RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12190757 \ CV EXPL 26-2158
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
PUBLIEKRECHTELIJK RECHTSPERSOON CENTRAAL ADMINISTRATIEKANTOOR (CAK),
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: ‘het CAK’,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ‘ [gedaagde] ’,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, met producties 1 en 2;
de conclusie van antwoord, met producties;
de akte van het CAK, met producties 3 tot en met 7;
de antwoordakte van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
De hoofdsom
Het CAK is belast met de vaststelling en inning van de eigen bijdragen op grond van de Wet langdurige zorg.
[gedaagde] verbleef in een zorginstelling en was op grond daarvan een eigen bijdrage aan het CAK verschuldigd.
Het CAK heeft over de maanden mei en juni 2024 nota’s voor de eigen bijdrage naar [gedaagde] verzonden. [gedaagde] heeft deze nota’s niet betaald.
Het CAK vordert in deze procedure veroordeling van [gedaagde] tot betaling van deze nota’s (met buitengerechtelijke kosten) van in totaal € 602,02, vermeerderd met proceskosten.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt dat ze eerder in de schuldenregeling heeft gezeten en dat ‘alles was geregeld’ in die zin dat kwijtschelding bij het CAK was aangevraagd. [gedaagde] stelt daarom dat ze niets meer aan het CAK is verschuldigd.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de nota’s over de maanden mei en juni 2024 alsnog aan het CAK moet betalen. Het CAK erkent dat vrijstelling is verleend voor de maand januari 2024, maar betwist dat bezwaar is gemaakt tegen en vrijstelling is verleend voor de maanden mei en juni 2024. [gedaagde] heeft voor de maanden mei en juni 2024 niet aangetoond dat dit anders is. Daar komt bij dat het CAK een betalingsregeling heeft overgelegd met [gedaagde] die betrekking heeft op de maanden mei en juni 2024. Daaruit blijkt dat [gedaagde] er niet vanuit mocht gaan dat voor die maanden vrijstelling was verleend.
Hoewel de kantonrechter begrijpt dat het voor [gedaagde] vervelend is geweest dat zij, zoals zij stelt, geen contact heeft kunnen krijgen met het CAK en daardoor geen duidelijkheid heeft kunnen krijgen over de vordering. Maar dat maakt de betalingsverplichting niet ongedaan.
De conclusie is dat [gedaagde] de nota’s over de maanden mei en juni 2024 alsnog aan het CAK moet betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
Het CAK vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van ‘het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten’ (hierna: ‘het Besluit’). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn uit het Besluit.
Het CAK heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de kantonrechter de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 100,19 worden toegewezen.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
552,00
+
- buitengerechtelijke kosten
€
100,19
totaal
€
652,19
- betalingen
€
50,17
-/-
Totaal
€
602,02
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het CAK worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
216,00
(1,5 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
791,77
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan het CAK te betalen een bedrag van € 602,02,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 791,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hartman en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.