ECLI:NL:RBZWB:2026:7306

ECLI:NL:RBZWB:2026:7306

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer C/02/448004 / FA RK 26-2395
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Voorlopige voorzieningen. Verwijzing UHA. In tussentijd opbouw begeleid contact door externe professional. Beroep verdiencapaciteit man in kader kal afgewezen. Geen ruimte voor pal.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448004 / FA RK 26-2395

Datum uitspraak: 7 juli 2026

Beschikking betreffende voorlopige voorzieningen

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. S. Klootwijk uit Breda,

en

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonend in [plaats 1] ,

en voor de verzoeken die gaan over de onder bewind gestelde goederen van de man:

[de bewindvoerder] ,

hierna te noemen de bewindvoerder,

gevestigd in [plaats 2] ,

advocaat mr. M.T.E. Kranenburg uit Roosendaal.

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026;

het verweerschrift van de man tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen, ontvangen op 15 juni 2026.

de brieven van mr. Klootwijk van 26 mei 2026 en 19 juni 2026, beide met bijlagen;

de brieven van mr. Kranenburg van 18 juni 2026 en 19 juni 2026, beide met bijlage.

De bewindvoerder heeft bij e-mailbericht van 2 juni 2026 (financiële) stukken van de man ingediend. Mr. Kranenburg heeft zich gesteld op 3 juni 2026 en is door de bewindvoerder gemachtigd om haar en de man te vertegenwoordigen in deze procedure. Zij heeft vervolgens ook (financiële) stukken in het geding gebracht, die dienen ter onderbouwing van het door haar gevoerde verweer. Daarom slaat de rechtbank geen acht op de door de bewindvoerder in het geding gebrachte stukken.

De zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

de vrouw met haar advocaat;

de man met zijn advocaat;

de bewindvoerder, in de persoon van de heer [persoon] , via een teamslink.

2. De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2025 in [plaats 3] .

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] .

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

Partijen bezitten beiden de Nederlandse nationaliteit.

3. De verzoeken

De vrouw verzoekt, samengevat:

- toevertrouwing van de minderjarige aan haar;

- vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor de minderjarige van

€ 500,= per maand met ingang van datum indiening verzoekschrift;

- vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor haar van € 500,= per maand, met

ingang van datum indiening verzoekschrift.

De man verzoekt, samengevat:

- vaststelling van een zorgregeling tussen hem en de minderjarige;

- partijen door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod.

4. De beoordeling

Toevertrouwing

De vrouw verzoekt de minderjarige [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen. Tijdens de zitting stemt de man in met dit verzoek. De rechtbank vindt dat toevertrouwing van [minderjarige] aan de vrouw in het belang van [minderjarige] is. Dat betekent dat de rechtbank dit verzoek toewijst.

Zorgregeling

De man verzoekt als zelfstandig verzoek vaststelling van een zorgregeling waarin hij, rekening houdende met zijn werktijden, in ieder geval een dagdeel per weekend en, als dit door hem geregeld kan worden, een dagdeel doordeweeks de zorg voor [minderjarige] heeft, waarbij hij - onder protest van gehoudenheid daartoe - [minderjarige] bij de vrouw zal ophalen en terugbrengen. Deze zorgregeling moet wat betreft de man ingaan in het eerste weekend na de zitting, dan wel in het eerste weekend na afgifte van de beschikking.

Uit de stukken en het gesprek met partijen tijdens de zitting blijkt voor de rechtbank het volgende. Partijen zijn sinds een paar maanden feitelijk uit elkaar. De vrouw woont op dit moment met [minderjarige] in [woonplaats] en de man nog in de echtelijke huurwoning in [plaats 1] . De man is het er niet mee eens dat de vrouw met [minderjarige] in [woonplaats] is gaan wonen. Dit is niet met hem overlegd en hij heeft er geen toestemming voor gegeven. Sinds het uiteengaan van partijen heeft er één contactmoment plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige] , in aanwezigheid van de vrouw, in een speeltuintje. Tijdens de relatie van partijen heeft de vrouw in grote mate alleen gezorgd voor [minderjarige] . De man had een beperkt aandeel in de zorg. Dat had ook te maken met zijn werk als vrachtwagenchauffeur, waardoor hij veel van huis was.

De vrouw staat open voor contact tussen [minderjarige] en de man. Zij vindt het belangrijk dat [minderjarige] haar vader ziet. Wel heeft zij op dit moment de nodige zorgen over of de man over de vereiste vaardigheden beschikt om op een veilige en verantwoorde wijze de zorg te dragen voor [minderjarige] . De man heeft [minderjarige] nu al een aantal maanden niet gezien en hij is niet op de hoogte van haar huidige ritme en hij heeft geen ervaring met het verzorgen van een jong kind. Verder zag de vrouw tijdens de relatie dat [minderjarige] ging huilen als de man haar vast had, terwijl ze dat bij anderen niet doet. Daarom vindt de vrouw dat contact(opbouw) tussen de man en [minderjarige] onder begeleiding moet plaatsvinden.

De man erkent dat hij niet bekend is met wat [minderjarige] in deze fase nodig heeft aan zorg (bijvoorbeeld qua eet- en slaapritme). Hij is ervan overtuigd dat hij [minderjarige] de zorg kan geven die ze nodig heeft, mits de vrouw hem informeert over de ontwikkeling van [minderjarige] en andere belangrijke zaken. De man wil graag contact met [minderjarige] en staat op zich wel open voor begeleid contact.

Gelet op de huidige situatie heeft de rechtbank met partijen besproken dat hulpverlening wenselijk zou zijn. Niet alleen om begeleid contact tot stand te brengen, waar partijen het over eens zijn, maar ook hulpverlening die erop is gericht dat partijen in staat zijn om samen afspraken te maken over [minderjarige] en voor verbetering van hun oudercommunicatie.

Er is nu nauwelijks communicatie tussen partijen en zij staan aan het begin van hun scheidingsproces. Zij kunnen niet zelfstandig komen tot het maken van afspraken over het voortgezet ouderschap na scheiding. Ook is [minderjarige] pas negen maanden oud, moeten zij in meer of mindere mate hun weg nog vinden in de invulling van het ouderschap en zullen partijen als ouders nog zeer lange tijd verbonden blijven met elkaar. Daar komt bij dat een complicerende factor de fysieke afstand is tussen partijen (zij wonen op 1 uur (auto)reisafstand van elkaar), dat de man tot op heden een beperkte rol heeft gehad in de zorg voor [minderjarige] en dat er over en weer geen vertrouwen is in het (familiaire) netwerk.

Partijen zien allebei het belang van hulpverlening en geven aan hiervoor open te staan. De man heeft dit ook als verzoek ingediend. Partijen stemmen ermee in dat de rechtbank hun doorverwijst voor een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod. De verwijzing heeft de rechtbank onderstaand onder het kopje Verwijzing Uniform Hulpaanbod verder opgenomen.

Omdat er wachtlijsten zijn, kan er langere tijd overheen gaan voordat gestart zou kunnen worden met begeleid contact tussen de man en [minderjarige] in het kader van het Uniform Hulpaanbod. De rechtbank overweegt dat het niet in het belang is van [minderjarige] als hierop wordt gewacht. [minderjarige] is zeer jong en zij heeft haar vader al een paar maanden niet gezien. Als deze periode nog veel langer zou duren, weet zij straks niet (meer) wie haar vader is. Ook heeft de man al een kennisachterstand over wie [minderjarige] is en wat zij in de (dagelijkse) verzorging en opvoeding nodig heeft. Het is belangrijk dat de man en [minderjarige] een band kunnen opbouwen en dat dit zo spoedig mogelijk wordt opgestart.

Zoals tijdens de zitting aangegeven door de rechtbank zullen tot de start van het Uniform Hulpaanbod de (opbouw van de) contactmomenten ook onder begeleiding moeten plaatsvinden. De man kan op deze wijze ervaring opdoen in de zorg voor [minderjarige] en leren wat haar behoeften zijn. De vrouw kan zo het vertrouwen opbouwen dat [minderjarige] in goede handen is bij de man. Wat de rechtbank betreft wordt de begeleiding van die contactmomenten bij voorkeur verzorgd door iemand binnen het (familiaire) netwerk, maar partijen geven allebei aan dat de verhouding tussen de families onderling verstoord is geraakt, dat er geen vertrouwen bestaat in (begeleiding door) een familielid van de ander, zodat dat geen optie is. De enige mogelijkheid die dan overblijft is dat partijen zelf contact opnemen met een externe professional, die op korte termijn beschikbaar is en die de begeleide contactmomenten op zich kan nemen.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot begeleid contact met elkaar, in de vorm van een wekelijks contactmoment van maximaal 2 uur, onder begeleiding van een externe professional en voor zover dit past in de planning van die externe professional. Als deze contactmomenten goed verlopen, gaat de rechtbank er vanuit dat de professional in overleg met partijen een verdere opbouw (in duur, frequentie en vorm) van de contacten bepaalt. Dit geldt ook wanneer de begeleiding wordt georganiseerd vanuit het Uniform Hulp Aanbod. De rechtbank is naast de onervarenheid van de man vooralsnog niet gebleken van contra-indicaties voor het contact tussen de man en [minderjarige] , zodat de insteek zou moeten zijn dat er uiteindelijk onbegeleid contact kan plaatsvinden. Voor de plek waar de begeleide contacten zullen plaatsvinden, zullen partijen zich moeten richten naar de professional. De man heeft onder protest van gehoudenheid aangegeven bereid te zijn naar die plek toe te rijden.

Het voorgaande betekent dat het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling wordt toegewezen op de wijze als hiervoor in rechtsoverweging 4.5. is omschreven.

Verwijzing Uniform Hulpaanbod

Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank verwijst daarvoor naar rechtsoverwegingen 4.3. tot en met 4.5. De rechtbank vindt het daarom nodig dat voor deze ouders en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 23 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket.

Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.

Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst.

Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt.

Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/448286 FA RK 26-552. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject waarbij zoals hier wordt ingezet op onbelast contact wordt standaard een termijn van 9 maanden aangehouden.Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot het kind.

Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/448286 FA RK 26-552 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:

- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?

- Welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?

- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, is niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en is wel van belang om te vermelden?

Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

Kinderalimentatie

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Behoefte [minderjarige]

Partijen zijn het er op de zitting over eens gebleken dat de behoefte van [minderjarige] € 787,= per maand bedraagt in 2025. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt de behoefte afgerond € 823,= per maand in 2026.

Draagkracht partijen

Vervolgens moet worden berekend wat het aandeel van partijen is in de behoefte van [minderjarige] . Dit wordt ook de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. De rechtbank sluit daarvoor aan bij ieders huidig netto inkomen. De draagkracht van partijen wordt daarna vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de eerder genoemde aanbevelingen.

Draagkracht vrouw

De vrouw heeft als productie 11 een draagkrachtberekening ingediend. Deze is gebaseerd op de Ziektewetuitkering die zij op dit moment ontvangt. De man heeft de berekening niet weersproken, zodat de rechtbank deze volgt en de draagkracht van de vrouw bepaalt op € 762,= per maand.

Draagkracht man

Tussen partijen is in geschil van welk inkomen aan de zijde van de man moet worden uitgegaan.

De man licht tijdens de zitting het volgende toe over zijn inkomen. Hij heeft een arbeidsovereenkomst ingediend die inging op 18 mei 2026 voor de functie van chauffeur. Hij heeft bij die werkgever een kleine maand gewerkt en is toen overgestapt naar de [bedrijf] B.V. Op basis van een uitzendconstructie werkt hij nu bij een bedrijf waarvoor hij eerder heeft gewerkt, als terreinmedewerker heftruckchauffeur.

Omdat hij bij [bedrijf] B.V. afgelopen week pas voor het eerst heeft gewerkt, heeft hij een pro forma loonstrook van dit dienstverband ingediend. De loonstrook is gebaseerd op 32 uur per week, maar normaal gesproken werkt hij 40 uur per week. Hij heeft 1 dag een opleiding gevolgd.

De man stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van het loon dat hij nu verdient, berekend op basis van 40 uur per week. Dit komt neer op ongeveer € 36.000,= bruto per jaar.

De vrouw doet een beroep op de verdiencapaciteit van de man, die wat haar betreft hoger is dan het feitelijke actuele inkomen van de man. De man wisselt veel van werkgever en heeft de laatste tijd verschillende heel korte dienstverbanden, maar het verleden laat zien - zo ook de arbeidsovereenkomst van 13 mei 2026 - dat de man in staat is om rond de

€ 40.000,=/45.000,= bruto per jaar te kunnen verdienen. Op basis van het in voornoemde arbeidsovereenkomst genoemde inkomen, heeft zij de als productie 11 ingediende draagkrachtberekening gemaakt. Deze berekening moet volgens de vrouw worden gevolgd.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de man ingediende (financiële) stukken krijgt de rechtbank het beeld dat het lastig is voor de man om langere tijd uitvoering te blijven geven aan een arbeidsovereenkomst. De man ziet zich bovendien nu geconfronteerd met het feit dat zijn huwelijk is gestrand en dat hij fysiek gescheiden is van zijn dochter. De (opbouw van de) contacten en het hulpverleningstraject zullen gaan plaatsvinden in [woonplaats] en dat vraagt gezien de reisafstand flexibiliteit van de man en zijn werkgever. De man heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij die flexibiliteit in zijn vorige functie(s) van vrachtwagenchauffeur niet had. De rechtbank vindt dit aannemelijk. Ook heeft de man toegelicht dat hij in zijn huidige functie van terreinmedewerker wel de mogelijkheden heeft om bijvoorbeeld later te starten met zijn werk of uren vrij te nemen. Hoewel zijn huidige inkomen wat lager is dan het inkomen dat de man verdiende als chauffeur, kan naar het voorlopige oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet van de man worden verwacht dat aan hem een hogere verdiencapaciteit wordt toegekend dan het inkomen dat hij nu feitelijk heeft.

Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank dan ook uit van het inkomen dat blijkt uit de overgelegde loonstrook van [bedrijf] , omgerekend naar 40 uur per week. Het loon bedraagt € 520,= bruto per week gebaseerd op 32 uur per week. Uitgaande van 40 uur per week bedraagt het inkomen € 2.816,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag.

De rechtbank houdt rekening met de op de loonstrook vermelde - en op basis van een 40-urige werkweek omgerekende - StiPP premie (€ 92,46 bruto per maand), de Premie Ziektewet aanvulling (€ 19,72 bruto per maand), de Premie PAWW-werknemer (€ 2,87 bruto per maand) en de Premie WGA inhouding (€ 12,35 netto per maand) Verder is rekening gehouden met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.

Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag ter hoogte van € 2.556,= per maand.

De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 297,= per maand.

Draagkrachtvergelijking

De verdeling van de kosten van [minderjarige] over de man en de vrouw wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van [minderjarige] , oftewel:

het aandeel van de man bedraagt: € 297 / € 1.059 x € 823 = € 231,=

het aandeel van de vrouw bedraagt: € 762 / € 1.059 x € 823 = € 592,=

Zorgkorting

Ten slotte kan bij de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting in aanmerking genomen worden op de door hem of haar te betalen bijdrage, voor zover deze ouder een deel van de kosten van een kind voor zijn of haar rekening neemt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Daardoor bespaart de andere ouder zich immers een deel van de kosten. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.

De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 15%. De vrouw maakt daartegen bezwaar en vindt dat uitgegaan moet worden van 5%.

Uit voornoemde aanbevelingen volgt dat een zorgkorting van 5% wordt toegepast bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week en dat 15% wordt toegepast als er sprake is van zorg gemiddeld 1 dag per week.

Hoewel de intentie is dat het contact tussen de man en [minderjarige] zal worden opgebouwd, zullen het gedurende zekere tijd kortdurende contactmomenten zijn, die bovendien op locatie zullen plaatsvinden. De man zal dan nauwelijks zorgkosten hebben. De rechtbank begrijpt dat de man reiskosten zal hebben, maar die vallen niet onder de zorgkorting. Een zorgkorting van 15% acht de rechtbank in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure, (nog) niet passend. De rechtbank gaat daarom uit van een zorgkorting van 5%.

Uitgaande van de behoefte van [minderjarige] van € 823,= per maand, bedraagt een zorgkorting van 5% afgerond € 41,= per maand.

Het aandeel van de man van € 231,= per maand wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 190,= per maand.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van de beschikking vaststellen op € 190,= per maand.

Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie wordt in zoverre toegewezen.

De rechtbank heeft een berekening gemaakt. Een gescand exemplaar van deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.

Partneralimentatie

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bedrag aan partneralimentatie van

€ 500,= per maand. De man heeft verweer gevoerd. Uit de door de vrouw als productie 11 ingediende draagkrachtberekening, die door de man niet is weersproken, blijkt dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op basis van uitsluitend haar Ziektewetuitkering (dus zonder kgb) € 3.072,= per maand bedraagt. Het netto besteedbaar inkomen van de man is lager en bedraagt € 2.556,= per maand. Reeds hieruit volgt dat het toekennen van partneralimentatie aan de vrouw niet in de rede ligt. Weliswaar resteert er aan de zijde van de man nog een klein bedrag aan draagkracht om partneralimentatie te kunnen betalen, maar toekenning van dit bedrag zou er toe leiden dat de vrouw in een betere financiële positie komt te verkeren dan de man. Het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat aan de vrouw wordt toevertrouwd de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ;

bepaalt dat de man en genoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar, in de vorm van een wekelijks contactmoment van maximaal 2 uur, onder begeleiding van een externe professional, zulks met inachtneming van hetgeen verder is overwogen daarover in rechtsoverweging 4.5.;

bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 190,= (honderdnegentig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;

verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;

verzoekt het loket om uiterlijk op 7 april 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/448286 FA RK 26-552 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/448286 FA RK 26-552 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.14. opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 7 juli 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand