ECLI:NL:RBZWB:2026:7254

ECLI:NL:RBZWB:2026:7254

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 06-07-2026
Datum publicatie 06-08-2026
Zaaknummer C/02/446553 / JE RK 26-528
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Overdracht OTS zaak naar België

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/446553 / JE RK 26-528

Datum uitspraak: 6 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een overdracht naar België en een opheffing ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] (België),

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] (België),

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] te België,

advocaat mr. M.T.E. Kranenburg te Roosendaal,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] .

Voor het inwinnen van advies is in de procedure betrokken:

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zuid-west-Nederland,

locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 maart 2026;

het bericht met bijlagen van mr. Kranenburg van 29 april 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

een vertegenwoordiger van de Raad;

een tweetalvertegenwoordigers van de GI.

Ondanks behoorlijke oproeping is de vader niet verschenen.

Van de zitting van 30 april 2026 is een proces-verbaal opgemaakt, welke de belanghebbenden ontvangen hebben. Nadien heeft de kinderrechter kennisgenomen van de navolgende stukken:

het (gewijzigde) verzoekschrift van de GI van 20 mei 2026;

het bericht van mr. Kranenburg van 28 mei 2026;

het bericht van de GI van 2 juni 2026.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Bij beschikking van 27 februari 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 februari 2026 en tot 27 februari 2027.

Bij beschikking van 4 maart 2026 van deze rechtbank is onder meer en voor zover van belang bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de moeder. Ook is aan de moeder – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming verleend om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verhuizen naar [plaats] te België.

3. Het verzoek

De GI heeft in eerste instantie verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Na wijziging van het verzoek verzoekt de GI de rechtsmacht over te dragen naar het gerecht in België conform artikel 12 verordening Brussel II-ter, waarop de Belgische rechter binnen vier weken de overdracht kan aanvaarden.

4. De standpunten

De GI geeft aan dat de minderjarigen feitelijk structureel in België bij de moeder verblijven en het sociale leven van de kinderen zich dan ook in België afspeelt. In deze situatie is de gebleken dat de ondertoezichtstelling niet uitvoerbaar is. De GI beschikt niet

over bevoegdheden om in België toezicht te houden of hulpverlening te organiseren en kan daardoor onvoldoende zicht krijgen op de opvoedsituatie en ontwikkeling van de minderjarigen. Hierdoor ontbreekt de mogelijkheid om effectief regie te voeren en wordt het beschermingsdoel van de maatregel niet bereikt. Voortzetting van de ondertoezichtstelling in Nederland leidt daarmee tot een maatregel die wel juridisch bestaat, maar feitelijk geen uitvoering kan krijgen.

De Belgische autoriteiten zijn geïnformeerd over de situatie. De GI heeft namelijk op 9 maart 2026 een zorgmelding gedaan bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden en de bevestiging gekregen dat deze zorgmelding is doorgezet en ontvangen door de Belgische autoriteiten. Zij hebben de melding nu in behandeling genomen. Om te waarborgen dat de noodzakelijke bescherming en hulpverlening daadwerkelijk kan worden ingezet, vindt de GI het in het belang van de minderjarigen dat de verdere beoordeling en uitvoering van kinderbescherming plaatsvindt in België.

Bij bericht van 28 mei 2026 van (de advocaat van) de moeder heeft de moeder laten weten dat zij kan instemmen met het gewijzigd verzoek van de GI en dat dit verzoek wat haar betreft zonder dat er een nadere inhoudelijk behandeling noodzakelijk is, kan worden afgehandeld, bij voorkeur zo spoedig mogelijk.

5. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De kinderrechter constateert dat de ouders en de kinderen de Belgische nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.

Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de

ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied

waarvan de minderjarige(n) zijn gewone verblijfplaats heeft/hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De ouders hebben echter, ten tijde van de ondertoezichtstelling gebruik gemaakt van een forumkeuze, waardoor de ondertoezichtstelling destijds door de Nederlandse rechter is uitgesproken. Dit ondanks het feit dat de moeder met de kinderen toen al in België verbleef. Gelet op het feit dat de ondertoezichtstelling nog loopt tot 27 februari 2027 en de kinderrechter als het ware de toezichthouder van de GI is, komt aan de kinderrechter rechtsmacht toe om van het verzoek van de GI kennis te nemen.

Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op de verzoeken te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

Reactie vader

De kinderrechter heeft aan de GI gevraagd om aan de vader te vragen om te reageren op het gewijzigde verzoek. De GI heeft bij bericht van 2 juni 2026 laten weten dat er een e-mailbericht naar de vader is gestuurd, maar dat de vader hier niet op heeft gereageerd. Bij aangetekende brief (en per e-mail) van de rechtbank van 4 juni 2026 is aan de vader verzocht om binnen twee weken schriftelijk aan te geven of de vader al dan niet instemt met het verzoek van de GI. De vader heeft niet op deze berichten van de rechtbank gereageerd.

Overdracht van de bevoegdheid

De kinderrechter stelt vast dat zowel de moeder, de GI als de Raad het er over eens zijn dat de bevoegdheid van deze rechtbank overgedragen dient te worden naar België. Op de zitting van 30 april 2026 is het – toen nog in te dienen gewijzigde – verzoek van de GI met alle aanwezigen besproken. De vader heeft, zowel op de zitting van 30 april 2026 als op meerdere momenten na deze zitting, voldoende gelegenheid gekregen om zijn mening over de het overdrachtsverzoek kenbaar te maken. De vader is, ondanks behoorlijke oproeping, niet op de zitting verschenen en heeft ook niet gereageerd op berichten van zowel de GI als de rechtbank.

De rechtbank van een lidstaat die bevoegd is om over een zaak te beslissen, kan bij

wijze van uitzondering de rechtbank van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid

over te nemen op grond van artikel 12 van de verordening Brussel II-ter. Dit kan de rechtbank doen als zij van mening is dat een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, beter in staat is het belang van het kind te beoordelen.

De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bijzondere band hebben met België, omdat zij de Belgische nationaliteit hebben, hier ook geboren zijn en de eerste jaren van hun leven ook hebben gewoond. Inmiddels verblijven zij ook met de moeder weer in België.

De kinderrechter is van oordeel dat de Belgische rechtbank beter in staat is om de verzoeken over de kinderbeschermingsmaatregelen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te behandelen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat één van de ouders met gezag inmiddels weer in België verblijft en de kinderen het hoofdverblijf bij deze ouder, te weten de moeder, hebben. Voor de GI is onder deze omstandigheden het niet mogelijk om de ondertoezichtstelling feitelijk uit te voeren.

Wat verder nog van belang is, is dat de bedoeling van een ondertoezichtstelling is om passende hulpverlening in te zetten om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen weg te nemen. Vanuit Nederland heeft de GI weinig tot geen mogelijkheden om hier aan te werken en om daarbij toezicht te houden op de minderjarigen. Voor de verdere jeugdhulp van de minderjarigen zijn de Belgische instanties beter op de hoogte van de mogelijkheden en de passendheid voor de minderjarigen hiervan.

Op grond van het voorgaande zal aan de familierechtbank Gent worden verzocht zijn bevoegdheid overeenkomst artikel 12 lid 2 Brussel II-ter uit te oefenen. Dit zal gebeuren door tussenkomst van de liaisonrechter. De kinderrechter bepaalt daarom dat de griffier een afschrift van deze beschikking per e-mail zal sturen naar de liaisonrechter. De Belgische rechtbank wordt verzocht op korte termijn – maar in ieder geval binnen zes weken – te laten weten of het de bevoegdheid volgend uit artikel 12 lid 2 Brussel II-ter aanvaardt.

De kinderrechter zal in afwachting van de reactie van de Belgische rechtbank de zaak aanhouden.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verzoekt de familierechtbank Gent in België zijn bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 lid 2 Verordening Brussel II-ter uit te oefenen over verzoeken tot het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

bepaalt dat de overdracht van de bevoegdheid aan de familierechtbank in Gent, België, zal plaatsvinden door tussenkomst van de liaisonrechter en bepaalt dat de griffier daarom een afschrift van deze beschikking per e-mail zal sturen naar de liaisonrechter via het volgende e-mailadres: [e-mailadres];

houdt de behandeling van het overige deel van het verzoek tot overdracht pro forma aan 21 augustus 2026, in afwachting van het bericht van de Gentse familierechtbank met betrekking tot aanvaarding van de bevoegdheid.

Deze beschikking is gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026, in aanwezigheid van mr. Oude Weernink , griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Oude Weernink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand