RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 12204660 \ CV EXPL 26-1522
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
PUBLIEKRECHTELIJK RECHTSPERSOON CENTRAAL ADMINISTRATIEKANTOOR (CAK),
te ‘s-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: CAK,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
CAK is op grond van de wet langdurige zorg (Wlz) belast met de vaststelling en inning van de eigen bijdragen. Deze bijdrage is verschuldigd door verblijf in een zorginstelling, het ontvangen van zorg vanuit de Wlz thuis en/of het ontvangen van een persoonsgebonden budget.
3. Het geschil
CAK vordert veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 726,62, vermeerderd met kosten. Dit bedrag bestaat uit € 615,00 wegens hoofdsom en € 111,62 wegens buitengerechtelijke incassokosten.
CAK legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] de eigen bijdrage van 21 maart, 22 april en 20 mei 2025 voor een totaalbedrag van € 615,00 niet heeft betaald. CAK was daardoor genoodzaakt een incassogemachtigde in te schakelen. CAK maakt om die reden ook aanspraak op betaling van € 111,62 aan buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde partij] voert verweer en heeft bij conclusie van antwoord (zijn mondelinge antwoord) aangevoerd dat hij een betalingsregeling heeft getroffen met CAK en dat hij daarnaast over de maanden maart, april en mei 2025 ook huur en boodschappengeld heeft betaald aan de instelling van Beschermd Wonen.
CAK heeft bij conclusie van repliek hierop geantwoord en gesteld dat het betalen van huur en het betalen van boodschappengeld aan de zorginstelling niet van invloed is op de te betalen eigen bijdrage. Ook heeft CAK gesteld dat met [gedaagde partij] inderdaad een betalingsregeling is getroffen, maar niet voor de verschuldigde eigen bijdrage van 21 maart, 22 april en 20 mei 2025. De betalingsregeling die is getroffen heeft betrekking op andere openstaande facturen.
[gedaagde partij] heeft bij conclusie van dupliek (zijn mondelinge toelichting) aangevoerd dat hij wederom geen steun ondervindt van CAK. [gedaagde partij] is het er niet mee eens dat er zoveel proceskosten bij de vordering komen.
De stellingen van partijen komen hierna, voor zover van belang, aan de orde in de beoordeling.
4. De beoordeling
De kantonrechter maakt uit de stukken op dat [gedaagde partij] de eigen bijdrage van 21 maart, 22 april en 20 mei 2025 voor een totaalbedrag van € 615,00 niet heeft betaald. CAK heeft daarvoor op 15 september, 26 september en 22 oktober 2025 betalingsherinneringen verstuurd naar het adres van [gedaagde partij]. [gedaagde partij] heeft verder niet betwist dat hij de eigen bijdrage moet betalen. Kennelijk heeft [gedaagde partij] een betalingsregeling getroffen voor een ander openstaand bedrag. [gedaagde partij] heeft bij zijn mondelinge toelichting niet aangevoerd dat dit onjuist is. Gelet hierop zal de kantonrechter [gedaagde partij] veroordelen tot betaling van € 615,00.
CAK vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Ook dit is toewijsbaar omdat [gedaagde partij] ondanks de betalingsherinneringen niet heeft betaald. De kantonrechter zal [gedaagde partij] hiervoor veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 111,62.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CAK worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
863,77
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partij] om aan CAK te betalen een bedrag van € 615,00 aan eigen bijdrage van 21 maart, 22 april en 20 mei 2025,
veroordeelt [gedaagde partij] om aan CAK te betalen een bedrag van € 111,62 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 863,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.