RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12105106 \ CV EXPL 26-605
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
1. [gedaagde partij 1] , H.O.D.N. NANOFORCE, BORPOWER ,
te [plaats 2] ,2. [gedaagde partij 2],
te [plaats 2] ,3. [gedaagde partij 3],
te [plaats 2] ,4. [gedaagde partij 4],
te [plaats 2] ,
5. [gedaagde partij 5],
te [plaats 2] ,
6. [gedaagde partij 6],
te [plaats 2] ,7. [gedaagde partij 7],
te [plaats 2] ,gedaagde partijen,
gedaagde sub 1 hierna te noemen: [gedaagde partij 1] ,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
[gedaagde partij 1] huurt een bedrijfsruimte met dienstwoning van [eisende partij] . [eisende partij] vordert dat [gedaagde partijen] de bedrijfsruimte met dienstwoning verlaten vanwege een huurachterstand. [gedaagde partij 1] erkent de huurachterstand. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eisende partij] grotendeels toe. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 februari 2026 met producties,- de mondelinge conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de nagekomen producties aan de zijde van [gedaagde partijen] ,
- de nagekomen producties aan de zijde van [eisende partij] ,
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[gedaagde partij 2] is enig aandeelhouder van [gedaagde partij 1]
[eisende partij] verhuurt met ingang van 6 oktober 2022 aan [gedaagde partij 1] de bedrijfsruimte, zijnde terreinen met werkplaats, ondergrond, dienstwoning en verdere aanhorigheden, gelegen aan het [adres] (hierna: het gehuurde).
De huur bedraagt € 8.082,51 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW (Model ROZ juli 2003) (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing.
Gedaagden sub 2 tot en met 7 verblijven in de bij de bedrijfsruimte behorende dienstwoning.
[gedaagde partij 1] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Ten tijde van de dagvaarding betrof de huurachterstand een bedrag van € 38.584,49, berekend tot en met februari 2026.
Na het uitbrengen van de dagvaarding is de huurachterstand verder opgelopen.
4. Het geschil
in conventie
[eisende partij] vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad:
I. te ontbinden de huurovereenkomst betreffende de bedrijfsruimte zijnde terreinen met werkplaats, ondergrond, dienstwoning en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te [adres] ;
II. gedaagde sub 1 te veroordelen om binnen twee weken na de betekening van het vonnis, genoemde bedrijfsruimte te verlaten en te ontruimen;
III. gedaagden sub 2 tot en met 7 te veroordelen om te gehengen en gedogen in vorenbedoelde veroordeling tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde;
en voorts gedaagde sub 1:
IV. veroordeling om aan eiser te betalen:
Primair: voormeld bedrag van € 41.789,11 (behoudens de contractueel overeengekomen huurverhoging/-indexering);
Subsidiair: een bedrag van € 39.989,11 (behoudens de contractueel overeengekomen huurverhoging/-indexering) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 38.584,49 vanaf de vervaldatum dat iedere afzonderlijke huurtermijn betaald had moeten zijn tot aan de dag van algehele voldoening;
Meer subsidiair: een bedrag van € 39.989,11 (behoudens de contractueel overeengekomen huurverhoging/-indexering) te vermeerderen met de wettelijke rente over € 38.584,49 vanaf de vervaldatum dat iedere afzonderlijke huurtermijn betaald had moeten zijn tot aan de dag van algehele voldoening;
V. te veroordelen om aan eiser te betalen de te vervallen huurpenningen van € 8.082,51 (behoudens de contractueel overeengekomen huurverhoging/-indexering), voor elke maand of gedeelte daarvan vanaf maart 2026 tot de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst, te vermeerderen met:
Primair: de direct opeisbare contractuele boete van € 300,00 per maand indien de huurpenningen niet prompt op de vervaldatum worden voldaan;
Subsidiair: de wettelijke handelsrente vanaf de dag dat de huurpenningen betaald hadden moeten zijn tot aan de dag van algehele voldoening;
Meer subsidiair: de wettelijke rente vanaf de dag dat de huurpenningen betaald hadden moeten zijn tot aan de dag van algehele voldoening;
VI. te veroordelen om aan eiser als schade-/gebruiksvergoeding te betalen een bedrag gelijk aan de nu geldende huurtermijn, zijnde € 8.082,51 (behoudens de contractueel overeengekomen huurverhoging/-indexering), voor elke maand of gedeelte daarvan dat gedaagde vanaf de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst in gebreke blijft genoemde bedrijfsruimte te ontruimen, te vermeerderen met:
Primair: de direct opeisbare contractuele boete van € 300,00 per maand indien de schade-/gebruiksvergoeding niet prompt op de vervaldatum wordt voldaan;
Subsidiair: de wettelijke handelsrente vanaf de dag dat de
schade-/gebruiksvergoeding betaald had moeten zijn tot aan de dag der algehele voldoening;
Meer subsidiair: de wettelijke rente vanaf de dag dat de
schade-/gebruiksvergoeding betaald had moeten zijn tot aan de dag der algehele voldoening;
VII. te veroordelen om aan eiser te betalen een bedrag van € 8.082,51 aan schadevergoeding per maand (behoudens de contractueel overeengekomen huurverhoging/-indexering) vanaf de ontruiming van het gehuurde tot en met 1 maart 2026, het moment waarop de huurovereenkomst contractueel eindigt dan wel het tijdstip waarop eiser een andere gelijkwaardige huurder heeft gevonden voor het gehuurde;
VIII. te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
IX. de kosten van de dagvaarding.
[eisende partij] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde partij 1] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens [eisende partij] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
[gedaagde partij 1] voert verweer. [gedaagde partij 1] erkent de huurachterstand, maar voert aan dat er geen toegang mogelijk was tot de bedrijfsruimte omdat deze was afgesloten door de curator en daardoor geen werk kon worden verricht.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Huurachterstand
De huurprijs bedraagt € 8.082,51 per maand. Vaststaat dat [gedaagde partij 1] ten tijde van de dagvaarding de huur van juni 2025 en november 2025 tot en met februari 2026 niet heeft betaald. De huur van april 2025 is voor een deel betaald en in de maanden september, oktober en november 2025 zijn drie deelbetalingen gedaan van elk € 1.970,19. Daarmee heeft [gedaagde partij 1] een huurachterstand van bijna zes maanden laten ontstaan. [gedaagde partij 1] is daarom in beginsel een bedrag van € 38.584,49 aan huur verschuldigd.
[gedaagde partij 1] heeft de huurachterstand erkend en voert het volgende aan. Op 25 november 2025 is één van de bedrijven van de heer [gedaagde partij 2] failliet verklaard. Omdat het terrein door de curator was afgesloten kon er geen werk worden verricht en waren er geen inkomsten. Hierdoor is de huurachterstand ontstaan.
Namens [gedaagde partij 1] is niemand op de mondelinge behandeling verschenen en [gedaagde partij 1] heeft haar verweer daarom ook niet verder kunnen toelichten. De huurachterstand is dan ook niet door haar weersproken. In haar eerdere processtukken heeft [gedaagde partij 1] erkend dat er betalingsachterstanden zijn ontstaan. De gevorderde betaling van de huurachterstand wordt daarom toegewezen tot en met februari 2026 tot een bedrag van € 38.584,49.
Ontbinding en ontruiming
Uit artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat elke tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen aan de wederpartij (en in geval van huur de kantonrechter) de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming door haar bijzondere aard of geringe betekening de ontbinding en de gevolgen daarvan niet rechtvaardigt.
Gezien de huurachterstand staat vast dat [gedaagde partij 1] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. In dit geval kan dat naar het oordeel van de kantonrechter ook leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst.
Namens gedaagden sub 2 tot en met 7 is tijdens de mondelinge behandeling door de heer [gedaagde partij 5] , een zoon van de heer [gedaagde partij 2] , aangevoerd dat zij in het gehuurde wonen en werken en daar graag willen blijven. De heer [gedaagde partij 5] heeft naar voren gebracht dat hij al maanden tevergeefs vervangende woonruimte probeert te regelen en dat hij in geval van een ontruiming niet kan worden opgevangen door familie of vrienden.
De kantonrechter begrijpt dat een ontruiming ingrijpend is, te meer omdat het gehuurde ook een woning omvat. Dit kan echter niet leiden tot afwijzing van de vordering. De forse huurachterstand is na het uitbrengen van de dagvaarding immers verder opgelopen en er is geen concreet plan of zekerheid gegeven voor betaling van de lopende huur of de achterstand. Zo heeft [gedaagde partij 1] op 26 april 2026 de sleutels van het bedrijfsterrein weer ontvangen en had zij weer beschikking tot het gehuurde, maar desondanks is geen huur betaald. Van [eisende partij] kan dan ook niet langer gevergd worden dat de huurovereenkomst in stand blijft. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal daarom worden toegewezen. [gedaagde partij 1] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
Huur vanaf maart 2026
[eisende partij] wil ook dat [gedaagde partij 1] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 8.082,51, voor elke maand of gedeelte daarvan vanaf maart 2026 tot de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst en voor elke maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde partij 1] vanaf de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst in gebreke blijft genoemde bedrijfsruimte te ontruimen. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde partij 1] nog in het gehuurde verblijft. Deze vorderingen zullen worden toegewezen.
Schadevergoeding
[eisende partij] vordert nog € 8.082,51 aan schadevergoeding per maand vanaf de ontruiming van het gehuurde tot en met 1 maart 2026. Nu deze datum reeds is verstreken, heeft [eisende partij] geen belang meer bij deze vordering. De vordering tot schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
De contractuele boete
[eisende partij] vordert een contractuele boete tot 4 februari 2026 van € 1.800,00. Op grond van artikel 23.2 van de algemene bepalingen is [gedaagde partij 1] een boete van 1% per maand, met een minimum van € 300,00 per maand verschuldigd indien een uit de huurovereenkomst verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan. De kantonrechter stelt vast dat de boete verschuldigd is. Er is immers gebleken dat de huur over de maanden april 2025, juni 2025 en november 2025 tot en met februari 2026 niet prompt op de vervaldag is voldaan. Bovendien is de boete niet weersproken door [gedaagde partij 1] , waardoor [gedaagde partij 1] het bedrag van € 1.800,00 aan boetes moet voldoen aan [eisende partij] .
[eisende partij] vordert de contractuele boete ook over de periode vanaf maart 2026 tot de datum dat [gedaagde partij 1] in gebreke blijft met het ontruimen van de bedrijfsruimte. De kantonrechter zal ook deze vordering toewijzen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde partij 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
162,15
- griffierecht
€
753,00
- salaris gemachtigde
€
1.732,00
(2 punten × € 866,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.791,15
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals gevorderd.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.
6. De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] ,
veroordeelt [gedaagde partij 1] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, en de sleutels af te geven aan [eisende partij] ,
veroordeelt gedaagden sub 2 tot en met 7 om te gehengen en gedogen in de veroordeling tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde,
veroordeelt [gedaagde partij 1] om te betalen aan [eisende partij] :
- een bedrag van € 38.584,49 aan achterstallige huur tot en met februari 2026,
- een bedrag van € 1.200,00 aan contractuele boete,
- een bedrag van € 8.082,51 per maand aan gebruiksvergoeding vanaf maart 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de contractuele boete van € 300,00 per maand indien de huurpenningen niet prompt op de vervuldatum worden voldaan,
- een bedrag van € 1.160,84 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde partij 1] in de proceskosten van € 2.791,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde partij 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.