien de kinderen al zoveel zijn verplaatst en het de vraag is of [minderjarige 1] op de nieuwe plek kan blijven. De kinderen hadden tot voor kort elkaar nog, maar ook dat is nu weggevallen. De Raad vindt het in het belang van de kinderen als de GI de regie over de omgang krijgt. De moeder kan de huidige afspraken niet nakomen. Er zal voortdurend gekeken moeten worden naar de contacten met de ouders en hoe frequent deze vormgegeven moeten worden, rekening houdend met wat de moeder aan kan.

Nu [minderjarige 1] is verhuisd, zal het nog wel even duren voordat er verdere informatie beschikbaar is, aangezien er voor [minderjarige 1] een nieuw hulpverleningstraject gestart gaat worden.

De verdere inhoudelijke beoordeling

De rechtbank overweegt allereerst dat zij op de zitting overvallen werd door de informatie dat [minderjarige 1] is verplaatst naar een andere gezinsgerichte voorziening en dat dit betekent dat haar behandeling bij [zorgaanbieder] niet voortgezet kan worden. In de beschikking van 8 mei 2026 is de rechtbank heel duidelijk geweest over welke informatie zij nodig vindt om het verzoek van de GI goed te kunnen beoordelen en daar een beslissing op te kunnen nemen. Nu de GI, zoals op de zitting namens de vader is gesteld en niet is weersproken door de GI, tijdens de eerdere zitting al wist dat [minderjarige 1] verplaatst zou gaan worden, had de GI dit toen al moeten melden aan de rechtbank. Nu heeft de rechtbank een informatieverzoek gedaan aan (onder meer) [zorgaanbieder] terwijl bij de GI klaarblijkelijk al bekend was dat de behandeling bij [zorgaanbieder] niet voortgezet zou kunnen worden.

Daarnaast is de informatie die van [zorgaanbieder] is overgelegd, ongedateerd en lijkt niet overeen te komen met de manier waarop de GI de bezoekmomenten inzet. Het is dan ook de vraag of de door [zorgaanbieder] gegeven informatie is gegeven naar aanleiding van de door de rechtbank gestelde vragen of dat deze informatie reeds daarvoor al aan de GI was verstrekt. Ook is er opnieuw sprake van een wisseling van jeugdbeschermer en kon de huidige jeugdbeschermer ter zitting een aantal vragen niet voldoende concreet beantwoorden. Zo is onbekend over welke informatie [zorgaanbieder] beschikte en of [zorgaanbieder] bijvoorbeeld kennis heeft kunnen nemen van de omgangsverslagen. De tekst van de brief van [zorgaanbieder] beziend, lijkt dat niet het geval te zijn. Onbekend is ook of [zorgaanbieder] ten tijde van het opstellen van die brief op de hoogte was van de wisseling van de verblijfplaats van [minderjarige 1] . Daar komt nog bij dat ook overigens niet aan het informatieverzoek is voldaan door de GI. De informatie die [zorgaanbieder] geeft is incompleet, geeft niet het antwoord op de vragen die de rechtbank heeft gesteld en de GI heeft [zorgaanbieder] daar niet aanvullend op bevraagd of mogelijk ook niet aanvullend op kunnen bevragen omdat [zorgaanbieder] inmiddels niet meer betrokken is. De gevraagde informatie van het [kinderdagverblijf] ontbreekt volledig en niet is gebleken dat er afstemming tussen [zorgaanbieder] en het kinderdagverblijf heeft plaatsgehad.

De rechtbank is van oordeel dat het nog steeds in het belang van de kinderen is dat de eerder gestelde vragen worden beantwoord, voordat er een oordeel gegeven kan worden over de meest wenselijke contactregeling tussen de kinderen en de moeder. De rechtbank zal, gelet op de gewijzigde situatie ten aanzien van [minderjarige 1] en de belangen van beide minderjarigen, het verzoek nogmaals aanhouden. Deze keer zal de rechtbank het verzoek pro forma aanhouden en voor de duur van vier maanden. De rechtbank verwacht van de GI dat de GI op nader te noemen pro forma datum een briefrapportage aan de rechtbank stuurt met daarin de laatste stand van zaken en met daarbij gevoegd, van een datum voorziene, informatie van zowel de bij [minderjarige 1] betrokken nieuwe instantie als het bij [minderjarige 2] betrokken medisch kinderdagverblijf. In deze briefrapportages dient in ieder geval antwoord te worden gegeven op de volgende vragen:

- Wat is de visie van de bij [minderjarige 1] betrokken instantie en het medisch kinderdagverblijf op de omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen? Welke omgangsfrequentie wordt het meestin het belang van de minderjarigen geacht?

- Wat zien zij als voornaamste reden van de ontregeling?

- Wordt het in het belang van de minderjarigen geacht dat het contact met hun beide

ouders op dezelfde dag plaatsvindt?

- Kunnen de minderjaringen het aan dat hun oudere zus [minderjarige 3] bij de contactmomenten met de moeder aansluit? Hoe wordt dit onderzocht en wordt dit geëvalueerd?

- Vindt er afstemming plaats over de minderjarigen tussen de behandelaar van [minderjarige 1] en het medischkinderdagverblijf (en de GI)?

Indien mogelijk dienen deze vragen (mede) te worden beantwoord aan de hand van het

verrichten van observaties van de minderjarigen tijdens de contactmomenten en nadien in de gezinshuizen. De rechtbank vindt het daarbij belangrijk dat de nieuwe bij [minderjarige 1] betrokken instantie contact opneemt met [zorgaanbieder] , zodat de hiervoor genoemde vragen in onderling overleg beantwoord kunnen worden. De GI dient de briefrapportages uiterlijk op de hieronder genoemde pro forma datum in te dienen bij de rechtbank, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de (advocaat van de) moeder en de Raad. Vervolgens krijgt (de advocaat van) de moeder de gelegenheid om binnen twee weken op het bericht van de GI te reageren met daarbij – indien er behoefte is aan een zitting – opgave van verhinderdata. De rechtbank vindt het ook passend dat de rapportage ook wordt verstrekt aan de advocaat van de vader. De vader is weliswaar als informant in de onderhavige procedure aangemerkt, maar een deel van de vragen heeft rechtstreeks betrekking op de omgangsregeling die hij met de minderjarigen heeft.

Het vorenstaande betekent dat de eerdere bij beschikking van 8 mei 2026 voorlopig vastgestelde omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen blijft gelden. De GI dient zich, daar waar mogelijk gelet op de beschikbaarheid en de behandeling van de moeder in Afrika, hier dan ook voor in te spannen. Het is aan de GI om de kinderen samen met de gezinshuisouders op hun niveau in te lichten over de huidige situatie van de moeder, zodat zij niet teleurgesteld worden bij het uitblijven van het contact gedurende de tijd dat de moeder in behandeling is in Zuid Afrika. De rechtbank drukt daarbij de moeder op het hart om gelijk na terugkeer uit Zuid Afrika contact op te nemen met de GI zodat verdere afspraken gemaakt kunnen worden over het eerstvolgende contact dat kan gaan plaatshebben en de kinderen daarop kunnen worden voorbereid.

5. De beslissing

De rechtbank:

houdt de behandeling van het verzoek aan tot 30 oktober 2026 pro forma in afwachting van de briefrapportage van de GI zoals omschreven in rechtsoverweging 4.8.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Merbel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Van der Merbel

Griffier

  • mr. De Bont

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand